Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY7133

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
22-003716- 11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft in wisselende samenstelling met één of meer medeverdachten ernstige strafbare feiten gepleegd uit financieel gewin waarbij door de verdachte en diens medeverdachte(n) veelvuldig gebruik is gemaakt van fysiek geweld en bedreiging met geweld, al dan niet in combinatie met het gebruik van een (vuur)wapen.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 (veertig) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-003716-11

Parketnummer: 09-758430-10

Datum uitspraak: 18 december 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 juni 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortejaar] 1973,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden - Huis van Bewaring Zoetermeer te Zoetermeer.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 4 december 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair, 2 derde alternatief/cumulatief en 5 tweede en derde alternatief/cumulatief ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 eerste en tweede alternatief/cumulatief, 3 primair, 4 primair, 5 eerste alternatief/cumulatief, 6 en 7 eerste en tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden met aftrek van voorarrest.

Voorts is ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] en de schadevergoedingsmaatregel beslist als in het vonnis waarvan beroep vermeld.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.(Vlaardingen)

hij op of omstreeks 29 juli 2010 te Vlaardingen en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een ander of anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een of meer geldbedragen, geheel of ten dele toebehorende aan Dada All Food International en/of [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 2] en/of een of meer medewerkers van het bedrijf Dada All Food International te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of (een) aan andere deelnemer(s) van dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

met een of meer van zijn mededader(s),

-(rijdende in een auto voorzien van gestolen kentekenplaten) is/zijn gereden naar het bedrijf Dada All Food International en/of

- voornoemd bedrijf heeft/hebben geobserveerd, en/of

- uit de auto is gestapt om naar het bedrijf te gaan en/of

-(daarbij) een of meer vuurwapens en/of een of meer bivakmutsen en/of een of meer tierips en/of een of meer handschoenen en/of een plattegrond van de omgeving van het bedrijf Dada All Food International bij zich had(den),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2010 tot en met 29 juli 2010 te Vlaardingen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, ter voorbereiding van het met anderen of een ander te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het onder bedreiging van en/of met gebruik van een of meer vuurwapens wegnemen van een geldbedrag toebehorende aan Dada All Food International en/of [benadeelde partij 2], hetgeen zou opleveren diefstal met geweld en/of afpersing in vereniging, strafbaar gesteld in de artikelen 312 en/of 317 van het Wetboek van Strafrecht, althans een met anderen of een ander te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, opzettelijk een of meer vuurwapen(s) en/of bivakmuts(en) en/of handschoenen en/of tierips en/of een auto voorzien van gestolen kentekenplaten en/of een plattegrond van de omgeving van het bedrijf Dada All Food International bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad;

2.(Leyweg deel 1)

hij op of omstreeks 30 juli 2010 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [benadeelde partij 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet

- die [benadeelde partij 3] plaats laten nemen op de achterbank van een (driedeurs)auto, en/of

- meermalen, althans eenmaal, (dreigend) een vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp gericht op die [benadeelde partij 3] en/of (dreigend) een mes getoond aan die [benadeelde partij 3], en/of die [benadeelde partij 3] meermalen, althans eenmaal, geslagen, en/of

- (zo) een dreigende sfeer gecreëerd en/of in stand gehouden waardoor die [benadeelde partij 3] enige tijd werd belet/belemmerd zich vrijelijk te bewegen en/of te gaan en staan waar hij wilde gaan en/of staan;

en/of

hij op of omstreeks 30 juli 2010 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 190 euro, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- zeggen tegen die [benadeelde partij 3] dat die [benadeelde partij 3] geld moest betalen en/of geld van zijn bankrekening moest pinnen en/of dat als die [benadeelde partij 3] geen geld zou hebben zijn pols zou worden doorgesneden, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en/of

- plaatsen en/of richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd en/of de knie en/of het lichaam van die [benadeelde partij 3], en/of,

- meermalen, althans eenmaal, slaan in het gezicht van die [benadeelde partij 3], en/of

- tonen van een mes aan die [benadeelde partij 3];

en/of

hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 30 juli 2010 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 3] heeft gedwongen tot de afgifte van 190 euro, in elk geval van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde partij 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- zeggen tegen die [benadeelde partij 3] dat die [benadeelde partij 3] geld moest betalen en/of geld van zijn bankrekening moest pinnen en/of dat als die [benadeelde partij 3] geen geld zou hebben zijn pols zou worden doorgesneden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- plaatsen en/of richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd en/of de knie en/of het lichaam van die [benadeelde partij 3], en/of,

- meermalen, althans eenmaal, slaan in het gezicht van die [benadeelde partij 3], en/of

- tonen van een mes aan die [benadeelde partij 3];

