Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY7140

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
22-003159-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft een jonge vrouw die onbezorgd op straat liep, gedwongen ontuchtige handelingen te

ondergaan door haar onverhoeds in haar billen te knijpen en haar vagina te betasten.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 14 (veertien) dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-003159-12 PROMIS

Parketnummer: 10-811000-12

Datum uitspraak: 14 december 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 18 juni 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1996,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 30 november 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van negen dagen met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 september 2011 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, meermalen, althans eenmaal, (telkens) door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of door bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten benadeelde partij], heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), namelijk het betasten, althans aanraken, van de billen en/of de vagina van die [benadeelde partij], het geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het onverhoeds knijpen in, althans betasten/aanraken van, de (met kleding bedekte) billen van die [benadeelde partij] en/of het onverhoeds grijpen in, althans betasten/aanraken van, de (met kleding bedekte) vagina van die [benadeelde partij].

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Redengevende feiten en omstandigheden

Het hof gaat op basis van de wettige bewijsmiddelen1 uit van de volgende feiten en omstandigheden en verbindt daaraan zijn conclusies.

Aangeefster [benadeelde partij] heeft verklaard dat zij op 28 september 2011 te Hoek van Holland vanaf haar woning aan de Vergulde Draeckweg richting de Aldi is gelopen. Zij liep met de oortjes van haar I-pod in. In de Bontcraaystraat (het hof begrijpt: Bonte Craystraat) voelde zij hoe zij hard in haar bil geknepen werd, door een jongen die zij later herkende als de verdachte. Vanwege de muziek had aangeefster de verdachte, die van achter kwam aanfietsen, niet eerder opgemerkt dan op het moment dat hij haar in haar bil kneep. Zij voelde een ferme hand die hard kneep op de onderkant van haar rechterbil. Aangeefster schrok daarvan en riep met verheven stem: "Hey wat doe jij!". Vervolgens zag zij dat de jongen wegfietste. Even later kwam hij weer terug en greep hij al fietsend met een hand van voren in haar geslachtsdeel, over haar kleren heen, en fietste vervolgens weer weg. Aangeefster zei boos: "Wat doe jij nou?". Aangeefster heeft haar vriend gebeld. De jongen was een straatje ingereden, is vervolgens weer omgedraaid en heeft aangeefster nogmaals bij de billen gegrepen, op dezelfde manier als de eerste keer, aldus aangeefster. De aangeefster zag dat de jongen een vierkante Eastpack rugzak bij zich had.

Zij heeft de jongen op 1 oktober 2011 weer zien fietsen ter hoogte van tankstation Q8 in Hoek van Holland. Zij heeft toen een foto van die jongen gemaakt, waarop ook de fiets te zien is die hij op 28 september 2011 had gebruikt. Dezelfde dag heeft zij de foto getoond aan een kennis, die de verdachte op de foto heeft herkend als zijnde de verdachte.

Ten tijde van de aanranding had de aangeefster naar eigen zeggen stijl bruin haar, dat zij los droeg tot over haar schouders.2

De vriend van aangeefster, [getuige], heeft tegenover de politie verklaard dat hij op 28 september 2011 omstreeks 16.30 uur klaar was met zijn werk en naar huis was gegaan. Nog geen vijf minuten later werd hij door de aangeefster gebeld die vertelde dat zij door een jongen op de fiets in haar kont was geknepen. Tijdens dit telefoongesprek hoorde [getuige] gerommel en hij hoorde aangeefster schreeuwen "Vind je dat normaal" of "Doe eens even normaal!". Zij kwam geschrokken over. Aangeefster vertelde hem dat de jongen weer langs fietste en haar bij de voorkant greep. Aangeefster vond het in eerste instantie moeilijk om het gebeuren bij naam te noemen, maar de jongen heeft eerst aan haar kont gezeten en toen aan haar vagina.3

