Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY7739

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-04-2012
Datum publicatie
03-01-2013
Zaaknummer
22-005012-11.a
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bezit kinderporno; minderjarige verdachte; VOG; 9a Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-005012-11

Parketnummer: 11-720213-10

Datum uitspraak: 27 april 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 6 oktober 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [dag] 1992,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek

op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 13 april 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2008 tot en met 29 maart 2009 te Gorinchem, in elk geval in Nederland, (een) afbeelding(en) en/of (een) gegevensdrager(s) (te weten computer/harde schijf) bevattende (een) afbeelding(en), (telkens) in bezit heeft gehad,

terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn, waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken,

welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit (onder meer):

- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) die de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van die/de perso(o)n(en) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen in beeld gebracht worden (onder meer [bestandsnaam 1]) en/of

- het anaal penetreren (met de penis) door (een) perso(o)n(en) die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt van het lichaam van een persoon die de leeftijd van 18 jaar (eveneens) nog niet heeft bereikt (onder meer [bestandsnaam 2] en/of [bestandsnaam 3]) en/of

- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) die de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij deze perso(o)n(en) gekleed is/zijn en/of in een omgeving en/of met voorwerpen en/of in (erotisch getinte) houdingen poseert/poseren die niet bij haar/hun leeftijd past/passen en/of waarbij deze perso(o)n(en) zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van zijn/hun kleding ontdoet/ ontdoen en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze perso(o)n(en) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen in beeld gebracht worden (onder meer [bestandsnaam 4]) en/of

- het (laten) betasten en/of aftrekken van de (stijve) penis van (een) perso(o)n(en) die de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt door een volwassen man/een persoon die eveneens de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt (onder meer [bestandsnaam 5]) en/of

- het in de mond (laten) nemen van de penis van een persoon die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt door (een) perso(o)n(en) die eveneens de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt (onder meer [bestandsnaam 3] en/of [bestandsnaam 6] en/of [bestandsnaam 7])

- het masturberen/aftrekken door een persoon die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt; (onder meer [bestandsnaam 8] en/of [bestandsnaam 9] en/of [bestandsnaam 10]).

Omvang van het hoger beroep

Het hof is van oordeel dat de onderhavige tenlastelegging beschouwd dient te worden als een impliciet cumulatieve tenlastelegging waarin meerdere feiten zijn ten laste gelegd, in de zin van gevoegde strafbare feiten, waarop artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvorde-ring van toepassing is. Dientengevolge is het ten laste gelegde bezit van het [bestandsnaam 2], waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, niet meer aan de orde in hoger beroep.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Geldigheid van de dagvaarding

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte bij preliminair verweer - overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde pleitnotities - bepleit dat de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding op verschillende punten onvoldoende duidelijk is.

Het hof is - in navolging van de rechtbank - van oordeel dat uitgangspunt is dat de verdachte moet weten tegen welke beschuldiging hij zich heeft te verweren en dat de rechter moet weten welk feit hij tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft te onderzoeken. In de tenlastelegging is de inhoud van een aantal foto- en filmbestanden beschreven. Voor het overige is ermee volstaan dat de verdachte "onder meer" deze afbeeldingen in bezit heeft gehad, wat impliceert dat hij ook andere kinderpornografische afbeeldingen in bezit heeft gehad. Nu de tenlastelegging niet vermeld hoeveel en welke kinderpornografische afbeeldingen de verdachte in bezit zou hebben gehad, is de tenlastelegging op dit punt onvoldoende duidelijk en dient de dagvaarding op de onderdelen die zijn omschreven als "onder meer" nietig te worden verklaard.