3.(Leyweg deel 2)

hij op of omstreeks 30 juli 2010 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om met een ander of anderen met het oogmerk om zich en/of zijn mededader(s) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 3] te dwingen tot afgifte van ongeveer 6000 euro, althans enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde partij 3] voornoemd, in elk geval een een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders

- die [benadeelde partij 3] heeft gedwongen te knielen, en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd van die [benadeelde partij 3] heeft geplaatst, en/of

- die [benadeelde partij 3] meermalen, althans eenmaal, een klap heeft gegeven met een vuurwapen, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen/op het hoofd van die [benadeelde partij 3] en/of

- tegen die [benadeelde partij 3] gezegd dat die [benadeelde partij 3] binnen 10 dagen 6000 euro aan hem/hen, verdachte(n), moest afgeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 juli 2010 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [benadeelde partij 3] meermalen, althans eenmaal, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk dreigend

- die [benadeelde partij 3] gedwongen te knielen, en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd van die [benadeelde partij 3] heeft geplaatst, en/of

- die [benadeelde partij 3] meermalen, althans eenmaal, een klap gegeven met een vuurwapen, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp;

4.(Polo deel 1)

hij op of omstreeks 01 augustus 2010 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een ander of anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een kelderbox gelegen aan de [adres 1], althans een kelderbox behorende bij het perceel gelegen aan de [adres 2], weg te (doen) nemen goederen en/of geld van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die kelderbox te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld van zijn gading onder zijn/hun bereik te (doen) brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen,

- een ruit van een toegangsdeur met een koevoet, althans een voorwerp, heeft ingegooid en/of heeft ingeslagen en/of heeft geforceerd en/of

- het slot van de deur van de kelderbox met een koevoet en/of schroevendraaier, althans een voorwerp, heeft geopend en/of heeft geforceerd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[benadeelde partij] en/of een of meer anderen op of omstreeks 01 augustus 2010 te 's-Gravenhage ter uitvoering van door [benadeelde partij] en/of een ander of anderen voorgenomen misdrijf om met het met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een kelderbox gelegen aan de [adres 2] weg te (doen) nemen goederen en/of geld van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die kelderbox te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld van zijn gading onder zijn/hun bereik te

(doen) brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen,

- een ruit van een toegangsdeur met een koevoet, althans een voorwerp, heeft ingegooid en/of heeft ingeslagen en/of heeft geforceerd en/of

- het slot van de deur van de kelderbox met een koevoet en/of schroevendraaier, althans een voorwerp, heeft geopend en/of heeft geforceerd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 01 augustus 2010 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door op de uitkijk te staan;

5.(Polo - deel '2' - geweldshandelingen)

hij op of omstreeks 01 augustus 2010 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, geplaatst op de borst en/of buik, althans het lichaam, van die[benadeelde partij];

en/of

hij op of omstreeks 01 augustus 2010 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend een mes getoond aan die[benadeelde partij] en/of met een mes een of meer steekbewegingen gemaakt richting het been, althans het lichaam, van die[benadeelde partij];

en/of

hij op of omstreeks 01 augustus 2010 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon (te weten [benadeelde partij]) met een mes heeft gesneden in het gezicht en/of meermalen, althans eenmaal, in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft geslagen, waardoor voornoemde[benadeelde partij] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

6.(Klarinet)

hij op een of meer tijstippen op of omstreeks 24 augustus 2010 te Rijswijk en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [benadeelde partij 5], meermalen, althans eenmaal, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk dreigend

- tegen die [benadeelde partij 5] gezegd dat hij met hem/hen, verdachte(n), mee moest gaan, en/of

- tegen die [benadeelde partij 5] gezegd dat hij, verdachte(n), niet in de maling moest nemen want anders zou hij een paar klappen krijgen, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en/of

- zich begeven naar de woning van die [benadeelde partij 5] en/of (daarbij) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, getoond en/of zichtbaar voor die [benadeelde partij 5] bij zich gehad en/of (vervolgens) bij die woning aangebeld en/of op de deur gebonsd;

7.(Korrel - vuurwapens)

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 29 juli 2010 tot en met 24 augustus 2010 te 's-Gravenhage en/of Rijswijk en/of Vlaardingen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een vuurwapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van het kaliber 7.65 mm (telkens) voorhanden heeft gehad;

en/of

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 juli 2010 tot en met 24 augustus 2010 te 's-Gravenhage en/of Rijswijk en/of Vlaardingen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een CO2-pistool, zijnde (een) voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen en/of met een voor ontploffing bestemde voorwerp (telkens) voorhanden heeft gehad;