De verdachte heeft op 3 januari 2012 verklaard dat hij een Eastpack rugtas had en dat hij zichzelf herkent op de foto die de aangeefster van hem heeft gemaakt. Hij herkent tevens de fiets die op de foto te zien is. Deze fiets, die van zijn vader was, gebruikte hij in de periode rond de zomervakantie en daarna (het hof begrijpt gezien de overige inhoud van de verklaring: in het jaar 2011) omdat zijn eigen fiets kapot was.4

Voorts heeft de verdachte op 4 januari 2012 tegenover de politie bekend dat hij bij de Aldi in Hoek van Holland een vrouw met lang donkerbruin/zwart haar op haar kont heeft geslagen. Het was volgens hem in september of oktober 2011. Hij denkt dat de vrouw die hij op haar billen heeft geslagen degene is die de foto van hem heeft gemaakt, omdat het in dezelfde buurt is gebeurd.5

Op 6 januari 2012 heeft de verdachte tegenover de rechter-commissaris bekend dat hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd "klopt met betrekking tot de billen van die vrouw".6

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 november 2012 heeft de verdachte toegegeven dat hij vrouwen op de billen heeft geslagen in het jaar 2011.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 24 januari 2012 blijkt dat de aangeefster op 28 september 2011 om 16.33.12 uur [getuige] heeft gebeld.7

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 10 januari 2012 heeft de verdachte op 28 september 2011 les gehad op het Lentiz Floracollege, gevestigd aan de Burgemeester Elsenweg 8 te Naaldwijk tot 16.00 uur.

Verder heeft de bij hem in gebruik zijnde mobiele telefoon op 28 september 2011 de volgende zendmasten aangestraald.

13.51 uur: Industriestraat 30, Naaldwijk

15.51 uur: Industriestraat 30, Naaldwijk

17.51 uur: Industriestraat 30, Naaldwijk

19.51 uur: Industriestraat 30, Naaldwijk.8

Het is naar het oordeel van het hof een feit van algemene bekendheid dat Hoek van Holland behoort tot de gemeente Rotterdam.

Conclusie

Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat het de verdachte is geweest die op 28 september 2011 het slachtoffer heeft aangerand, een en ander zoals hierna zal worden bewezen verklaard.

De verklaring van de aangeefster dat zij haar vriend heeft gebeld vindt steun in de verklaring van [getuige] en in het bovengenoemde proces-verbaal van bevindingen van 24 januari 2012 zendmastgegeven van de telefoon die in gebruik was bij de aangeefster. Nu dit zendmastgegeven het door [getuige] aangeduide tijdstip van dit telefoongesprek bevestigt, stelt het hof vast dat de aanranding op 28 september 2011 omstreeks 16.30 uur heeft plaatsgevonden. Uit het bovenstaande proces-verbaal van bevindingen van 10 januari 2012 blijkt dat de verdachte, gezien zijn schooltijden en de zendmastgegevens van zijn telefoon, de gelegenheid heeft gehad op het laatstgenoemde tijdstip het ten laste gelegde misdrijf te plegen. Het hof merkt daarbij op dat er, blijkens het bovenstaande proces-verbaal van bevindingen van 10 januari 2012, met zijn telefoon tussen 15.51 uur en 17.51 uur geen zendmasten zijn aangestraald.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 28 september 2011 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, meermalen, telkens door feitelijkheden benadeelde partij], heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, namelijk het betasten van de billen en de vagina van die [benadeelde partij], de feitelijkheden hebben bestaan uit het onverhoeds knijpen in de met kleding bedekte billen van die [benadeelde partij] en het onverhoeds aanraken van, de met kleding bedekte vagina van die [benadeelde partij].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsverweren

Namens de verdachte is overeenkomstig de overgelegde en aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 30 november 2012 gehechte pleitaantekeningen betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. In de kern weergegeven heeft de raadsman daartoe aangevoerd dat de voorhanden zijnde bewijsmiddelen, te weten de verklaringen van aangeefster, haar moeder en verdachtes vriend, afkomstig zijn uit dezelfde bron. Ook is gesteld dat de verklaring van aangeefster aantoonbaar onjuist is en in strijd is met de verklaringen van haar moeder en verdachtes vriend. Bovendien is de verklaring van aangeefster onbetrouwbaar voor wat betreft de herkenning van de verdachte door aangeefster en ongeloofwaardig voor wat betreft de straten waar de aanranding zou hebben plaatsgevonden. Tevens heeft de raadsman van de verdachte partiële vrijspraak bepleit van "het betasten/aanraken van de met kleding bedekte vagina" wegens het ontbreken van steunbewijs", alsmede van het "geweld, een andere feitelijkheid, bedreiging met geweld en/of bedreiging met andere feitelijkheid". De raadsman heeft voorts gesteld dat - indien al moet worden aangenomen dat voldoende wettig bewijs voorhanden is - de overtuiging ontbreekt, nu de verdachte een alibi heeft voor het tijdstip van de aanranding. Hij zou ten tijde van het ten laste gelegde hebben gewerkt in het bedrijf van zijn halfbroer aan de Strijpzijde te Honselersdijk. Uiterst subsidiair heeft de raadsman vrijspraak bepleit van het onverhoeds slaan op de billen wegens het ontbreken van het ontuchtige karakter van deze handeling.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De betrouwbaarheid van de aangifte

Op zichzelf moet aan de verdediging worden toegegeven dat de aangeefster in haar aangifte een tijdstip heeft genoemd dat kennelijk onjuist is. Het door aangeefster genoemde tijdstip van de aanranding, te weten tussen 14.00 en 15.00 uur, komt namelijk niet overeen met het bovengenoemde proces-verbaal van bevindingen van 24 januari 2012 betreffende het zendmastgegeven van de telefoon die in gebruik was bij de aangeefster. Op dit punt moet de aangeefster zich vergist hebben. Dit maakt echter haar verklaring niet onbetrouwbaar voor wat betreft de andere onderdelen van de aangifte, aangezien deze op essentiële onderdelen wordt bevestigd door de overige bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaringen van de verdachte.

Zo komt verdachtes verklaring dat de vrouw die hij bij de Aldi had geslagen lang donkerbruin/zwart haar had overeen met de verklaring van aangeefster dat zij ten tijde van het ten laste gelegde stijl bruin haar had dat zij tot over haar schouders droeg. Ook komen de verklaringen van de aangeefster en de verdachte overeen voor wat betreft de locatie waar het voorval heeft plaatsgevonden.

Tevens heeft de verdachte op 3 januari 2012 tegenover de politie verklaard dat hij een Eastpack rugzak heeft gehad. Hij herkent zichzelf op de foto die de aangeefster heeft genomen en verklaart dat hij de fiets die op de foto stond in de periode van het ten laste gelegde heeft gebruikt.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de omstandigheden ter plaatse in het 'tussenstraatje' en op de Mercatorweg niet van zodanige aard zijn dat het onmogelijk danwel ongeloofwaardig is dat de bewezen verklaarde gedragingen daar hebben plaatsgevonden. Wat dat betreft is het verweer van de verdediging onvoldoende onderbouwd. Ook anderszins acht het hof de verklaring van aangeefster onbetrouwbaar noch ongeloofwaardig. Het hof verwerpt de verweren.

Beroep op de unus testis-regel

Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat voor een bewezenverklaring van "het betasten/aanraken van de met kleding bedekte vagina", steunbewijs nodig is, overweegt het hof dat artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering ziet op de gehele bewezenverklaring. Dat deze regel ook geldt ten aanzien van onderdelen van de bewezenverklaring, vindt geen steun in het recht.

Geen alibi

Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat de verdachte op het tijdstip van de aanranding niet ter plaatse was overweegt het hof als volgt.

Nu het hof - zoals hierboven overwogen - heeft vastgesteld dat het bewezen verklaarde feit omstreeks 16.30 uur heeft plaatsgevonden, staat de verklaring van de mentor van de verdachte dat de verdachte die middag tot 16.00 op school is geweest, gelet op de afstand tussen de school van de verdachte en de plaats waar de aanranding heeft plaatsgevonden niet aan een bewezenverklaring daarvan in de weg.