Voor wat betreft het overige is de dagvaarding naar het oordeel van het hof - in onderling verband en samenhang bezien met de inhoud van het dossier - voldoende duidelijk. Ook overigens voldoet deze aan de eisen van artikel 261 Wetboek van Strafvordering. Nu voorts ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte heeft begrepen waartegen hij zich moet verdedigen wordt het verweer betreffende de nietigheid van de inleidende dagvaarding voor wat betreft het overige verworpen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van de verdachte heeft zich - overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde pleitnotities - op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Vooropgesteld zij dat een overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad op zich zelf niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, ook niet in uitzonderlijk gevallen.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2010 (LJN BL3228) kan worden afgeleid dat dit uitgangspunt ook geldt voor jeugdzaken. Het hof merkt op dat de vervolging en berechting in eerste aanleg onwenselijk lang heeft geduurd: ruim dertig maanden na aanvang van de redelijke termijn is de zaak afgedaan, terwijl bij jeugdzaken als uitgangspunt geldt dat dit binnen zestien maanden dient te geschieden. Dit heeft blijkens het dossier onder meer te maken gehad met een capaciteitsgebrek bij de unit Zedenpolitie, zodanig dat overige werkzaamheden bij deze unit meer prioriteit kregen. Dat laatste neemt echter niet weg dat de officier van justitie in een zaak als de onderhavige - waarbij verdachte eigener beweging gemeld heeft dat hij kinderporno in bezit had - desondanks voldoende tijd en gelegenheid moet hebben om onderzoek te doen verrichten, waarbij zowel de belangen van de verdachte als de belangen van de maatschappij in ogenschouw moeten worden genomen. Hiermee is kennelijk meer tijd gemoeid geweest dan op zich wenselijk te achten is. Gelet op het vooroverwogene zal het hof een ander gevolg aan deze overschrijding verbinden dan de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Volgens de raadsman van de verdachte is het sturen van een brief, als door de officier van justitie op 26 januari 2011 aan verdachte gedaan, onrechtmatig, gelet op het bepaalde in artikel 39f van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. De officier van justitie heeft daarin laten weten dat de school van de verdachte zal worden benaderd met de mededeling dat de verdachte wordt gedagvaard voor het bezit van kinderpornografisch materiaal. Genoemde melding aan de school van de verdachte zou slechts namens het College van procureurs-generaal gedaan mogen worden.

Het hof is van oordeel dat gelet op de aangetroffen bestanden op de betreffende computer en de zorgen omtrent de verdachte die worden geuit door GZ-psycholoog E.M. Engers in het Pro Justitia rapport d.d. 15 december 2010 het sturen van bedoelde brief door het openbaar ministerie niet onredelijk en/of disproportioneel zou zijn. Nu bedoelde brief uiteindelijk niet aan de school van de verdachte is gestuurd, behoeft thans geen verdere bespreking of dat in strijd met bovengenoemd artikel 39f zou zijn.

Voorts beklaagt de raadsman zich erom dat het openbaar ministerie de verdachte op 19 april 2011 heeft aangeboden de zaak te seponeren, onder de voorwaarde dat de verdachte zich onder toezicht van de reclassering zou stellen en een behandeling zou volgen bij Het Dok of De Waag. Nu de verdachte dit aanbod niet heeft aanvaard, heeft het openbaar ministerie de verdachte verder vervolgd, maar ter terechtzitting een strafeis geformuleerd zonder deze voorwaarden; dit had naar het oordeel van de verdediging alsnog moeten hebben geleid tot een onvoorwaardelijk sepot. Nu dat niet is gebeurd dient het openbaar ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard.

Dat de officier van justitie ter terechtzitting in eerste aanleg niet heeft geëist dat eerder genoemde voorwaarden aan de verdachte worden opgelegd, doet naar het oordeel van het hof niet af aan de redelijkheid van die (verdere) vervolgingsbeslissing. Het ter terechtzitting in eerste aanleg besprokene heeft immers kunnen leiden tot een gewijzigd standpunt van de officier van justitie. Volledigheidshalve overweegt het hof dat aan het openbaar ministerie op grond van artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering het vervolgingsmonopolie is toegekend.