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep

- overeenkomstig zijn pleitnota - de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de feiten 2 en 3 (zaken Leyweg) bepleit op de grond dat de politie valse aangiftes van [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 5] heeft opgenomen. De verdediging acht deze aangiftes vooral daarom vals, omdat de aangevers daarin geen melding maken van de gebeurtenissen in Vlaardingen (feit 1) en het doen voorkomen dat de medeverdachten uit waren op het geld, waarmee [benadeelde partij 3] een BMW zou kopen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Aan de verdediging kan worden nagegeven dat [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 5] aanvankelijk geen openheid hebben gegeven over een eerder tezamen met de verdachte gepleegd strafbaar feit. In latere verhoren hebben beide aangevers overigens ter zake wel uitgebreid verklaard tegenover de politie. Van een niet meer te herstellen vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering is geen sprake. Mitsdien is deze bepaling niet van toepassing en kan hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Vrijspraak

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 tweede alternatief/cumulatief is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof is van oordeel dat de onder 2 bewezenverklaarde handelingen van de verdachte, naast het eerste alternatief/cumulatief ten laste gelegde, gekwalificeerd dienen te worden als medeplegen van afpersing. Het hof zal derhalve de verdachte veroordelen voor het hem onder 2 derde alternatief/cumulatief ten laste gelegde.

Het hof is evenals de rechtbank en overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 5 tweede en derde alternatief/cumulatief is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 7 eerste alternatief/cumulatief ten laste gelegde overweegt het hof dat niet is vast te stellen welke type wapen de verdachte voorhanden heeft gehad, nu hierover door de medeverdachten van de verdachte verschillend is verklaard en het desbetreffende wapen niet is aangetroffen en in beslaggenomen door de politie.

Het hof is derhalve met de raadsman van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 7 eerste alternatief/cumulatief ten laste is gelegd en dat de verdachte hiervan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 eerste en derde alternatief/cumulatief, 3 primair, 4 primair, 5 eerste alternatief/cumulatief, 6 en 7 tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. (Vlaardingen)

hij op 29 juli 2010 te Vlaardingen tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een of meer geldbedragen, geheel of ten dele toebehorende aan Dada All Food International en/of [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 2] en/of een of meer medewerkers van het bedrijf Dada All Food International te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of (een) aan andere deelnemer(s) van dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met zijn mededaders,

- rijdende in een auto (voorzien van gestolen kentekenplaten) is gereden naar het bedrijf Dada All Food International en

- voornoemd bedrijf heeft geobserveerd, en

- een mededader uit de auto is gestapt om naar het bedrijf te gaan en

- een of meer vuurwapens en bivakmutsen en tierips en handschoenen en een plattegrond van de omgeving van het bedrijf Dada All Food International bij zich had,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. (Leyweg deel 1)

hij op 30 juli 2010 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [benadeelde partij 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet

- terwijl die [benadeelde partij 3] zat op de achterbank van een driedeursauto,

- dreigend een vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp gericht op die [benadeelde partij 3] en die [benadeelde partij 3] meermalen geslagen, en

- (zo) een dreigende sfeer gecreëerd en in stand gehouden waardoor die [benadeelde partij 3] enige tijd werd belet/belemmerd zich vrijelijk te bewegen en/of te gaan en staan waar hij wilde gaan en/of staan;

en

hij op 30 juli 2010 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 3] heeft gedwongen tot de afgifte van 190 euro toebehorende aan die [benadeelde partij 3], welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- zeggen tegen die [benadeelde partij 3] dat die [benadeelde partij 3] geld moest betalen en geld van zijn bankrekening moest pinnen en dat als die [benadeelde partij 3] geen geld zou hebben zijn pols zou worden doorgesneden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en

- richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het lichaam van die [benadeelde partij 3], en,

- meermalen, slaan in het gezicht van die [benadeelde partij 3].

3. (Leyweg deel 2)

hij op 30 juli 2010 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om met anderen met het oogmerk om zich en zijn mededaders wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde partij 3] te dwingen tot afgifte van ongeveer 6000 euro, toebehorende aan die [benadeelde partij 3] voornoemd, - die [benadeelde partij 3] heeft gedwongen te knielen, en

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd van die [benadeelde partij 3] heeft geplaatst, en

- die [benadeelde partij 3] meermalen een klap heeft gegeven met een vuurwapen, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [benadeelde partij 3] en

- tegen die [benadeelde partij 3] gezegd dat die [benadeelde partij 3] binnen 10 dagen 6000 euro aan hen moest afgeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;.

