Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY6943

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
20-12-2012
Zaaknummer
22-004047-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafzaak tegen vijf Somalische piraten. Ten laste is gelegd zeeroof ex artikel 381 van het Wetboek van Strafrecht. Verwerping van de verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Nederland heeft in het Wetboek van Strafrecht universele rechtsmacht gevestigd voor gevallen van piraterij op volle zee, welke nationale regeling niet in strijd is met internationale verdragen (SUA en UNCLOS). Toetsing van de processuele gang van zaken aan de artikelen 5 en 6 EVRM. Beoordeling van de minderjarigheid van een van de verdachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/50
NJ 2013/469

Uitspraak

Rolnummer: 22-004047-11

Parketnummer: 11-960256-10

Datum uitspraak: 20 december 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Rotterdam van

12 augustus 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[T17],

geboren te [geboorteplaats] (Somalië) in het jaar 1988,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Veenhuizen, gevangenis Esserheem, te Veenhuizen.

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

22 februari 2012, 23 april 2012, 18 juni 2012, 8 augustus 2012, 8 oktober 2012, 9 oktober 2012, 10 oktober 2012,

17 oktober 2012, 31 oktober 2012, 7 november 2012,

12 november 2012, 14 november 2012, 28 november 2012 en 12 december 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg op 16 mei 2011 - ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2009 tot en met 19 november 2010, vanaf/op het vaste land van Somalië en/of vanaf/op de kust van Koyaama Island (Somalië), en/of in de territoriale wateren van Somalië, en/of op volle zee, in de Golf van Aden, en/of in de Indische Oceaan, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, (telkens) als schipper heeft dienstgenomen en/of dienst gedaan op een vaartuig, wetende dat het bestemd was en/of (telkens) het gebruikende om in open zee daden van geweld te plegen tegen andere vaartuigen en/of tegen zich daarop bevindende personen en/of goederen (welk gepleegd geweld bestond uit het schieten met (automatische) (vuur)wapens en/of een raketwerper op, althans in de richting van de vaartuigen SV de Choizil, en/of het Franse marineschip de Floréal, althans in de richting van één of meer zich op open zee bevindende (koopvaardij)vaartuigen en/of de zich daarop bevindende personen en/of goederen, althans uit het dreigend tonen van (automatische) (vuur)wapens en/of een raketwerper aan die personen en/of het met die wapens onder schot houden van die personen), zonder door een oorlogvoerende mogendheid daartoe gemachtigd te zijn of tot de oorlogsmarine van een erkende mogendheid te behoren;

en/of

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2009 tot en met 19 november 2010, vanaf/op het vaste land van Somalië en/of vanaf/op de kust van Koyaama Island (Somalië), en/of de territoriale wateren van Somalië, en/of op volle zee, in de Golf van Aden, en/of in de Indische Oceaan, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, (telkens) als schepeling heeft dienstgenomen en/of dienst gedaan op een vaartuig, dat (telkens) bestemd was en/of gebruikt werd om in open zee daden van geweld te plegen tegen andere vaartuigen en/of tegen zich daarop bevindende personen en/of goederen, terwijl hij bekend was met deze bestemming en/of dit gebruik en/of vrijwillig in dienst is gebleven op zodanig vaartuig na met deze bestemming en/of dit gebruik bekend te zijn geworden (welk gepleegd geweld bestond uit het schieten met (automatische) (vuur)wapens en/of een raketwerper op, althans in de richting van de vaartuigen SV de Choizil, en/of het Franse marineschip de Floréal, althans in de richting van één of meer zich op open zee bevindende (koopvaardij)vaartuigen en de zich daarop bevindende personen en/of goederen, althans uit het dreigend tonen van (automatische) (vuur)wapens en/of een raketwerper aan die personen en/of het met die wapens onder schot houden van die personen) zonder door een oorlogvoerende mogendheid daartoe gemachtigd te zijn of tot de oorlogsmarine van een erkende mogendheid te behoren.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest.

4. Hoger beroep

Namens de verdachte is op 26 augustus 2011 hoger beroep tegen het vonnis ingesteld.

De officier van justitie heeft op 24 augustus 2011 hoger beroep tegen het vonnis ingesteld.

