Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY7069

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-06-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
BK-11/00462
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BR2202, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:1797, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dwangsombeschikking. Het door belanghebbende ingediende bezwaar tegen de beslissing van de inspecteur op het door hem gedane verzoek tot toekenning van een dwangsom, had door de inspecteur niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-0031
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-11/00462

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer van 5 juni 2012

in het geding tussen:

[X], wonende te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/Haaglanden, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 juli 2011, AWB 11/2814 IB/PVV, betreffende de hierna vermelde beschikking.

Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Bij beschikking met dagtekening 18 november 2010 heeft de Inspecteur geweigerd aan belanghebbende een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) toe te kennen (hierna: de dwangsombeschikking).

1.2. De dwangsombeschikking is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 112. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft belanghebbende gerepliceerd, waarna de Inspecteur heeft gedupliceerd.

2.2. Beide partijen hebben een nader stuk ingediend, waarvan telkens een afschrift aan de wederpartij is gezonden.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 24 april 2012, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde gaat het Hof in hoger beroep uit van de navolgende door de rechtbank in haar uitspraak vermelde feiten:

3.1 Aan [belanghebbende] is met dagtekening 29 augustus 2007 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2004 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.722.

3.2 Met dagtekening 30 december 2009 heeft [belanghebbende] een schrijven met opschrift bezwaarschrift en vermelding van het aanslagnummer [xxx.xx.xxx.x.xx] aan [de Inspecteur] toegezonden. In dit door [de Inspecteur] op 31 december 2009 ontvangen schrijven verzoekt [belanghebbende] [de Inspecteur] het vastgestelde verzamelinkomen van € 26.722 ambtshalve te verminderen tot € 10.015.

3.3 Bij schrijven van 12 februari 2010 heeft [belanghebbende] [de Inspecteur] met betrekking tot de beslissing op de brief van 30 december 2009 in gebreke gesteld. Daarbij heeft [belanghebbende] [de Inspecteur] erop gewezen dat indien de brief niet binnen twee weken wordt afgehandeld, een dwangsom zal worden verbeurd.

3.4 Bij uitspraak op bezwaar van 9 september 2010 heeft [de Inspecteur] het in de brief van 30 december 2009 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. [Belanghebbende] heeft hiertegen geen beroep ingesteld.

3.5 [De Inspecteur] heeft tevens beslist op het in de brief van 30 december 2009 opgenomen verzoek om ambtshalve vermindering. [De Inspecteur] heeft dit verzoek op 19 oktober 2010 volledig ingewilligd.

3.6 Bij beslissing met dagtekening 18 november 2010 heeft [de Inspecteur] geweigerd aan [belanghebbende] een dwangsom toe te kennen. Het hiertegen ingediende bezwaar is bij onderhavige uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of de belastingrechter bevoegd is te oordelen over de dwangsombeschikking, en zo ja, of de Inspecteur terecht heeft geweigerd aan belanghebbende een dwangsom toe te kennen.

4.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op een dwangsom van € 1.260, omdat de Inspecteur niet tijdig op zijn bezwaarschrift dan wel verzoek om ambtshalve vermindering heeft beslist. Bij het nemen van die beslissing is sprake van schending van de beginselen van behoorlijk bestuur. Belanghebbende stelt tevens recht te hebben op vergoeding van immateriële schade, geleden door de lange duur van de behandeling van het bezwaar en het geding bij de rechtbank. Belanghebbende beroept zich hiertoe op de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011, nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, LJN BO5046, BO5080 en BO5087, BNB 2011/232-234.

4.3. De Inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd weersproken. Hij stelt tevens dat de belastingrechter niet bevoegd is om over de dwangsombeschikking te oordelen.

4.4. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof voorts naar de stukken van het geding.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot het toekennen van een dwangsom van € 1.260, van een immateriële schadevergoeding en van een proceskostenvergoeding.

5.2. De Inspecteur concludeert tot onbevoegdverklaring van de belastingrechter.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft in haar uitspraak het navolgende overwogen:

3.8 Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur] het schrijven van [belanghebbende] van 30 december 2009 terecht èn als een bezwaar èn als verzoek om ambtshalve vermindering in behandeling genomen. De rechtbank zal dan ook de vraag of een dwangsom is verbeurd voor beide gevallen beoordelen.

Met betrekking tot de beslissing op bezwaar

3.9 Ingevolge artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb is geen dwangsom verschuldigd indien de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:14 van de Awb is genoemd artikel 4:17 van de Awb ook van toepassing op een bezwaar.

3.10 Het bezwaar van 30 december 2009 is niet-ontvankelijk verklaard. Deze beslissing is onherroepelijk komen vast te staan. Er is derhalve, gezien het bepaalde in artikel 4:17 van de Awb in samenhang met artikel 7:14 van de Awb, geen dwangsom verschuldigd. Anders dan [belanghebbende] kennelijk meent maakt de omstandigheid dat inhoudelijk aan het bezwaar bij de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering geheel is tegemoetgekomen, niet dat in het kader van de toepassing van artikel 4:17, zesde lid, onder c, van de Awb aan de niet-ontvankelijkverklaring moet worden voorbijgegaan.

