Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY8220

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
11-01-2013
Zaaknummer
BK-11/00630
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. In geschil is of belanghebbende een negatief resultaat uit overige werkzaamheden van € 90.000 in aanmerking mag nemen. Meer specifiek is in geschil of het totale door belanghebbende betaalde bedrag van € 90.000 kan worden aangemerkt als een aan A BV ter beschikking gesteld vermogensbestanddeel in de zin van art. 3:92 Wet IB 2001 in de vorm van een regresvordering, die door het ontbreken van verhaalsmogelijkheden op A tot nihil mag worden afgewaardeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/73
V-N 2013/16.8 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-11/00630

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 3 juli 2012

in het geding tussen:

[X] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/Holland-Midden, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de (mondelinge) uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 juli 2011, nummer AWB 10/8124, betreffende na te vermelden aanslag.

Aanslag, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.373. Bij gelijktijdig genomen beschikkingen heeft de Inspecteur aan belanghebbende een boete opgelegd van € 113 en € 214 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag en de beschikkingen gedeeltelijk toegewezen en heeft hij de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.300 en € 1.354 aan heffingsrente vergoed. De Inspecteur heeft de verzuimboete verminderd tot op € 22.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de aanslag vernietigd, de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.300, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van € 1.311 en de Inspecteur gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan hem te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 112. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 22 mei 2012, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3. Op grond van de stukken van het geding gaat het Hof in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, uit van de volgende, door de rechtbank vastgestelde feiten:

1. [Belanghebbende] is directeur/enig aandeelhouder van [A] B.V. en van [B] B.V.

2. In 1992 heeft [C] en later haar rechtsopvolger [D] drie vorderingen wegens onrechtmatige daad ingesteld tegen:

1. [A] B.V. (hierna: [A]), [belanghebbende] en [B] B.V. (hierna tezamen: [E] c.s.);

2. B.V. [F] (hierna: [F]);

3. [G] B.V (hierna: [G]).

3. Nadat de drie procedures wegens verknochtheid waren gevoegd, heeft de rechtbank Haarlem op 14 november 2000 vonnis gewezen. [E] c.s. , [F] en [G] zijn bij dat vonnis allen veroordeeld voor onrechtmatige daad jegens [C] wegens het onttrekken van saldi aan G-rekeningen van andere aannemers, en veroordeeld om de in het vonnis vastgestelde bedragen te betalen aan [C].

4. Tegen dit vonnis hebben de drie partijen hoger beroep ingesteld. Ter opheffing van beslagen is uiteindelijk met [C] een schikking getroffen. [F] en [G] hebben in totaal € 284.997 aan [C] betaald ter finale kwijting van de vordering van [C] op [E] c.s., [F] en [G].

5. [F] en [G] zijn vervolgens een procedure gestart tegen [E] c.s., waarin het ging om de vraag welk bedrag [E] c.s. aan [F] en [G] moest voldoen in verband met de schikking die door partijen was getroffen met [C].

6. Naar aanleiding van deze procedure heeft [F] beslag laten leggen op het woonhuis van [belanghebbende].

7. Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 14 december 2005 is [E] c.s. hoofdelijk veroordeeld tot het betalen van € 66.803,04 (exclusief kosten en rente) aan [F] en € 51.292,87 (exclusief kosten en rente) aan [G].

8. Ter voorkoming van een hoger beroepsprocedure is overeengekomen dat [E] c.s. € 90.000 zal betalen aan [F] en [G]. Een kopie van het schikkingsvoorstel van de advocaat van [E] c.s. van 3 januari 2006, welk voorstel bij brief van 31 januari 2006 is geaccepteerd door de advocaat van [F] en [G], behoort tot de gedingstukken. De tekst luidt:

“Inzake: [E] c.s./[F], [G]

Cliënte heeft mij bericht dat zij het absoluut niet eens is met het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage d.d. 14 december 2005 en dat zij daarvan hoger beroep wenst in te stellen.

In het medio december 2005 met U gevoerde telefoongesprek heeft U mij te kennen gegeven dat ook U zich niet kon vinden in het oordeel van de rechtbank en dat ook Uwerzijds hoger beroep geïndiceerd lijkt.

Partijen hebben derhalve nog een lange gerechtelijke weg te gaan.

Omdat ik van oordeel ben dat een schikking in het belang van partijen is en met name in het belang van Uw cliënten, gegeven het verhaalsrisico aan de zijde van Uw cliënten, daargelaten de ongewisse uitkomst in een hoger beroepprocedure, heb ik cliënte met klem aangeraden zich te beraden over een aanbod op de grondslag als destijds bij het treffen van de regeling met [C] besproken.