4. (Polo deel 1)

hij op 01 augustus 2010 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een kelderbox gelegen aan de [adres 1], althans een kelderbox behorende bij het perceel gelegen aan de [adres 2], weg te nemen goederen van hun gading, toebehorende aan [benadeelde partij 5] en zich daarbij de toegang tot die kelderbox te verschaffen en die weg te nemen goederen onder hun bereik te brengen door middel van braak

met zijn mededader(s),

- een ruit van een toegangsdeur met een koevoet, heeft ingeslagen en

- het slot van de deur van de kelderbox heeft geforceerd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

5. (Polo - deel '2' - geweldshandelingen)

hij op 01 augustus 2010 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander [benadeelde partij 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, geplaatst op de buik van die[benadeelde partij];.

6.(Klarinet)

hij op 24 augustus 2010 te Rijswijk tezamen en in vereniging met anderen[benadeelde partij 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend

- tegen die [benadeelde partij 5] gezegd dat hij met hen, verdachten, mee moest gaan, en

- tegen die [benadeelde partij 5] gezegd dat hij, verdachten, niet in de maling moest nemen want anders zou hij een paar klappen krijgen, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en

- zich begeven naar de woning van die [benadeelde partij 5] en daarbij een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, zichtbaar voor die [benadeelde partij 5] bij zich gehad en vervolgens bij die woning aangebeld en op de deur gebonsd.

7.(Korrel - vuurwapens)

hij op tijdstippen in de periode van 29 juli 2010 tot en met 24 augustus 2010 in Nederland, een wapen van categorie I onder 7°, te weten een CO2-pistool, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen en/of met een voor ontploffing bestemde voorwerp (telkens) voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verweren

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig zijn pleitnota - een drietal algemene verweren gevoerd.

1. De verklaringen van alle medeverdachten kunnen op grond van artikel 341, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet als bewijsmiddel dienen in de onderhavige strafzaak. De raadsman heeft hierbij onder meer verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van

21 november 1978 (NJ 1979,92).

De raadsman heeft hiertoe voorts aangevoerd dat:

- gezien de ratio van dit artikel het geen verschil zou mogen maken of de verklaringen zijn afgelegd tegenover de politie of tegenover de rechter. Een verklaring van een medeverdachte moet per definitie als onbetrouwbaar worden aangemerkt, omdat deze bij de politie niet onder ede wordt gehoord en de medeverdachte er belang bij kan hebben om zijn eigen aandeel te minimaliseren en het aandeel van een verdachte te maximaliseren;

- het zwijgrecht van een verdachte een illusie wordt als een medeverdachte gaat verklaren over zaken waarover een verdachte juist wenst te zwijgen.

2. Het gelijktijdig doch niet gevoegd behandelen van zaken van de verdachte met die van de medeverdachten in eerste aanleg levert een schending op van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en de algemene beginselen van een goede procesorde.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat:

- nu de officier van justitie de mogelijkheid heeft gehad om de verdachten met elkaars verklaringen te confronteren en de verdediging deze mogelijkheid niet heeft er geen sprake is van "equality of arms";

- de rechtbank door deze wijze van behandelen kennis heeft kunnen nemen van (nieuwe) voor de verdachte belastende verklaringen. Die verklaringen zijn echter niet aan het dossier van de verdachte toegevoegd, maar hebben de rechtbank wel kunnen doen twijfelen aan de onschuld van de verdachte; de verdediging kon daar niet effectief op reageren;

- de verdediging door deze wijze van handelen eveneens weliswaar kennis heeft kunnen nemen van voor de verdachte ontlastende verklaringen, maar ook deze zijn buiten het dossier van de verdachte gebleven, waardoor de verdediging ook daar geen effectief gebruik van heeft kunnen maken.

3. De verklaringen die de verdachte tegenover de politie heeft afgelegd dienen uit het dossier te worden verwijderd, nu de verdachte tijdens geen van de politieverhoren over effectieve rechtsbijstand heeft kunnen beschikken.

Het hof overweegt ten aanzien van deze drie verweren als volgt.

1. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het uitgangspunt bij de beoordeling van het verweer van de raadsman dient te zijn het antwoord op de vraag of in de onderhavige zaak sprake is van medeverdachten in de zin van artikel 341, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Op grond van de huidige stand van de rechtsleer en de jurisprudentie is daarvan geen sprake. De zaken van de medeverdachten in deze strafzaak zijn immers in eerste aanleg wel gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld. Anders dan de raadsman heeft betoogd, kunnen de verklaringen die de medeverdachten ten overstaan van opsporingsambtenaren en de rechter-commissaris ter zake van dit onderzoek hebben afgelegd en die aan het strafdossier van de verdachte zijn toegevoegd, wel degelijk als bewijsmiddel in de strafzaak van de verdachte worden aangewend. Aan de enkele algemene stelling van de raadsman dat een verklaring van een medeverdachte per definitie onbetrouwbaar moet worden geacht en het zwijgrecht van de verdachte ten negatieve zou aantasten en daarom van het bewijs uitgesloten dient te worden, gaat het hof evenals de rechtbank zonder nadere, specifiek op deze zaak gerichte onderbouwing voorbij.