Met betrekking tot de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering

3.11 De rechtbank overweegt allereerst dat de vraag kan worden gesteld of de omstandigheid dat tegen de inwilliging op 19 oktober 2010 van onderhavig verzoek geen rechtsmiddel kan worden ingediend, eraan in de weg staat dat de rechtbank van onderhavig geschil kennis neemt. Voorts komt, indien van de bevoegdheid van de rechtbank in dezen wordt uitgegaan, de vraag op of bij een beslissing ingevolge artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) sprake is van een beschikking op aanvraag als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb.

Indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat de hiervoor vermelde vragen ontkennend respectievelijk bevestigend dienen te worden beantwoord, heeft het navolgende te gelden.

3.12 Ingevolge artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

In het tweede lid van artikel 4:13 - voor zover hier van belang - is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde redelijke termijn in ieder geval is verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven.

Ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

3.13 [Belanghebbende] heeft verzocht om ambtshalve vermindering als bedoeld in artikel 65 van de Awr. In de Awr is geen termijn opgenomen binnen welke op een verzoek om ambtshalve vermindering moet worden beslist. In zodanig geval dient als beslistermijn te worden aangemerkt de in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb genoemde termijn van acht weken.

3.14 [De Inspecteur] heeft het verzoek om ambtshalve vermindering op 31 december 2009 ontvangen. De termijn binnen welke op het verzoek diende te worden beslist eindigde dus op 25 februari 2010.

3.15 De ingebrekestelling is gedagtekend 12 februari 2010, ontvangen door [de Inspecteur] op dezelfde dag. [Belanghebbende] heeft [de Inspecteur] derhalve in gebreke gesteld op een moment waarop de beslistermijn nog niet was verstreken. Het schrijven van 12 februari 2010 is dan ook geen rechtsgeldige ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb. De opvatting dat - als door [belanghebbende] ter zitting is betoogd - de premature ingebrekestelling moet worden geacht te zijn verlengd tot een datum gelegen na 25 februari 2010 mist feitelijke grondslag.

3.16 Nu voorts gesteld noch gebleken is dat [belanghebbende] [de Inspecteur] na 25 februari 2010 met betrekking tot de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering in gebreke heeft gesteld, oordeelt de rechtbank dat geen periode als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb is aangebroken waarover de dwangsom is verschuldigd.

3.17 Aan het oordeel dat door [de Inspecteur] geen dwangsom is verbeurd, kan hetgeen [belanghebbende] overigens heeft aangevoerd niet afdoen. Nu niet is gebleken van een geldige ingebrekestelling komt aan de door [belanghebbende] gestelde omstandigheid dat sprake is van een terecht verzoek om ambtshalve vermindering geen betekenis toe. Voorts vindt [belanghebbende]s opvatting dat [de Inspecteur] hem in de gelegenheid had moeten stellen een nieuwe ingebrekestelling uit te brengen geen steun in het recht.

3.18 De beide onder 3.11 geformuleerde vragen behoeven, gelet op het oordeel onder 3.16, geen behandeling.

3.19 Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

3.20 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beoordeling van het hoger beroep

Ambtshalve

7.1. Belanghebbende heeft bij brief van 30 december 2009 verzocht om vermindering van de inmiddels onherroepelijk vaststaande aanslag met dagtekening 29 augustus 2007. Nadat de Inspecteur dat verzoek in behandeling had genomen, heeft belanghebbende de Inspecteur in gebreke gesteld. Daarbij heeft belanghebbende gesteld dat indien het verzoek tot ambtshalve vermindering niet binnen twee weken zou worden afgehandeld, de Inspecteur een dwangsom zou verbeuren.

7.2. De beslissing van de Inspecteur van 19 oktober 2010 op het verzoek tot vermindering van de onherroepelijk vaststaande aanslag is een beslissing die hij ambtshalve heeft genomen. Een zodanige beslissing is niet aan te merken als een beslissing waartegen bezwaar en beroep openstaat. Gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, brengt dit mee dat het door belanghebbende ingediende bezwaar tegen de beslissing van de Inspecteur op het door hem in dat kader gedane verzoek tot toekenning van een dwangsom door de Inspecteur niet-ontvankelijk had dienen te worden verklaard.

7.3. Gelet op het voorgaande komt het Hof aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep niet toe.

Proceskosten

8.1. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

8.2. Wel dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de rechtbank gestorte griffierecht van € 41, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 112 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar,

- verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk, en

- gelast de Staat aan belanghebbende een bedrag van € 153 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Chr.Th.P.M. Zandhuis, P.J.J. Vonk en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 5 juni 2012 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.