(…)

Al sprokkelende is cliënte in staat en bereid een aanbod te doen tot het betalen van fl. 200.000,--, oftewel afgerond € 90.000 aan Uw cliënten, zulks tegen finale kwijting over en weer met buiten effectstelling van eerdervermeld vonnis.

(…)”

9. Op 8 februari 2006 hebben [belanghebbende] en mevrouw [Y] een nieuwe, hogere, hypotheek op hun eigen woning afgesloten. Op de nota van afrekening van de notaris staat vermeld dat er € 90.000 is overgemaakt naar de derdenrekening van mr. [I] (de advocaat van [F] en [G]) ter opheffing van het beslag.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of belanghebbende een negatief resultaat uit overige werkzaamheden van € 90.000 in aanmerking mag nemen. Meer specifiek is in geschil of het totale door belanghebbende betaalde bedrag van € 90.000 kan worden aangemerkt als een aan [A] B.V. (hierna: [A]) ter beschikking gesteld vermogensbestanddeel in de zin van artikel 3:92 van de Wet IB 2001 in de vorm van een regresvordering, die door het ontbreken van verhaalsmogelijkheden op [A] tot nihil mag worden afgewaardeerd.

4.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op het in aanmerking nemen van een negatief resultaat uit overige werkzaamheden van € 90.000. Ingevolge de schikking was belanghebbende hoofdelijk aansprakelijk voor € 90.000 en uit dien hoofde heeft hij dit bedrag betaald. Belanghebbende verkreeg voor het gehele bedrag een regresvordering op [A], aangezien belanghebbende en [B] B.V. niet gebaat waren bij de handelingen die [A] in het kader van haar bedrijfsuitoefening heeft verricht. [A] heeft voor de levering van heipalen betalingen vanaf een G-rekening geaccepteerd, had de gelden moeten terugstorten en was als enige rechtstreeks gebaat door de aan de G-rekening onttrokken gelden. De regresvordering mag op grond van het besluit van 24 mei 2006, nr. CPP 2006/76M, voor het nominale bedrag worden gewaardeerd en vervolgens worden afgewaardeerd tot nihil, aangezien [A] niet in staat is tot terugbetaling.

4.3. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat, naar volgt uit het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 december 2005, belanghebbende, [A] en [B] B.V. ieder hoofdelijk aansprakelijk waren voor € 90.000. Intern zijn zij voor gelijke delen draagplichtig. Belanghebbende diende derhalve € 30.000 te voldoen. Voor het resterende gedeelte van het door hem betaalde bedrag had belanghebbende regresvorderingen op de vennootschappen. Belanghebbende had een grote rekening-courantschuld bij [B] B.V., waarmee de regresvordering op deze vennootschap gesaldeerd had kunnen of moeten worden. Van afwaardering van deze regresvordering ten laste van het inkomen uit werk en woning van belanghebbende kan dus geen sprake zijn. [A] was reeds ten tijde van het vonnis van de rechtbank Haarlem niet in staat haar deel van de schadevergoeding te voldoen. Op grond van artikel 6:13 BW dient belanghebbendes regresvordering op [A] naar evenredigheid van de interne draagplicht te worden omgeslagen over belanghebbende en [B] B.V. Dit brengt mee dat van het door belanghebbende betaalde bedrag een gedeelte groot (€ 30.000 + € 15.000 =) € 45.000 voor zijn rekening kwam. Voorts werd belanghebbendes regresvordering op [B] B.V. met € 15.000 verhoogd tot eveneens € 45.000. Ook deze hogere regresvordering kon volledig worden verrekend met de rekening-courantschuld van belanghebbende aan [B] B.V.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot, naar het Hof begrijpt, vermindering van de aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil, met dienovereenkomstige vermindering van de heffingsrente.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard op grond van de volgende overwegingen:

14. Artikel 6:10 BW luidt:

“1. Hoofdelijke schuldenaren zijn, ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem in hun onderlinge verhouding aangaat, verplicht overeenkomstig de volgende leden in de schuld en in de kosten bij te dragen.

2. De verplichting tot bijdragen in de schuld die ten laste van een der hoofdelijke schuldenaren wordt gedelgd voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat, komt op iedere medeschuldenaar te rusten voor het bedrag van dit meerdere, telkens tot ten hoogste het gedeelte van de schuld dat de medeschuldenaar aangaat.

3. In door een hoofdelijke schuldenaar in redelijkheid gemaakte kosten moet iedere medeschuldenaar bijdragen naar evenredigheid van het gedeelte van de schuld dat hem aangaat, tenzij de kosten slechts de schuldenaar persoonlijk betreffen.”