2. Het hof stelt voorop dat de raadsman geen rechtsgevolg heeft verbonden aan het onder 2 gevoerde verweer. Niettemin overweegt het hof met de rechtbank van oordeel te zijn dat, anders dan de raadsman heeft betoogd, het standpunt van de raadsman dat het gelijktijdig, doch niet gevoegd behandelen van zaken van de verdachte met die van de medeverdachten een schending oplevert van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en de algemene beginselen van een goede procesorde geen steun vindt in het thans in Nederland geldende rechtssysteem en de daarbij horende rechtsregels. Evenals de rechtbank stelt het hof voorop dat genoemd rechtssysteem ten eerste voldoende mogelijkheden biedt om de verklaringen van de medeverdachten afgelegd in hun eigen zaak in de zaak van de verdachte op te laten nemen en medeverdachten met elkaars verklaringen te confronteren, waardoor de belangen van de verdachte voldoende worden gewaarborgd. De suggestie van de raadsman dat de officier van justitie wat dit punt betreft ter terechtzitting in eerste aanleg een ruimere bevoegdheid zou toekomen, is niet juist. Bij een gelijktijdige, doch niet gevoegde behandeling wordt iedere verdachte immers alleen in zijn eigen strafzaak bevraagd. Dit geldt evenzo voor de officier van justitie. Aan de enkele stelling van de raadsman dat de rechtbank door deze wijze van behandelen tevens kennis neemt van (nieuwe) voor de verdachte belastende verklaringen, die enerzijds buiten het dossier van de verdachte blijven, maar anderzijds de rechtbank wel zouden kunnen doen twijfelen aan de onschuld van de verdachte, waar de verdediging vervolgens niet effectief op zou kunnen reageren, gaat het hof evenals de rechtbank zonder nadere onderbouwing met betrekking tot de onderhavige strafzaak aan voorbij. Als uitgangspunt geldt immers dat de rechtbank, alsook het hof, recht spreken op grond van het dossier en hetgeen ter zitting in de strafzaak van de verdachte naar voren wordt gebracht. Naast het vereiste van voldoende wettig bewijs dient er tevens de overtuiging te zijn dat de verdachte het hem ten laste gelegde heeft gepleegd. Deze overtuiging dienen de rechtbank en het hof immers te ontlenen aan de hiervoor genoemde bronnen, op basis waarvan vervolgens wordt rechtgesproken op de wijze zoals in de bewezenverklaring tot uiting komt en in (de aanvulling op) het vonnis of arrest is gemotiveerd. Deze werkwijze sluit uit dat voor de overtuiging tevens gebruik zou kunnen worden gemaakt van overige feitelijkheden, zoals verklaringen en/of indrukken, verkregen uit een strafzaak van een medeverdachte welke gelijktijdig, doch niet gevoegd, is behandeld.

3. Ten slotte is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat nu de verdachte blijkens het strafdossier is gewezen op zijn recht op rechtsbijstand van een raadsman en hij deze bijstand ook voorafgaand aan het eerste verhoor heeft gekregen, hetgeen aansluit bij de thans op grond van verdrag, wet en jurisprudentie geldende vereisten dienaangaande, er geen redenen zijn om de verklaringen van de verdachte afgelegd tegenover de politie voor het bewijs uit te sluiten. Een eventueel progressiever standpunt ten aanzien van het recht op rechtsbijstand vindt thans geen steun in verdrag, wet en/of thans geldende jurisprudentie.

Het hof verwerpt derhalve deze verweren van de raadsman.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverwegingen

Feit 1

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep -overeenkomstig zijn pleitnota- bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het hem onder 1 primair ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat:

- er sprake is van vrijwillige terugtred;

- er geen sprake is van een poging, omdat het voornemen van de daders om een misdrijf te plegen zich nog niet door een begin van uitvoering had geopenbaard.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ten aanzien van de vrijwillige terugtred

Met de rechtbank overweegt het hof hieromtrent dat zowel de verdachte als zijn medeverdachten [benadeelde partij 5] en [medeverdachte 2] hebben verklaard dat zij op 29 juli 2010 na aankomst ter plaatse op enig moment een vrouw en een kind/kinderen bij het bedrijf Dada All Food International hebben gezien. Voorts hebben zij ieder voor zich verklaard dat dit (mede) de reden was waarom zij uiteindelijk hun plan niet hebben doorgezet en zijn weggereden.

