Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY7428

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
23-01-2013
Zaaknummer
200.103.955-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgemeenschap; peildatum omvang en waardering; benoeming van deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 12 december 2012

Zaaknummer : 200.103.955/01

Rekestnrs. rechtbank : F2 RK 09-2359 en F2 RK 09-2935

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: verzoekster,

advocaat mr. S.L. Mertens-Vrede te Oosterhout,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep

hierna te noemen: verweerster,

advocaat mr. M.S. Clarenbeek te Maassluis.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Verzoekster is op 16 maart 2012 in hoger beroep gekomen van de tussenbeschikkingen van 3 mei 2010, 14 oktober 2010 en 28 januari 2011 en van de eindbeschikking van 19 december 2011 van de rechtbank te Rotterdam.

Verweerster heeft op 29 mei 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van verzoekster:

- op 13 april 2012 een brief van 12 april 2012 met bijlagen;

- op 16 mei 2012 een brief van 15 mei 2012 met bijlage;

- op 7 augustus 2012 een brief van 6 augustus 2012.

De zaak is op 17 augustus 2012 mondeling behandeld. Ter zitting zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten. Verzoekster heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

Nadien zijn, volgens afspraak ter zitting, de volgende stukken bij het hof ingekomen:

van de zijde van verzoekster:

- op 10 september 2012 een faxbericht van dezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van verweerster:

- op 11 september 2012 een faxbericht van dezelfde datum met bijlage.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de eindbeschikking van 19 december 2011.

Bij die beschikking is, voor zover thans van belang, de verdeling van de gemeenschap verder vastgesteld als volgt:

deelt toe aan [verweerster]:

- de echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats];

- de aan de hypothecaire geldlening verpande kapitaalverzekering bij Nationale Nederlanden, polisnummer [X];

- de onderneming [bedrijf];

- de zonnebank;

onder de verplichting om voor haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen:

- de hypothecaire geldlening bij de ING-bank, nr. F [Y];

- de lening bij dhr. [S];

- de lening bij dhr. [H];

- de lening bij mevr. [Van S].

veroordeelt [verweerster] aan [verzoekster] te voldoen de helft van de waarde van de aan de hypothecaire geldlening verpande kapitaalverzekering bij Nationale Nederlanden, polisnummer [X], zoals de waarde is op 19 december 2011.

bepaalt dat partijen met elkaar verrekenen de helft van de positieve dan wel de negatieve saldi op de peildatum 3 mei 2010 ter zake:

- de ING bankrekeningnummer [Z] op naam van [verweerster];

- de ABN-AMRO bankrekeningnummer [A] op naam van [verweerster];

- privé ABN-AMRO bankrekeningnummer [B] op naam van [verzoekster].

veroordeelt [verzoekster] uiterlijk over drie maanden na 19 december 2011 aan [verweerster] te voldoen:

- ten titel van de onderwaarde ter zake de echtelijke woning een bedrag van € 4.650,-;

- ten titel van de leningen bij dhr. [S], dhr. [H] en mevr. [Van S] een bedrag van € 6.575,-;

- ten titel van de negatieve prijs van de onderneming [bedrijf] een bedrag van € 47.293,50,

waarbij het totaalbedrag hiervan verrekend wordt met het aan [verzoekster] toekomende bedrag uit de kapitaalverzekering Nationale Nederlanden en een eventueel aan [verzoekster] toekomend positief banksaldo, dan wel het resterende bedrag vermeerderd met een eventueel door [verzoekster] aan [verweerster] te voldoen saldo ter zake de genoemde bankrekeningen van partijen.

bepaalt dat indien de voldoening door [verzoekster] van genoemde bedragen aan [verweerster] niet binnen genoemde termijn plaatsvindt, [verzoekster] zonder (verdere) aanmaning in verzuim is en zij aan [verweerster] over het niet betaalde bedrag, zolang zij in verzuim is, een rente verschuldigd is, gelijk aan de wettelijke rente.

verwijst partijen ieder voor de helft in de kosten van het deskundigenbericht, door de rechtbank tot op heden begroot op € 1.785,-, welk bedrag (€ 1.785,- : 2 € 892,50) door partijen dient te worden voldaan door storting van dat bedrag op bankrekeningnummer 56 99 90 688 ten name van MvJ Arrondissement Rotterdam, onder vermelding van zaak- en rekestnummer van de onderhavige procedure.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verdeling van de huwelijksgemeenschap, welke door echtscheiding is ontbonden op 19 augustus 2010.