15. De rechtbank volgt [belanghebbende] niet waar deze stelt dat het door [belanghebbende] betaalde bedrag van € 90.000 uitsluitend [A] aangaat en dat [belanghebbende] en [B] B.V. slechts in verband met de verhaalsmogelijkheden in de procedure zijn betrokken. Deze voorstelling van zaken laat zich naar het oordeel van de rechtbank niet verenigen met hetgeen rechtbank Haarlem dienaangaande heeft overwogen. De rechtbank leidt uit de overwegingen van rechtbank Haarlem af dat [A] ten onrechte fl. 698.200 op haar G-rekening heeft ontvangen, welk bedrag afkomstig is van de G-rekening van andere aannemers (r.o. I 3.5 en 3.6), dat [A]

- een bedrag van f 259.149,66 zonder enige grond heeft overgeboekt van haar G-rekening naar de G-rekening van [B] B.V.(r.o. I 3.7),

- ten onrechte gelden van haar G-rekening heeft overgeboekt naar de G-rekening van [F] en [G] (II 1.3 en II 3.4).

- dat [A] geen heipalen leverde dan wel zou leveren aan [F] en [G], maar van hen betonnen palen geleverd zou krijgen (r.o. II 3.3).

Ter onderbouwing van haar in r.o. I 3.5 gegeven oordeel dat [E] c.s. zich ten opzichte van [C] in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid hebben gedragen, verwijst de rechtbank Haarlem (…) naar hetgeen [belanghebbende] ten overstaan van de politie heeft verklaard. In r.o. I 1.5 overweegt rechtbank Haarlem daarover:

“Naar aanleiding van het vermeend kopen door [belanghebbende] van G-gelden is hij vanaf 24 februari 1992 verschillende malen door het Regionaal Recherche Team […] verhoord. Tijdens verschillende verhoren, waarvan de schriftelijke weerslag in dit geding is overgelegd heeft [belanghebbende] verklaard zich ervan bewust te zijn geweest G-gelden aan het pandrecht van [C] te hebben onttrokken door dit zonder grond aan de G-rekeningen van [H] en [M] te hebben onttrokken. Hij erkende geen recht te hebben op dit geld waar ook geen tegenprestatie tegenover is gesteld. Hij erkende voorts de vorderingen van [C] en verklaarde bereid te zijn een regeling met [C] te treffen.”

16. De tekst van de schikking, noch de vonnissen van rechtbank Haarlem en rechtbank ’s-Gravenhage waaruit de schikking (uiteindelijk) is voortgekomen, kunnen de conclusie dragen dat [belanghebbende] en [B] B.V. niets met de onttrekking van G-gelden te maken hadden. Uit het vonnis van rechtbank Haarlem volgt integendeel dat [belanghebbende], [A] en [B] B.V. alle drie hebben meegewerkt aan het onrechtmatig onttrekken van G-gelden. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat [belanghebbende], [A] en [B] B.V ieder voor 1/3 draagplichtig zijn. Een gedeelte, groot € 30.000, van het door [belanghebbende] betaalde bedrag van € 90.000, komt derhalve rechtstreeks voor rekening van [belanghebbende]; voor dat gedeelte is geen regresvordering ontstaan.

17. [Belanghebbende] verkreeg civielrechtelijk een regresvordering van € 30.000 op zowel [A] als [B] B.V. Deze regresvorderingen kwalificeren als ter beschikking gesteld vermogen in de zin van artikel 3.92, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001. De vorderingen dienen in beginsel op de openingsbalans van de werkzaamheid te boek te worden gesteld voor de waarde in het economische verkeer op balansdatum. [De Inspecteur] heeft onweersproken gesteld dat de regresvordering op [B] B.V. kon worden verrekend met de (grotere) rekening-courantschuld van [belanghebbende] bij deze B.V. Dan is er naar het oordeel van de rechtbank geen reden om de regresvordering van [belanghebbende] op [B] B.V op een lager bedrag dan € 30.000 te waarderen.