Naar het oordeel van het hof geven bovenstaande punten en ook de overige door de raadsman ter onderbouwing van het verweer aangevoerde punten zowel afzonderlijk als ook in onderling verband en samenhang bezien, geen aanleiding het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Niet-ontvankelijkverklaring in de vervolging komt blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats in het geval dat het vormverzuim of een samenstel van vormverzuimen daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Het hof is van oordeel dat daarvan in het onderhavige geval niet is gebleken. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Het hof acht het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Partiële vrijspraak

Het hof is - met de verdediging - van oordeel dat op de onder het eerste gedachtenstreepje ten laste gelegde afbeelding, [bestandsnaam 1], welke ter terechtzitting in hoger beroep is getoond, geen seksuele gedraging in de zin van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht zichtbaar is en zal de verdachte derhalve hiervan vrijspreken.

Hoewel het geslachtsdeel van de persoon op de afbeelding nadrukkelijk in beeld wordt gebracht is het hof van oordeel dat het camerastandpunt en de pose van de persoon niet zodanig zijn dat kan worden gesproken van een afbeelding met een onmiskenbaar seksuele strekking.

Gelet op deze partiële vrijspraak behoeft het voorwaardelijk verzoek van de raadsman tot aanhouding teneinde een deskundige te benoemen geen bespreking meer, net zo min als het subsidiaire beroep op afwezigheid van alle schuld.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 december 2008 tot en met 29 maart 2009 te Gorinchem een gegevensdrager (te weten computer/harde schijf) bevattende afbeeldingen in bezit heeft gehad,

terwijl op die afbeeldingen (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn, waarbij telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken,

welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit:

- het anaal penetreren met de penis door personen die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt van het lichaam van een persoon die de leeftijd van 18 jaar eveneens nog niet heeft bereikt ([bestandsnaam 3]) en

- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van een persoon die de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt, waarbij deze zich in opeenvolgende afbeeldingen/ filmfragmenten van zijn kleding ontdoet en waarna door de pose nadrukkelijk het ontblote geslachtsdeel in beeld gebracht wordt ([bestandsnaam 4]) en

- het (laten) aftrekken van de stijve penis van een persoon die de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt door een persoon ([bestandsnaam 5]) en

- het in de mond (laten) nemen van de penis van een persoon die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt door een persoon die eveneens de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt ([bestandsnaam 3] en [bestandsnaam 6] en [bestandsnaam 7])

- het masturberen/aftrekken door een persoon die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt; ([bestandsnaam 8] en [bestandsnaam 9] en [bestandsnaam 10]).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Verweer gevoerd door de verdediging met betrekking tot het bezit van de filmbestanden

Ten aanzien van de onder het tweede tot en met het zesde gedachtenstreepje ten laste gelegde filmbestanden heeft de raadsman van de verdachte zich ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde pleitnotities - op het standpunt gesteld dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het bezit daarvan, zodat de verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. De verdachte heeft verklaard dat hij van [betrokkene 1] een USB-stick heeft gekregen, waarop foto's van een feestje stonden. De verdachte heeft de inhoud van de USB-stick - zonder deze te bekijken - op de computer opgeslagen. Op een later tijstip kwam de verdachte erachter dat het om kinderpor-nografie ging; hij heeft de filmbestanden bekeken en deze vervolgens niet van zijn computer verwijderd.

Het opzet van de verdachte op het bezit hiervan is reeds daarom (namelijk in het besef welke inhoud deze bestanden hadden, dit laten staan) wettig en overtuigend bewezen.

Verweer gevoerd door de verdediging met betrekking tot de leeftijd van de personen naar wie in de tenlastelegging onder het tweede gedachtestreepje wordt verwezen

Voor zover de raadsman heeft betwist dat de personen afgebeeld op [bestandsnaam 3] kennelijk minderjarig zijn (pleitnotities p. 10) overweegt het hof hieromtrent het volgende.