De zendmastgegevens waaruit blijkt dat de telefoon van de verdachte op 28 september 2011 om 15.51 uur en

17.51 uur door de zendmast op de [adres] te Naaldwijk is aangestraald (proces-verbaalnummer PL17A0 2011304125-17), staat evenmin aan de bewezenverklaring in de weg, nu van de tussenliggende periode, te weten de periode waarin de aanranding heeft plaatsgevonden, geen locatiegegevens van deze telefoon (en dus van de verdachte) bekend zijn.

Voorts blijkt uit de urenstaat van het uitzendbureau weliswaar dat de verdachte op 28 september 2011 één uur in het bedrijf van [getuige 2], verdachtes (half)broer, heeft gewerkt, maar niet op welk tijdstip. De verklaring van [getuige 2] dat hij denkt dat hij de verdachte die dag na het werk rond 17.00 uur thuis heeft gebracht, vindt geen steun in het proces-verbaal van bevindingen omtrent de zendmastgegevens, nu daaruit blijkt dat verdachtes telefoon om 19.51 uur werd aangestraald door de zendmast aan de [adres] te Naaldwijk.

Nu op grond van het hierboven vermelde en ook anderszins niet aannemelijk is geworden dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit bij zijn broer in het bedrijf aanwezig was of om een andere reden niet op het tijdstip en de plaats van het ten laste gelegde feit aanwezig is geweest, verwerpt het hof de verweren van de raadsman en de verachte daaromtrent.

Betrouwbaarheid van de bekennende verklaringen

Dat de verdachte, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, de bekennende verklaringen bij de politie en de rechter-commissaris heeft afgelegd omdat hij zenuwachtig was en 'er van af' wilde zijn en dat hij zich daardoor pas later bewust werd van het feit dat hij de aanranding niet gepleegd kòn hebben vanwege zijn alibi, acht het hof niet aannemelijk, nu de verdachte kennelijk wel de moeite heeft genomen andere aanrandingen te ontkennen. Tijdens de bekentenissen werd de verdachte bijgestaan door een raadsvrouw.

Ter terechtzitting in hoger beroep is de verdachte in zoverre bij zijn bekennende verklaringen gebleven dat hij wel heeft toegegeven dat hij vrouwen op de billen heeft geslagen in het jaar 2011.

Het ontuchtig karakter van de handelingen

Ten aanzien van het ontuchtige karakter van de bewezen verklaarde gedragingen van de verdachte overweegt het hof als volgt.

Blijkens de wetsgeschiedenis is doel van de zedelijkheidswetgeving het beschermen van de seksuele integriteit van personen die daartoe zelf op een bepaald moment, dan wel in het algemeen, niet in staat zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn doordat iemand op een bepaald moment niet in staat is zijn seksuele zelfbeschikkingsrecht uit te oefenen omdat geweld wordt gebruikt (Memorie van Antwoord bij de wetswijziging van 1991, Kamerstukken II, 1988/1989, nr. 20 930, nr. 5 p. 4-5.).

Het leidt naar 's hofs oordeel geen twijfel dat het door de verdachte onverhoeds aanraken van het geslachtsorgaan van een hem totaal onbekende vrouw zonder haar instemming daartoe, is aan te merken als een handeling van seksuele aard die in strijd is met de sociaal-ethische norm en die een ontuchtige handeling oplevert zoals bedoeld in artikel 246 Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van het aanraken van de billen van het slachtoffer en het knijpen in die billen ligt dit in zoverre anders dat deze handelingen op zichzelf bezien niet zonder meer ontuchtige handelingen hoeven op te leveren (vgl. HR 4 september 2012, LJN BX 4288).