2. Verzoekster verzoekt het hof de beschikkingen van de rechtbank Rotterdam van 3 mei 2010, 14 oktober 2010, 28 januari 2011 en 19 december 2011 te vernietigen en, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad:

I. De peildatum voor de waardering en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te bepalen op 8 augustus 2008 en de verdeling opnieuw vast te stellen en te bevelen als volgt;

II. De echtelijke woning inclusief de hypotheek en de daaraan gekoppelde polis geheel toe te delen aan verweerster zonder verdere verrekening;

III. Verweerster te bevelen mutatieoverzichten en dagafschriften van alle gezamenlijke bankrekeningen per 8 augustus 2008 over te leggen en de verdeling hiervan vast te stellen;

IV. De lening van Slingerland zijnde € 5.000,- geheel aan verweerster toe te delen;

V. De waarde van de onderneming [bedrijf] te bepalen op € 59.000,- waarvan € 25.700,- aan eigen vermogen (zonder stille reserves) en € 33.300,- aan goodwill en de verdeling van deze waarde te bevelen;

VI. Verweerster te bevelen objectieve verificatoire bewijsstukken over te leggen ten aanzien van de omvang van de nalatenschappen van haar vader de heer [vader], overleden op 25 december 2009, en haar grootmoeder mevrouw [oma], overleden op 8 januari 2010, bij uitblijven waarvan het aan verzoekster toekomende aandeel dient te worden geschat op een bedrag van € 250.000,- aan verzoekster te betalen door verweerster;

VII. De veroordeling in de kosten van het deskundigenonderzoek toe te wijzen aan verweerster

dan wel deze te herzien;

3. Verweerster bestrijdt het beroep van verzoekster en verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, verzoekster niet-ontvankelijk te verklaren in haar grieven, althans al haar verzoeken in appel af te wijzen.

4. Verzoekster, heeft verzocht de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap opnieuw vast te stellen. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter die de (wijze van) verdeling op de voet van artikel 3:185 lid 1 Burgerlijk Wetboek vaststelt daarbij een discretionaire bevoegdheid heeft en is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd. Bovendien behoeft hij niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen over en weer aanvoeren.

Peildatum omvang en waardering

5. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte in haar beschikking van 3 mei 2010 heeft overwogen dat de peildatum voor de waardering de datum van die beschikking zal zijn. Verzoekster voert daartoe aan dat, gezien de anticipatie van verweerster op de echtscheiding, de peildatum van 8 augustus 2008 voor de waardering meer recht doet aan een redelijke en rechtvaardige verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen. Verweerster heeft volgens verzoekster niet te goeder trouw gehandeld. Zo heeft zij buiten de medewerking van verzoekster om de inschrijving van de gezamenlijk door partijen gedreven onderneming per 1 januari 2009 bij de Kamer van Koophandel gewijzigd in een onderneming op haar naam alleen en heeft zij de saldi op de gezamenlijke bankrekeningen van partijen tussen 8 augustus 2008 en 1 mei 2010 zonder instemming van verzoekster gemuteerd op haar naam alleen.

6. Verweerster stelt dat de rechtbank terecht de peildatum voor de waardering heeft bepaald op 3 mei 2010. Bovendien heeft verzoekster expliciet met deze peildatum voor de bepaling van de waarde van de onderneming ingestemd, aldus verweerster. Daarbij komt nog dat er kosten zullen zijn verbonden aan wijziging van de peildatum voor de waardering, nu de bestanddelen van de gemeenschap opnieuw getaxeerd zullen moeten worden. Voorts weerspreekt verweerster dat sprake zou zijn van een anticipatie door haar op de echtscheiding en van een te kwader trouw handelen van haar zijde.