In het proces-verbaal d.d. 25 januari 2010 (PL1852/09-040471, opgenomen als paragraaf 1.3 in het proces-verbaal met dossiernummer PL1852/09-502281) wordt genoemd filmbestand als volgt beschreven: "Een filmbestand met een lengte van ongeveer 9.37 minuten waarop een vijftal naakte jongens is te zien met een geschatte leeftijd van 8 tot 12 jaar ...". In het proces-verbaal d.d. 24 februari 2012 (PL1850 2011671072-5) heeft [verbalisant] aangegeven op welke criteria en kenmerken hij en zijn medeverbalisant zich hebben gebaseerd bij het schatten van de leeftijd van de afgebeelde personen in het onderhavige onderzoek. De uitwendige kenmerken en gestalteontwikkeling van jongens tot 12 jaar verschillen zodanig van die van jongens van 18 jaar en ouder, dat de enkele betwisting door de raadsman van de minderjarigheid van de in [bestandsnaam 3] afgebeelde jongens naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd is. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Verzoek om bewijsuitsluiting

De raadsman van de verdachte heeft - overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde pleitnotities - verzocht de door de verdachte tegenover de politie afgelegde verklaringen, het proces-verbaal van het informatief gesprek met de verdachte d.d. 29 maart 2009 en de verklaringen van [betrokkene 1] uit te sluiten van het bewijs.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad behoeft alleen aan een aangehouden verdachte de gelegenheid te worden geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Dit geldt zowel voor aangehouden strafrechtelijk volwassenen als op aangehouden strafrechtelijk jeugdigen, waarbij voor aangehouden jeugdige verdachten geldt dat zij tevens recht hebben op bijstand door een andere vertrouwens-persoon dan een raadsman tijdens het verhoor door de politie.

Nu de verdachte in onderhavige zaak niet is aangehouden, verwerpt het hof reeds daarom het verweer. Volledigheidshalve overweegt het hof dat de verdachte voor genoemde verhoren in de gelegenheid is gesteld om zelf een raadsman of een andere vertrouwenspersoon te raadplegen.

Het hof zal het proces-verbaal van het informatief gesprek met de verdachte d.d. 29 maart 2009 en de verklaringen van [betrokkene 1] niet voor het bewijs gebruiken, zodat de verweren ten aanzien van deze bewijsmiddelen geen bespreking behoeven. Mitsdien behoeft het voorwaardelijk verzoek tot aanhouding van de zaak, teneinde [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen te horen, evenmin bespreking.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben,

meermalen gepleegd.

De raadsman heeft zich ten aanzien van het bezit van de onder het tweede tot en met het zesde gedachtenstreepje ten laste gelegde filmbestanden op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de materiële wederrechtelijkheid aan het feit ontbreekt.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. De verdachte heeft de filmbestanden die hij via de USB-stick op zijn computer had gezet bekeken en kwam erachter dat het om kinderpornografie ging. Hij heeft deze vervolgens niet van zijn computer verwijderd. Evenmin heeft hij de politie direct ingelicht toen hij wist wat voor soort bestanden er op de USB-stick stonden; hij heeft dit pas in een later stadium in het kader van zijn aangifte van seksueel misbruik tegen [betrokkene 1] bij de politie gemeld. Niet is gebleken dat de verdachte de bestanden op zijn computer heeft bewaard ter onderbouwing van zijn aangifte. De verdachte heeft derhalve niet gehandeld zoals van een goede burger mocht worden verlangd. Het verweer wordt verworpen. Daar komt bij dat verdachte eerst aangifte tegen [betrokkene 1] is gaan doen, omdat hij boos was op [betrokkene 1], aangezien die een vriend van de verdachte had ontslagen. Verdachte heeft dus niet aangifte tegen [betrokkene 1] gedaan omdat deze kinderporno zou verspreiden. Het hof verwerpt het verweer.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 3 jaren, met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens stichting Reclassering Nederland zolang deze instelling dit nodig oordeelt, ook als dat inhoudt enige vorm van behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling.