Gelet echter op het geheel van de gedragingen, te weten het achtereenvolgens in de billen knijpen, de vagina aanraken en wederom in de billen knijpen, waarbij het aanraken van de vagina zoals reeds overwogen ontegenzeggelijk een handeling van seksuele aard is, alsmede gelet op het hierboven omschreven onverhoedse karakter van het knijpen en aangeefster hier klaarblijkelijk van is geschrokken en de verdachte heeft toegeroepen, is het hof van oordeel dat in die context óók het onverhoedse knijpen in de billen is op te vatten als een handeling die inbreuk maakt op de seksuele integriteit van de aangeefster.

Gelet voorts op de omstandigheden waaronder de verdachte in de billen van aangeefster heeft geknepen en haar met kleding bedekte vagina heeft aangeraakt, is het hof van oordeel dat aangeefster gedwongen werd deze handelingen te dulden en op dat moment niet in staat was haar seksuele integriteit te beschermen, nu zij gelet op het onverhoedse karakter van dit knijpen en aanraken daarvoor niet beducht was of behoefde te zijn. Immers van dwingen kan ook sprake zijn indien het onverhoedse karakter van het handelen van verdachte het slachtoffer overvalt en verzet voorkómt (Hoge Raad 16 november 2004, NJ 2005, 20).

Het kan niet anders dan dat de verdachte begrepen heeft dat hij, door onverhoeds de (bedekte) vagina van een vrouw te betasten en haar billen aan te raken, ontuchtig handelde. De verdachte heeft derhalve opzettelijk ontuchtig gehandeld. Dat de verdachte louter stoer wilde doen en hij zelf geen seksuele bedoelingen had doet niet aan het bewijs van het ten laste gelegde af. Er kan namelijk ook sprake zijn van "ontucht" in de zin van artikel 249 Wetboek van Strafrecht zonder dat de verdachte enige seksuele opwinding heeft ervaren bij het plegen van de desbetreffende handelingen (vgl. Hoge Raad 2 mei 1995, NJ 1995, 583 en Hoge Raad 27 september 2011, LJN: BR2065).

Het hof verwerpt de verweren van de raadsman.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, opgenomen onder het kopje redengevende feiten en omstandigheden, en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het bewezen verklaarde levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke

omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een jonge vrouw die onbezorgd op straat liep, gedwongen ontuchtige handelingen te

ondergaan door haar onverhoeds in haar billen te knijpen en haar vagina te betasten. Door aldus te handelen heeft de verdachte een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op haar seksuele integriteit.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 november 2011, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof heeft voorts acht geslagen op een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 12 juni 2012 en een rapport van Bureau Jeugdzorg d.d. 20 november 2012. Uit het laatstvermelde rapport komt naar voren dat de verdachte op vrijwillige basis gestart is met gesprekken bij De Waag en eigener beweging heeft gevraagd om een assertiviteitstraining. Volgens de psycholoog die de verdachte begeleidt is langdurige behandeling niet noodzakelijk en is de kans op recidive laag. Het is daarbij wel noodzakelijk dat de verdachte weerbaarder wordt tegen negatieve beïnvloeding door anderen, hetgeen mogelijk is door het volgen van een sociale vaardigheidstraining. Nu de verdachte de hulp daarbij in een vrijwillig kader aanvaard, is verplichte voortzetting van begeleiding door jeugdreclassering niet noodzakelijk.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. In verband met de uitspraak van de Raad van State van 5 september 2012, LJN BX6537 over criteria betreffende de afgifte van verklaringen omtrent het gedrag bij zedendelicten merkt het hof nog op dat het hier gaat om een zedendelict dat van relatief geringe ernst is, dat duidelijk een uitvloeisel is van puberaal gedrag, terwijl de kans op recidive laag geschat wordt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 14 (veertien) dagen.

Bepaalt dat de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten,

mr. A.L.J. van Strien en mr. A.W.M. Bijloos, in bijzijn van de griffier mr. A.M.F.F. van Rede-van den Bosch.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 december 2012.

Mr. A.W.M. Bijloos is buiten staat dit arrest te ondertekenen.