7. Het hof overweegt dat ten aanzien van de omvang en samenstelling van de te verdelen huwelijksgemeenschap als hoofdregel tot 1 januari 2012 gold dat als peildatum dient te worden gehanteerd de datum van de ontbinding van het huwelijk. Dat is de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, te weten 19 augustus 2010. Voor wat betreft de waarde van de goederen moet in beginsel worden uitgegaan van de waarde respectievelijk het bedrag ten tijde van de daadwerkelijke verdeling, in onderhavige zaak zou dat 3 mei 2010 zijn geweest, tenzij partijen een andere waarderingspeildatum zijn overeengekomen of uit de redelijkheid en billijkheid anders voortvloeit. Niet is gebleken dat partijen tot overeenstemming zijn gekomen over de peildatum voor de waardering van de tot de gemeenschap behorende bestanddelen. Het hof zal aansluiten bij de door de rechtbank als waarderingspeildatum aangenomen datum nu de rechtbank klaarblijkelijk de datum van de feitelijke verdeling heeft vastgesteld onder de opschortende voorwaarde van ontbinding van het huwelijk. Het hof zal in dat licht voor de waardering van de gemeenschap niet uitgaan van de datum van de beschikking van het hof, doch die van de rechtbank aanhouden.

Echtelijke woning, hypothecaire geldlening en aan de hypothecaire geldlening verpande kapitaalverzekering

8. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat zij de helft van de onderwaarde van de woning aan verweerster dient te betalen. Volgens verzoekster is dit onredelijk nu verweerster reeds voor het huwelijk eigenaar was van de woning en ook is gebleven en verzoekster nimmer mede-eigenaar van de woning is geweest.

9. Verweerster stelt dat de rechtbank terecht verzoekster heeft veroordeeld tot betaling aan verweerster van de helft van de onderwaarde. De woning, hypothecaire geldlening en polis vallen immers per definitie in de gemeenschap en dienen bij echtscheiding te worden verdeeld, aldus verweerster.

10. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:94 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) bestaat – bij gebreke van andersluidende huwelijkse voorwaarden – tussen de echtgenoten van het ogenblik der voltrekking van het huwelijk van rechtswege een gemeenschap van goederen. Ingevolge het tweede lid omvat de gemeenschap, wat haar baten betreft, alle goederen der echtgenoten, bij aanvang van de gemeenschap aanwezig of nadien, zolang de gemeenschap niet is ontbonden, verkregen. De voormalige echtelijke woning valt derhalve in de gemeenschap van goederen. Hierbij is niet van belang van wiens zijde deze in de gemeenschap is gevallen en wanneer deze is verworven.

11. In hoger beroep is niet meer in geschil dat de woning zal worden toegedeeld aan verweerster. Voorts is niet meer in geschil dat de onderhandse verkoopwaarde op 3 mei 2010 € 117.500,- bedroeg. Het hof zal de woning dan ook, evenals de rechtbank, aan verweerster toedelen, zulks onder de verplichting om voor haar rekening te nemen en geheel als eigen schuld te voldoen de hypothecaire geldlening bij de ING Bank in hoofdsom groot € 126.800,- en verzoekster ter zake van deze schuld te vrijwaren en zich in te spannen voor ontslag uit haar contractuele hoofdelijkheid ter zake van deze geldlening.

12. Gelet op de waarde van de woning en de hoogte van de hypothecaire geldlening wordt de woning belast met een hypothecaire restschuld van € 9.300,- aan verweerster toebedeeld. Verzoekster zal dan ook worden veroordeeld tot betaling van de helft van deze restschuld.

13. In hoger beroep is niet meer in geschil dat de aan de hypothecaire geldlening verbonden kapitaalverzekering bij Nationale Nederlanden, polisnummer [X], aan verweerster wordt toegedeeld. Anders dan de rechtbank, bepaalt het hof in overeenstemming met vorenstaande uitgangspunten, de peildatum voor de waarde van deze verzekering op 3 mei 2010.

Inboedel

14. Partijen zijn in eerste aanleg ten aanzien van de verdeling van de gemeenschap overeengekomen dat aan verzoekster de eethoek en de Canon fotocamera zal worden toebedeeld zonder verdere verrekening. Voorts is in hoger beroep niet meer in geschil dat de zonnebank aan verweerster zal worden toebedeeld zonder verdere verrekening.