Geen straf of maatregel

De verdachte heeft zich op bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan het in bezit hebben van kinderpornografie. Bij de vervaardiging van filmfragmenten van deze aard worden jeugdigen en kinderen veelal seksueel misbruikt en geëxploiteerd. Verdachte heeft intussen aangegeven te begrijpen dat het bezit en de verspreiding van kinderpornografisch materiaal bijdraagt aan de productie daarvan en aan de schending van de belangen van de bij die productie betrokken minderjarigen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 maart 2012 is de verdachte niet eerder veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof heeft voorts rekening gehouden met het feit dat de verdachte zelf bij de politie heeft gemeld dat hij kinderporno in zijn bezit had en dat dit is gebeurd in het kader van zijn aangifte van seksueel misbruik tegen [betrokkene 1]. Het hof is van oordeel dat dit een strafverlagende omstandigheid vormt.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de navolgende rapportages:

- een beknopt reclasseringsadvies d.d. 6 april 2012, opgemaakt en ondertekend door H.H. Houben, reclasseringswerker en F. Groen, leidinggevende;

- een Pro Justitia rapport d.d. 14 maart 2011, opgemaakt en ondertekend door R.A.R. Bullens, klinisch psycholoog;

- een aanvullend Pro Justitia rapport d.d. 9 mei 2011, opgemaakt en ondertekend door R.A.R. Bullens, klinisch psycholoog;

- een Pro Justitia rapport d.d. 15 december 2010, opgemaakt en ondertekend door E.M. van Engers,

GZ-spycholoog, orthopedagoog.

Uit het eerstgenoemde rapport blijkt onder meer dat de verdachte de opleiding MBO-SPW niveau 4 volgt en dat hij daarnaast een bijbaantje in een restaurant heeft. De verdachte heeft geen hulpvragen en er zijn geen problemen op de verschillende leefgebieden. Op dit moment is er geen sprake van een verhoogd recidiverisico.

Uit de Pro Justitia rapporten blijkt dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

Gelet op het bovenstaande, alsmede op de reeds eerder vermelde forse overschrijding van de redelijke termijn, acht het hof het raadzaam te bepalen dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Verklaring Omtrent het Gedrag

De raadsman van de verdachte heeft het hof - in het geval van een veroordeling van de verdachte - verzocht een overweging in het arrest op te nemen waarin expliciet wordt aangegeven dat een schuldigverklaring in deze zaak geen reden mag zijn om de afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag aan de verdachte in de toekomst te weigeren.

Het hof ziet in de feiten en omstandigheden van onderhavige zaak geen aanleiding om een dergelijke overweging in het arrest op te nemen. De beslissing over de verkrijging van een Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) is voorbehouden aan het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: COVOG) namens de Minister van Veiligheid en Justitie. Het hof merkt hierbij op dat het COVOG op basis van het thans geldende beleid ten behoeve van een goede oordeelsvorming omtrent een aanvraag van een VOG bevoegd is inlichtingen in te winnen bij het openbaar ministerie en de reclassering en dat bij de beoordeling van de aanvraag tevens rekening wordt gehouden met het feit dat de verdachte ten tijde van het plegen van het strafbare feit minderjarig was.1

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9a, 77gg en 240b van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit arrest is gewezen door mr. C.P.E.M. Fonteijn- Van der Meulen, mr. J.A.C. Bartels en mr. T.L Tan, in bijzijn van de griffier mr. N. van der Velden.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 april 2012.

1 Beleidsregels 2011 voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een verklaring omtrent het gedrag van natuurlijke personen en rechtspersonen en de integriteitsverklaring beroepsvervoer, Staatscourant 2011, nr. 12842, 15 juli 2011.