18. Niet in geschil is dat [A] in een dusdanig slechte financiële positie verkeerde, dat verhaal onmogelijk was. De waarde in het economisch verkeer van deze vordering bedroeg derhalve nihil. Bij besluit van 24 mei 2006, nr. CPP 2006/76M is echter goedgekeurd dat een regresvordering van een directeuraandeelhouder op zijn B.V. die voortvloeit uit een aansprakelijkheidsstelling bij hoofdelijke aansprakelijkheid, te boek wordt gesteld voor het bedrag dat de directeuraandeelhouder uit hoofde van die aansprakelijkheidsstelling heeft betaald. De vordering op [A] mag daarom naar het oordeel van de rechtbank op de openingsbalans van de werkzaamheid worden gewaardeerd op € 30.000. De rechtbank verwerpt de stelling van [de Inspecteur] dat sprake is van een informele kapitaalstorting. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [de Inspecteur] tegenover de betwisting door [belanghebbende] geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een bewuste bevoordeling van [A] door [belanghebbende] in zijn hoedanigheid van aandeelhouder. [Belanghebbende] heeft immers betaald uit hoofde van hoofdelijke aansprakelijkheid. Daarbij komt nog dat de stelling van [de Inspecteur] onverenigbaar is met de hiervoor bedoelde goedkeuring in het besluit van 24 mei 2006.

19. Met betrekking tot de vraag met welk bedrag de vordering mag worden afgewaardeerd wegens de onmogelijkheid tot verhaal op [A], overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 6:13, eerste lid, BW luidt:

"1. Blijkt verhaal op een hoofdelijke schuldenaar voor een vordering als bedoeld in de artikelen 10 en 12 geheel of gedeeltelijk onmogelijk, dan wordt het onverhaalbaar gebleken deel over al zijn medeschuldenaren omgeslagen naar evenredigheid van de gedeelten waarvoor de schuld ieder van hen in hun onderlinge verhouding aanging."

20. De regresvordering van [belanghebbende] op [A] wordt ingevolge artikel 6:13 BW door de onmogelijkheid tot verhaal omgeslagen over alle draagplichtige schuldenaren, te weten [belanghebbende] en [B] B.V. Een bedrag van € 15.000 dient gelet op het voorgaande voor rekening van [B] B.V. te komen zodat [belanghebbende] ook voor dit bedrag een vordering op die B.V. verkreeg. Nu [de Inspecteur] onweersproken heeft gesteld dat [B] B.V. op [belanghebbende] een vordering in rekening-courant had waarmee, naast het eerder genoemde bedrag van € 30.000, ook het bedrag van € 15.000 kon worden verrekend, is er ook voor dit bedrag geen ruimte voor een afwaardering van de regresvordering ten laste van het inkomen uit werk en woning (vgl. HR 8 juli 2011, nr. 09/03341, LJN: BO0389).

21. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de regresvordering op [A] met een bedrag van € 15.000 ten laste van [belanghebbende] inkomen uit werk en woning van 2006 mag worden afgewaardeerd. Dit brengt mee dat het bij de uitspraak op bezwaar nader vastgestelde inkomen uit werk en woning van € 24.300 met € 15.000 moet worden verlaagd tot € 9.300.

22. [Belanghebbende] heeft geen gronden tegen de boete aangevoerd. De rechtbank heeft de boetebeschikking daarom ambtshalve beoordeeld. Indien de belastingplichtige de aangifte voor een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven niet heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur ingevolge artikel 67a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de belastingplichtige, gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag, een boete van ten hoogste € 1.134 kan opleggen. De rechtbank leidt uit de stukken van het geding af dat [belanghebbende] niet tijdig aangifte heeft gedaan en acht aannemelijk dat [de Inspecteur] na het uitblijven van de aangifte binnen de gestelde termijn aan [belanghebbende] een aanmaning heeft gezonden. Hieruit volgt dat de boete terecht is opgelegd.

23. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de aanslag en de aanslag verminderd.

24. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de kosten die [belanghebbende] heeft moeten maken voor de behandeling van het bezwaar. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden kosten voor bezwaar uitsluitend vergoed indien de aanslag wordt herroepen wegens een aan [de Inspecteur] toe te rekenen onrechtmatigheid. Aangezien [belanghebbende] niet tijdig aangifte heeft gedaan, heeft [de Inspecteur] ambtshalve een aanslag naar een geschat bedrag moeten opleggen. In de bezwaarfase heeft [belanghebbende] alsnog aangifte gedaan, waarop de aanslag is verminderd (en het onderhavige geschil in beeld is gekomen). Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van herroeping van de aanslag wegens een aan [de Inspecteur] te wijten onrechtmatigheid.