Bankrekeningen / kredieten van partijen

15. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat ieder van partijen de rekening(en) houdt die op haar naam staat (staan), onder verrekening van de helft van de positieve dan wel negatieve saldi aan de ander op de peildatum 3 mei 2010. Verzoekster voert aan bezwaar te hebben tegen de peildatum van 3 mei 2010 omdat zij geen inzicht heeft gekregen in de bankafschriften van 31 december 2009 tot 3 mei 2010. Bovendien dienen de door de rechtbank opgesomde bankrekeningnummers nog aangevuld te worden met de ABN AMRO bankrekening met nummer [D] ten name van verweerster. Ter zitting in hoger beroep heeft verzoekster deze laatste stelling ingetrokken.

16. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft overwogen dat ieder der partijen de rekening(en) houdt die op haar naam staat (staan), onder verrekening van de helft van de positieve dan wel negatieve saldi aan de ander op de peildatum 3 mei 2010. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. Hetgeen in hoger beroep nog is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Het hof neemt daarbij nog in aanmerking dat, zoals hiervoor is overwogen, de peildatum voor de waardering 3 mei 2010 is.

Persoonlijke leningen [S], [H] en [Van S]

17. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de persoonlijke leningen van [S], [H] en mevrouw [Van S] in totaal € 13.500,- bedragen, dat verweerster deze schulden op zich zal nemen en als eigen schulden zal voldoen en dat verzoekster de helft van de waarde hiervan aan verweerster dient te vergoeden. Verzoekster voert daartoe aan dat de lening bij mevrouw [Van S] is ontstaan na het tijdstip van het uiteengaan van partijen en bovendien heeft zij deze leningsovereenkomst niet getekend. Daarbij komt nog, zo stelt verzoekster, dat nu verweerster de onderneming van partijen heeft voortgezet en geen partneralimentatie hoefde te betalen zij alle ruimte heeft gehad om voormelde schulden vanaf 8 augustus 2008 af te betalen.

18. Verweerster stelt dat nu de lening bij mevrouw [Van S], alsmede de andere leningen, gedurende het huwelijk zijn aangegaan er sprake is van een gemeenschappelijke schuld welke voor de gelijke helft voor rekening van ieder der partijen dient te komen bij verdeling van de gemeenschap. Voorts betoogt verweerster dat partijen de lening bij mevrouw [Van S] deels hebben gebruikt ter bekostiging van hun huwelijk.

19. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge het destijds van toepassing zijnde artikel 1:94 lid 2 BW – de gemeenschap is ontbonden vóór 1 januari 2012 - omvat de gemeenschap, wat haar lasten betreft, alle schulden van ieder der echtgenoten. Het is niet gebleken dat deze schulden op grond van verknochtheid of anderszins niet als gemeenschapsschulden kunnen worden aangemerkt.

20. De hoogte van de geldleningen van [S], [H] en [Van S] bedroegen op de peildatum, 3 mei 2010, respectievelijk € 3.150,-, € 5.000,- en € 5.000,-. Het hof zal, evenals de rechtbank, beslissen dat verweerster deze schulden op zich zal nemen en als eigen schulden zal voldoen en dat verzoekster de helft van deze bedragen aan verweerster dient te vergoeden. Hieraan doet niet af dat de lening bij [Van S] is ontstaan na het tijdstip van het feitelijk uiteengaan van partijen. Voorts doet daaraan niet af dat verzoekster de leningsovereenkomst met [Van S] niet heeft getekend. Slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan op grond van de redelijkheid en billijkheid worden afgeweken van de draagplicht bij helfte voor schulden van de gemeenschap.

Nalatenschappen

21. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen nalatenschappen te verdelen zijn, nu op grond van de standpunten van partijen niet is vast te stellen dat enige nalatenschap in de boedel is gevallen. Verzoekster voert daartoe aan dat nu de grootmoeder en vader van verweerster tijdens het huwelijk van partijen zijn overleden, respectievelijk op 8 januari 2010 en 25 december 2009, er wel degelijk nalatenschappen zijn open gevallen. Volgens verzoekster heeft verweerster pas op 22 april 2010 formeel afstand gedaan van de nalatenschap van haar vader terwijl haar vader al eind december 2009 was overleden. Verzoekster verzet zich tegen deze handeling van verweerster nu zij er niet van overtuigd is dat zij niet is benadeeld door deze handeling. Ook is verzoekster er niet van overtuigd dat verweerster daadwerkelijk de nalatenschap heeft verworpen, nu verweerster wel de woning van haar vader te koop heeft gezet. Verzoekster handhaaft dan ook haar aanspraak op haar aandeel in dit – volgens haar – onverdeeld gebleven deel van de gemeenschap, welk aandeel zij voorshands schat op € 250.000,-. Verzoekster verzoekt het hof om verweerster op de voet van artikel 1:98 BW te bevelen de gevraagde informatie binnen acht dagen na datum beschikking te verstrekken.