Nog daargelaten dat de aanwezigheid van onverwachte personen in het bedrijf niet kan worden aangemerkt als een van de wil van de verdachte afhankelijke omstandigheid (vgl. HR 27 november 2001, LJN AD4484), geldt dat uit de verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten blijkt dat de verdachte en zijn medeverdachten na het zien van de vrouw en kind(eren) niet direct zijn vertrokken. De verdachte en zijn medeverdachten zijn nog enige tijd op hun positie gebleven, kennelijk om af te wachten "wat er verder zou gebeuren". Voorts hebben de verdachte en zijn medeverdachten allen verklaard over een groot licht, afkomstig van een (bestel)bus die op het terrein van Dada All Food International stond geparkeerd en in hun richting scheen, hetgeen toen bij verdachten de indruk zou hebben gewekt dat men bij het bedrijf Dada All Food International "iets in de gaten had". Vervolgens hebben de verdachte en zijn medeverdachten het bedrijventerrein opzettelijk bij de eerste mogelijkheid met gedoofde lichten verlaten en zijn in de richting van Delft gereden.

Gelet op het voorgaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat de doorslaggevende reden om de overval te staken het vermoeden van betrapping door één van de medewerkers van het bedrijf is geweest. Nu een besluit waartoe men door omstandigheden (zoals een groot risico op voortijdige ontdekking) wordt gedwongen niet kan gelden als een omstandigheid van de wil van de dader afhankelijk als bedoeld in artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht, wordt het verweer verworpen.

Ten aanzien van de poging

Het hof stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad van een begin van uitvoering sprake is in het geval er door de verdachte(n) gedragingen zijn verricht die naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van dat voorgenomen misdrijf.

Voorts is naar het oordeel van het hof uit de zich in het onderhavige strafdossier bevindende wettige bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep het volgende komen vast te staan.

De verdachte heeft samen met medeverdachten [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 5] en [medeverdachte 2] het plan gehad om het bedrijf Dada All Food International te Vlaardingen te overvallen.

Ten behoeve van deze overval heeft medeverdachte [benadeelde partij 3] een plattegrond van de situatie ter plaatse gemaakt, waarop de indeling van het pand van Dada All Food International en de locaties van de beveiligingscamera's stonden vermeld. Voorts heeft [benadeelde partij 3] medeverdachten [benadeelde partij 5] en [medeverdachte 2] verteld hoe laat de vrachtwagen met geld zou arriveren, hoeveel mensen bij het genoemde bedrijf aanwezig zouden zijn, hoe deze mensen er uit zouden zien en wat de hoogte zou zijn van het bedrag aan contanten dat ter plaatse aanwezig zou zijn.

In de week voorafgaand aan 29 juli 2010 zijn medeverdachten [medeverdachte 2], [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 3] samen naar het genoemde bedrijf gereden waar medeverdachte [benadeelde partij 3] onder meer de locatie van het bedrijf, de camera's en een plek waar de auto geparkeerd kan worden heeft laten zien.

[benadeelde partij 5] heeft bivakmutsen, handschoenen en duc-tape gekocht en op de dag van de geplande overval bij medeverdachte[benadeelde partij] (zaaksdossier Polo) twee kentekenplaten opgehaald, die door[benadeelde partij] de nacht daarvoor waren gestolen. Door de medeverdachten is tevens meerdere keren gesproken over de overval. Afgesproken was dat de opbrengst zou worden verdeeld.

Op 29 juli 2010 is de verdachte samen met [benadeelde partij 5] en [medeverdachte 2] in de auto van [benadeelde partij 5] naar het bedrijf Dada All Food International te Vlaardingen gereden. In de auto bevonden zich bivakmutsen, handschoenen, de door [benadeelde partij 3] gefabriceerde plattegrond van het bedrijf, de gestolen kentekenplaten en duc-tape. Voorts heeft de verdachte tie-wraps en twee (vuur) wapens meegenomen. Onderweg zijn de gestolen kentekenplaten op de auto geplaatst.

Aangekomen bij het bedrijf Dada All Food International is de auto achter een paar bosjes geparkeerd. De verdachte en zijn medeverdachten hebben een vrachtauto en een geel busje zien staan. Daarna is [medeverdachte 2] gekleed in een dikke jas, terwijl het buiten warm weer was, met een bivakmuts op en handschoenen aan en met een wapen in zijn hand uit de auto gestapt. Na enige tijd is [medeverdachte 2] weer terug gekomen. De verdachten hebben voorts twee mannen uit het bedrijf zien komen. Deze mannen zijn in de gele bus gestapt. Hierop hebben de verdachte en zijn medeverdachten hun bivakmutsen opgedaan. De gele bus is hierop weggereden terwijl de bus met het grote licht in de auto waarin de verdachte en de medeverdachten zaten scheen. De verdachte en zijn medeverdachten hebben de bus enige tijd met gedoofde lichten achtervolgd. De verdachte en zijn medeverdachten hebben vervolgens afgezien van de overval.

Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, overweegt het hof dat het plan om het bedrijf Dada All Food International te overvallen reeds enige tijd voorafgaand aan 29 juli 2010 gestalte heeft gekregen en door de medeverdachten van de verdachte goed is voorbereid. Voor alle betrokkenen was voorts duidelijk dat het op 29 juli 2010 de bedoeling was om het genoemde bedrijf te overvallen en de verdachte en diens medeverdachten zijn met dat doel voor ogen in de auto gestapt en naar het betreffende bedrijf gereden met medebrenging van alle benodigdheden om het plan te laten slagen. Onderweg zijn gestolen kentekenplaten op de auto gemonteerd. Aangekomen bij het betreffende bedrijf hebben de verdachte en diens medeverdachten de meegebrachte bivakmutsen op gedaan en zijn de wapens uitgedeeld. Eén van hen is zelfs uitgestapt en heeft, naar het hof aanneemt, een verkenningsrondje gemaakt.

Het hof is van oordeel dat de hierboven omschreven handelingen van de verdachte en diens medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 29 juli 2010 gedragingen zijn die, mede gelet op de feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, voorafgaand aan 29 juli 2010, naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf, het plegen van een overval op (een geldloper) van het bedrijf Dada All Food International te Vlaardingen. Dat de overval vervolgens geen doorgang heeft gevonden is, zoals het hof reeds uiteen heeft gezet, naar het oordeel van het hof het gevolg geweest van het feit dat de verdachte en diens medeverdachten dachten dat zij waren ontdekt.

Het hof is derhalve van oordeel dat het aan de verdachte onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Feiten 2 en 3

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig zijn pleitnota - bepleit dat de verklaringen van [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 5] dienen te worden uitgesloten van het bewijs, nu beiden hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd, waarbij ze hun eigen rol hebben verkleind en de rol van de andere verdachten hebben vergroot.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat aangever [benadeelde partij 3] en medeverdachte [medeverdachte 1] aanvankelijk niet hebben verklaard en/of openheid van zaken hebben gegeven over een eerder tezamen met de verdachte gepleegd strafbaar feit (vergelijk: ZD Vlaardingen), niet maakt dat daarmee de verklaringen van genoemde personen ter zake van zaaksdossier Leyweg niet voor het bewijs zouden kunnen dienen. Het hof overweegt daartoe dat [benadeelde partij 3] aanvankelijk geen openheid van zaken heeft gegeven in zijn verhoren bij de politie in verband met het in Vlaardingen gepleegde feit. In latere verhoren heeft [benadeelde partij 3] echter tegenover de politie uitgebreid verklaard.

Voorts komen de aangiften op belangrijke punten overeen en vinden zij voldoende ondersteuning in de andere bewijsmiddelen. Nu overige aanknopingspunten ter onderbouwing van de stelling van de raadsman ontbreken, slaagt het verweer niet en zullen de verklaringen van [benadeelde partij 3] en [medeverdachte 1] niet worden uitgesloten van het bewijs.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van poging tot diefstal, voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om , bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Het onder 2 eerste en derde alternatief/cumulatief bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en/of beroofd houden.

en

Medeplegen van afpersing.

Het onder 3 primair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 4 primair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 5 eerste cumulatief/alternatief bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 7 tweede alternatief/cumulatief bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief, 3 primair, 4 primair, 5 eerste cumulatief/alternatief, 6 en 7 eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar en zes maanden met aftref van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof evenals de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft in wisselende samenstelling met één of meer medeverdachten ernstige strafbare feiten gepleegd uit financieel gewin waarbij door de verdachte en diens medeverdachte(n) veelvuldig gebruik is gemaakt van fysiek geweld en bedreiging met geweld, al dan niet in combinatie met het gebruik van een (vuur)wapen.

Met de rechtbank rekent het hof de verdachte in het bijzonder aan dat hij bij zijn handelen alleen heeft gedacht aan zijn eigen behoeftes en daarbij het gebruik van geweld niet heeft geschroomd. De verdachte heeft geen enkel respect getoond voor de (lichamelijke) integriteit van zijn slachtoffers. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijk geweld hiervan nog lange tijd lichamelijke en psychische klachten kunnen ondervinden.

De feiten zijn van dusdanige ernst dat alleen een vrijheidsbenemende straf passend is.