25. De rechtbank vindt wel aanleiding [de Inspecteur] te veroordelen in de kosten die [belanghebbende] in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.311 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1,5). De wegingsfactor is bepaald op 1,5 nu beide partijen zich desgevraagd op het standpunt hebben gesteld dat de zaak bovengemiddeld moeilijk was. De rechtbank sluit zich aan bij dit gezamenlijke standpunt van partijen, waarvan niet is gebleken dat het berust op een juridisch onjuist uitgangspunt. Voor een hogere vergoeding acht de rechtbank geen termen aanwezig. Weliswaar heeft [belanghebbende] verzocht om vergoeding van de werkelijke proceskosten, maar van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid van het Besluit, die afwijking van de forfaitaire regeling voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand rechtvaardigen, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. [C] (hierna: het [C]) heeft als eiseres vorderingen ingesteld tegen (i) [A], [B] B.V.(hierna: [B]) en belanghebbende (hierna gezamenlijk: [E] c.s.), (ii) B.V. [F] (hierna: [F]) en (iii) [G] B.V. (hierna [G]) als gedaagden. De vorderingen van het [C] berusten op de grondslag dat de gedaagden onrechtmatig jegens het [C] hebben gehandeld, waardoor het [C] is benadeeld. Nadat de rechtbank Haarlem vonnis heeft gewezen is tussen partijen een schikking getroffen op grond waarvan € 284.997 aan het [C] zou worden betaald ter finale kwijting van de vorderingen die het [C] op voormelde gedaagden had. Voormeld bedrag is door [F] en [G] aan het [C] betaald. Nadat deze twee vennootschappen een procedure jegens [E] c.s. tot regres zijn begonnen, is tussen deze partijen overeengekomen dat [E] c.s. van voormeld bedrag van € 284.997 een bedrag van € 90.000 aan de twee vennootschappen zou betalen tegen finale kwijting. Het voorgaande laat geen andere conclusie toe dan dat, anders dan belanghebbende stelt, voormelde betaling van € 90.000 verband houdt met het onrechtmatig handelen van [E] c.s. jegens het [C].

7.2. Aangezien op belanghebbende, [A] en [B] de verplichting tot vergoeding van dezelfde door het [C] geleden schade rustte, zijn zij hoofdelijk verbonden. Voor de bepaling van hetgeen zij krachtens artikel 6:10 BW in hun onderlinge verhouding jegens elkaar moeten bijdragen, wordt de schade over hen verdeeld met overeenkomstige toepassing van artikel 6:101 BW, tenzij uit wet of rechtshandeling een andere verdeling voortvloeit. Daarbij is het uitgangspunt dat de schade, in het kader van het door belanghebbende op [A] en [B] te nemen regres, op grond van het bepaalde in artikel 6:102 BW, moet worden verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan hen toe te rekenen omstandigheden tot de schade van het [C] hebben bijgedragen. De zogenoemde billijkheidscorrectie kan daarin verandering brengen.

7.3. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat, aangezien [A], belanghebbende en [B] onderling geen afwijkende regeling zijn overeengekomen, ervan moet worden uitgegaan dat, in hun onderlinge verhoudingen, ieder van hen voormeld bedrag van € 90.000 in gelijke mate aangaat. Belanghebbende betoogt daarentegen dat het bedrag van € 90.000 alleen [A] aangaat, doch die stelling faalt. Belanghebbende, op wie de stelplicht en de bewijslast van zijn stelling rust, heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat [A] de volledige schade dient te dragen. Zo is bijvoorbeeld geenszins duidelijk geworden waarom belanghebbende, als directeur/grootaandeelhouder, de gedragingen van [A] niet had kunnen voorkomen. Voorts volgt uit het vonnis van de rechtbank Haarlem van 14 november 2000 dat, naast [A], ook belanghebbende en [B] hebben meegewerkt aan het onrechtmatig onttrekken van G-gelden.

7.4. Aangezien belanghebbende niet aan zijn bewijslast heeft voldaan, valt in de interne verhouding tussen belanghebbende, [A] en [B] niet vast te stellen in welke mate de door ieder van hen verrichte gedragingen, op grond waarvan zij door het [C] aansprakelijk zijn gesteld, tot het ontstaan van de schade van het [C] hebben bijgedragen. In een zodanige situatie dient te worden geoordeeld dat, behoudens bijzondere - door belanghebbende te stellen - feiten en omstandigheden, welke ontbreken, bij ieder van hen draagplicht bestaat voor gelijke delen.

7.5. Gelet op het vorenoverwogene en op hetgeen de rechtbank in rechtsoverwegingen 17 tot en met 20 heeft overwogen, is zij terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen dat belanghebbendes regresvordering op [B] niet kan worden afgewaardeerd en dat belanghebbendes regresvordering op [A] met een bedrag van € 15.000 ten laste van zijn inkomen uit werk en woning van 2006 mag worden afgewaardeerd. Het Hof acht de zienswijze van de rechtbank en de gronden waarop deze zienswijze berust, juist en maakt deze tot de zijne.

7.6. Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond en moet worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 3 juli 2012 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.