22. Verweerster stelt dat er geen nalatenschap van haar overleden grootmoeder is opengevallen omdat indien er al wat te erven zou zijn geweest haar eigen moeder en tante, zijnde de kinderen van haar grootmoeder, dat hadden gekregen. Voorts stelt verweerster dat zij de nalatenschap van haar vader heeft verworpen, nu de financiële situatie van haar vader ronduit slecht was. Zij heeft zich echter wel verplicht gevoeld om bij te dragen in de feitelijke afwikkeling van de nalatenschap, waaronder viel de verkoop van de woning van haar vader. De opbrengst van de woning was volgens verweerster net voldoende om alle kosten te voldoen.

23. Het hof stelt allereerst vast dat verweerster in de nalatenschap van haar grootmoeder geen erfgename is geweest. Grootmoeder heeft klaarblijkelijk geen testament gemaakt zodat op grond van de erfopvolging bij versterf de moeder en tante van verweerster (zus van haar moeder), de kinderen van grootmoeder, hebben geërfd.

24. Voor wat betreft de nalatenschap van de vader van verweerster overweegt het hof als volgt. Vast staat dat verweerster enige maanden na het overlijden van haar vader diens nalatenschap heeft verworpen. Verweerster heeft weliswaar in dat tijdvak meegewerkt aan de feitelijke afwikkeling van de nalatenschap van haar vader, in die zin dat zij door middel van een volmacht naast haar broer en zus mede de voor verkoop van de woning van de vader benodigde opdracht aan de makelaar heeft gegeven. Anders dan verzoekster aanvoert, heeft verweerster daarmee evenwel geen handeling verricht waartoe zij slechts in haar hoedanigheid van erfgename bevoegd zou zijn geweest. Dat zou anders zijn indien een eventuele verkoop er toe geleid zou hebben dat verweerster de woning (mede) in eigendom zou hebben overgedragen. Het geven van een opdracht tot verkoop, alsmede de verkoop van enig goed staat ook een niet-erfgenaam vrij. Mitsdien brengt het enkele verstrekken van deze volmacht geen daad van zuivere aanvaarding met zich. Andere gronden waarop tot een daad van aanvaarding moet worden geconcludeerd zijn niet gesteld of gebleken.

Kosten deskundigenbericht rechtbank

25. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat partijen ieder de helft van de kosten van het deskundigenbericht dienen te voldoen. Verzoekster ziet niet in waarom zij gehouden zou zijn voor de onzorgvuldigheid van de deskundige te moeten betalen. Zij meent zelfs een vordering op de deskundige te hebben omdat zij door zijn handelen genoodzaakt was extra kosten te maken voor een second opinion.

26. Verweerster stelt dat verzoekster gehouden is haar aandeel in de kosten te voldoen, nu zij hiermee van tevoren heeft ingestemd. Bovendien heeft de deskundige volgens verweerster op zorgvuldige wijze zijn werk gedaan op basis van de aan hem ter beschikking gestelde en door partijen gecontroleerde en in veel gevallen zelfs goedgekeurde jaarcijfers.

27. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden partijen ieder in de helft van de kosten van het deskundigenonderzoek heeft verwezen. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. Hetgeen door verzoekster in hoger beroep nog wordt aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dat de deskundige onzorgvuldig is geweest, is naar het oordeel van het hof niet gebleken.