Het hof heeft voorts in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 november 2012, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor - vooral - het plegen van geweldsmisdrijven en gekwalificeerde diefstallen. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof tevens acht geslagen op de volgende rapporten:

- een rapport Pro Justitia psychologisch onderzoek d.d. 9 januari 2011, opgemaakt door drs.

W.J.L. Lander, psycholoog;

- een rapport reclasseringsadvies van Palier forensische & intensieve zorg, d.d. 31 augustus 2010, opgemaakt door J.A. van Mil.

In het rapport Pro Justitia staat voor zover hier van belang het volgende;

"Betrokkene is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogen in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Mogelijk is er sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van ADHD. Een persoonlijkheidsstoornis is constant aanwezig bij het algehele functioneren. Er kan dus gesteld worden dat er ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde sprake was van een (antisociale) persoonlijkheidsstoornis. Als gevolg van de antisociale persoonlijkheidstrekken kan betrokkene impulsief gedrag vertonen; als gevolg van het gebruik van cannabis en cocaïne kan hij eerder zijn innerlijke remming verliezen. De kans op delictgedrag in het algemeen neemt dan vanzelfsprekend toe. Tevens zal betrokkene als gevolg van het gebruik van cannabis en cocaïne eerder delicten plegen vanuit geldelijk gewin om in zijn middelengebruik te kunnen voorzien. Om de kans op delictgedrag in het algemeen te verminderen is het van belang dat betrokkene begeleid/behandeld wordt met betrekking tot de persoonlijkheidsproblematiek en het middelengebruik."

Uit het reclasseringsadvies d.d. 31 augustus 2010 blijkt het volgende:

"Volgens de gegevens van de Medische Administratie van de Parnassia Bavo Groep is betrokkene al sinds 2000 in beeld. Tussen 2000 en 2010 heeft betrokkene zich zelf diverse malen aangemeld voor een behandeling of werd hij in het kader van een reclasseringstoezicht toegeleid naar zorg. Alle contacten met de zorg waren van korte duur. Betrokkene is eenmaal opgenomen geweest, namelijk op Groot Batelaar van 12 september 2002 tot en met 7 januari 2003. Hij heeft in verband met recidive dit programma voortijdig moeten verlaten. Voor zijn aanhouding was betrokkene in zorg bij de afdeling ambulante Care voor het volgen van het methadonprogramma. Betrokkene is daar nooit geweest."

Alles overwegende is het hof - anders dan de vordering van de advocaat-generaal - met de rechtbank van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Evenals de rechtbank onderkent het hof het grote nut van begeleiding van de verdachte bij zijn verslavings- en persoonlijkheidsproblematiek, maar ziet ook het hof, gezien de ernst van de feiten en het begeleidingsverleden van de verdachte geen aanleiding een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 5 ten laste gelegde tot een totaal bedrag van € 11.894,22, bestaande uit geleden materiële schade tot een bedrag van € 10.894,22, en geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 400,- ter zake van geleden immateriële schade.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade

- overeenkomstig zijn pleitnota - bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen. Voor wat betreft de onderbouwing van dit verweer verwijst het hof kortheidshalve naar hetgeen daaromtrent in de aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitaantekeningen is verwoord.

Het hof is van oordeel dat de enkele feiten dat de benadeelde partij bewust heeft gekozen voor een bepaald crimineel gezelschap en met dat gezelschap heeft deelgenomen aan criminele activiteiten niet automatisch eigen schuld in de zin van artikel 6:106 BW opleveren wanneer de benadeelde partij wordt bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door leden van datzelfde criminele gezelschap. Het hof zal derhalve de vordering van de benadeelde partij niet op deze grond afwijzen, zoals door de raadsman bepleit.

Het hof is echter van oordeel dat behandeling van de vordering van de benadeelde partij ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde een onevenredige belasting van het strafproces oplevert, nu door en namens de benadeelde partij onvoldoende is aangegeven op welke wijze hij in zijn persoon is aangetast als gevolg van het onder 5 bewezenverklaarde feit en derhalve niet zonder meer duidelijk is dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 6:106 BW. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 47, 57, 63, 282, 285, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen hetgeen onder 2 tweede alternatief/cumulatief, 5 tweede en derde alternatief/cumulatief en 7 eerste alternatief/cumulatief is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 eerste en derde alternatief/cumulatief, 3 primair, 4 primair, 5 eerste alternatief/cumulatief, 6 en 7 tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 eerste en derde alternatief/cumulatief, 3 primair, 4 primair, 5 eerste alternatief/cumulatief, 6 en 7 tweede alternatief/cumulatief bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 (veertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 14 december 2012.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten,

mr. T.W.H.E. Schmitz en mr. C.G.M. van Rijnberk, in bijzijn van de griffier mr. M. ter Riet.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 december 2012.