Onderneming [bedrijf]

28. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de conclusies en bevindingen van de deskundige inzake de waardering van de onderneming heeft overgenomen en tot de hare heeft gemaakt en op grond daarvan de prijs van de onderneming van 3 mei 2010 bepaald op € 95.587,- negatief met veroordeling van verzoekster om aan verweerster de helft van dit bedrag te betalen. Verzoekster betwist deze aanname van de rechtbank omdat de conclusies van de deskundige volgens verzoekster op onjuiste aannames en informatie van derden berusten. De eindconclusie van de deskundige is vooringenomen, feitelijk onjuist en bevat feitelijke foutieve veronderstellingen, aldus verzoekster. Zo zijn de activiteiten van de vennootschap onder firma [bedrijf] voortgezet en niet gestaakt, was de vraagstelling welke de waarde was van de onderneming en niet het verzoek te bepalen dat verzoekster een bedrag aan badwill aan verweerster zou moeten betalen en was de financiële positie van [bedrijf] niet slecht te noemen.

29. Verweerster stelt dat verzoekster zichzelf heeft doen uitschrijven als vennoot van de vennootschap onder firma uit de Kamer van Koophandel. Voorts bevreemdt het verweerster dat verzoekster de door haar goedgekeurde jaarcijfers 2006 tot en met 2008, alsmede de onpartijdigheid in die jaren van de boekhouder van partijen, thans in twijfel trekt.

Deskundige

30. Nu partijen het niet eens zijn over de waarde van de eenmanszaak [bedrijf] op de peildatum, verzoekster gemotiveerd het in eerste aanleg opgestelde deskundigenbericht betwist en het hof ook op grond van de gewisselde stukken en het verhandelde ter zitting geen toereikende gegevens heeft verkregen om de waarde van de onderneming in redelijkheid te kunnen vaststellen, is het hof van oordeel dat die waarde (opnieuw) door een deskundige dient te worden vastgesteld.

31. Het hof zal de zaak aanhouden en een deskundige verzoeken een deskundigenbericht uit te brengen. Het hof acht het, gelet op artikel 194 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), noodzakelijk om voorafgaand aan de definitieve benoeming overleg te voeren met partijen over de persoon van de te noemen deskundige. Het hof zal partijen dan ook in de gelegenheid stellen een voor zover als mogelijk eensluidend voorstel te doen voor de persoon van de te benoemen deskundige. Partijen dienen het hof binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking daarover te berichten. Indien partijen het niet eens kunnen worden over de te benoemen deskundige dan wel indien partijen het hof niet tijdig berichten, dan zal het hof over gaan tot benoeming van de deskundige de heer J. Los AA/FB, te Harfsen. De deskundige zal de vragen, zoals door de rechtbank weergegeven in haar beschikking van 14 oktober 2010, dienen te beantwoorden. Het staat de deskundige vrij om tijdens zijn of haar onderzoek te onderzoeken of een onderlinge regeling – eventueel op onderdelen – tot de mogelijkheden behoort. Het hof verzoekt partijen, indien zij menen dat er nog nadere vragen aan de deskundige (zouden) moeten worden gesteld, zich ook over die vragen uit te laten ter gelegenheid van hun uitlating omtrent de persoon van de deskundige als hiervoor bedoeld.

32. De opdracht dient door de deskundige zelf te worden uitgevoerd. Het staat de deskundige vrij om bij de uitvoering van zijn werkzaamheden zich te laten bijstaan door derden, indien de deskundige dit in de uitvoering van zijn werkzaamheden noodzakelijk acht. Alvorens hij derden bij zijn werkzaamheden inzet, zal hij de raadsheer-commissaris inlichten.

Aansprakelijkheid deskundige en identiteitsbewijs

33. De deskundige zal zijn opdracht slechts dan behoeven te aanvaarden indien zijn algemene leveringsvoorwaarden op de opdracht van toepassing zijn.

34. De deskundige dient binnen vier weken na deze beschikking zijn leveringsvoorwaarden te doen toekomen aan het hof, aan verzoekster en aan verweerster.

35. Partijen dienen binnen veertien dagen na ontvangst van de algemene voorwaarden aan de deskundige mee te delen, dat zij deze accepteren en hem dan tevens, ten behoeve van zijn dossier, een kopie van hun paspoort of ander rechtsgeldig identiteitsbewijs te verstrekken.

Klachten over de deskundige

36. De deskundige dient zijn werkzaamheden te verrichten conform de voor hem geldende gedrag- en beroepsregels.

37. Indien een partij een klacht tegen de deskundige wenst in te dienen, dient deze het hof daarvan in kennis te stellen, zodat het hof in staat is - na partijen en de deskundige te hebben gehoord - te beoordelen of die partij conform artikel 198 lid 3 Rv aan het onderzoek zijn of haar medewerking heeft verleend.

Kosten deskundige

38. Het uurtarief van de deskundige bedraagt € 250,- te vermeerderen met de daarover verschuldigde omzetbelasting. De deskundige dient zijn declaratie op te stellen aan de hand van de door hem gehanteerde uren- en verrichtingenstaat. Het hof zal, alvorens over te gaan tot uitbetaling van de declaratie aan de deskundige, aan partijen schriftelijk om een reactie vragen. Partijen dienen binnen tien dagen na dagtekening van die brief te laten weten of zij instemmen met de declaratie. Na die periode stelt het hof de declaratie vast en zal het hof overgaan tot uitbetaling.

39. Ter dekking van de kosten van de deskundige stelt het hof een voorschot vast van € 7.500,- inclusief omzetbelasting. Partijen dienen er voor zorg te dragen dat voormeld voorschot, waarvan ieder van partijen de helft, derhalve € 3.750,-, dient te betalen, wordt gedeponeerd ter griffie van het hof door overmaking op bankrekeningnummer 56.99.90.580, ten name van MvJ Arrondissement 's-Gravenhage, Royal Bank of Scotland, en onder vermelding van zaaknummer 200.103.955/01.

Afschrift beschikking en processtukken

40. Het hof zal de griffier opdracht geven tot toezending van een afschrift van deze beschikking alsmede het proces-verbaal van de zitting van 17 augustus 2012 aan de deskundige. Het hof zal bepalen dat verzoekster een afschrift van alle overige processtukken binnen veertien dagen na ontvangst van de algemene voorwaarden van de deskundige aan deze toezendt.

Deskundigenbericht

41. Het met redenen omkleed deskundigenbericht dient binnen vijf maanden na de dagtekening van deze beschikking toegestuurd te worden aan de griffier van het hof.

Communicatie

42. Indien de advocaten en/of de deskundige vragen hebben over de procedure kunnen zij zich wenden tot mevrouw R.S. Hoogendoorn, telefoonnummer 070-3811312.

Raadsheer-commissaris

43. Het hof zal tot raadsheer-commissaris benoemen: mr. A.H.N. Stollenwerck en bij zijn afwezigheid mr. P.B. Kamminga.

44. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

benoemt, indien partijen niet met een eensluidend voorstel komen ter zake de te benoemen deskundige, de heer J. Los AA/FB, kantoorhoudende te 7217 RP Harfsen aan de Nuisvelderbos 23, tot deskundige;

bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking en van het proces-verbaal van de zitting van 17 augustus 2012 aan de deskundige zal toezenden;

bepaalt dat partijen binnen veertien dagen na ontvangst van de algemene voorwaarden van de deskundige aan deze hun instemming met diens algemene voorwaarden zullen meedelen, alsmede hem binnen genoemde termijn een kopie van een rechtsgeldig identiteitsbewijs zullen toezenden;

bepaalt dat verzoekster binnen veertien dagen na ontvangst van de algemene voorwaarden van de deskundige aan deze een afschrift van alle overige processtukken zal toezenden;

bepaalt dat partijen binnen vier weken na heden ieder de helft van het voorschot van € 7.500,- inclusief omzetbelasting, derhalve ieder € 3.750,-, ter griffie van het hof deponeren door overmaking op bankrekeningnummer 56.99.90.580, ten name van MvJ Arrondissement ’s-Gravenhage, Royal Bank of Scotland, en onder vermelding van zaaknummer 200.080.022.01;

benoemt tot raadsheer-commissaris mr. A.H.N. Stollenwerck en bij zijn afwezigheid mr. P.B. Kamminga;

bepaalt dat de deskundige zijn deskundigenbericht met redenen omkleed binnen vijf maanden na datum van deze beschikking aan de griffier van dit hof toestuurt, onder vermelding van zaaknummer 200.103.955/01;

bepaalt dat uit het deskundigenbericht moet blijken dat partijen bij het onderzoek in de gelegenheid zijn gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen;

houdt de zaak omtrent de verdeling van de huwelijksgemeenschap pro forma aan tot zaterdag 27 april 2013;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Kamminga en Stollenwerck, bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december 2012.