5. Rechtsmacht en verdragsrechtelijke bevoegdheden

Rechtsmacht

Het hof overweegt ambtshalve dat Nederland in deze zaak ten aanzien van de ten laste gelegde zeeroof ex artikel 381 van het Wetboek van Strafrecht rechtsmacht heeft op grond van het bepaalde in artikel 4 aanhef en onderdeel 5 van het Wetboek van Strafrecht. Feiten of omstandigheden die in de weg zouden (kunnen) staan aan een vervolging van de verdachte in Nederland zijn het hof niet gebleken.

Het openbaar ministerie is derhalve op het punt van de rechtsmacht ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde.

Verdragsrechtelijke bevoegdheden

Het hof heeft vervolgens bezien of, ondanks de uitdrukkelijke wettelijke basis voor rechtsmacht, en gelet op artikel 94 van de Grondwet, regels van internationaal recht in de weg staan aan een vervolging van de verdachte in Nederland.

Voor de beoordeling hiervan, voor zover in deze strafzaak relevant, zijn de volgende verdragen van belang waarbij Nederland (verdrags-)partij is:

- het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (United Nations Convention on the law of the Sea), (hierna: UNCLOS), en

- het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart (Convention for the Suppression of Unlawful Acts against the Safety of Maritime Navigation), (hierna: SUA).

Artikel 100 van het UNCLOS bevat de verplichting van de verdragsstaten om samen te werken ter onderdrukking van piraterij en artikel 105 van het UNCLOS bevat de bevoegdheid om op te treden tegen piraterij.

Artikel 105 van het UNCLOS bevat de bevoegdheden aan de verdragsstaten. In dit artikel is – kort samengevat en voor zover hier van belang – bepaald, dat in volle zee of op andere plaatsen die buiten de rechtsmacht van enige staat zijn gelegen, iedere staat een piratenschip in beslag mag nemen en de personen aan boord te arresteren en de goederen aan boord in beslag nemen en dat iedere rechter van die staat kan beslissen over de op te leggen straffen. Deze verdragsbepaling voorziet aldus in een universele rechtsmacht voor de staat die tot aanhouding van piraterijverdachten overgaat.

De UNCLOS-bepalingen beperken zich echter tot optreden van staten in volle zee en zijn dus niet zonder meer van toepassing binnen de territoriale wateren van Somalië.

Verdergaande bevoegdheden om op te treden zijn evenwel te vinden in een aantal resoluties van de Veiligheidsraad, namelijk nummers 1816, 1838, 1846, 1851 en 1950.

In artikel 6, eerste en tweede lid van het SUA is voorts aangegeven in welke gevallen de staten rechtsmacht moeten of kunnen vestigen voor strafbare feiten waarop het verdrag betrekking heeft. In het vijfde lid van dit artikel is uitdrukkelijk bepaald dat het verdrag geen enkele in overeenstemming met de nationale wetgeving uitgeoefende rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden uitsluit.

Ter ondersteuning van resolutie 1816 is de European Union Naval Coordination Cell (EU NAVCO) opgericht. Van belang is daarbij het ‘Gemeenschappelijk Optreden 2008/851/GBVB van de Raad van 10 november 2008 inzake de militaire operatie van de Europese Unie teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, het voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust’.

In deze regeling is onder meer opgenomen artikel 12 lid 1 dat aan een lidstaat de navolgende bevoegdheden geeft:

“Op basis van de acceptatie van Somalië ten aanzien van de uitoefening van hun rechtsmacht door de lidstaten of derde Staten, enerzijds, en artikel 105 van VN-Zeerechtverdrag anderzijds, worden in de territoriale wateren van Somalië gevangen genomen personen die daden van piraterij of gewapende overvallen hebben begaan of hiervan verdacht worden, alsmede de goederen die tot uitvoering van deze daden gediend hebben,

— overgedragen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat of de derde Staat die deelneemt aan de operatie waarvan het schip dat tot gevangenneming is overgegaan, de vlag voert, of

— indien deze Staat zijn rechtsmacht niet kan of wil uitoefenen, aan een lidstaat of een derde Staat die die rechtsmacht wil uitoefenen ten aanzien van de bovengenoemde personen of goederen”.

Op basis van bovenstaand juridisch kader concludeert het hof dat de Nederlandse overheid bevoegd is om zowel binnen als buiten de Somalische territoriale wateren op te treden tegen piraterij.

Overigens merkt het hof op, dat zowel de term “zeeroof” als de term “piraterij” wordt gebruikt om de verweten gedragingen van de verdachten in deze zaak te omschrijven. Het begrip zeeroof wordt uitdrukkelijk genoemd in artikel 381 van het Wetboek van Strafrecht terwijl piraterij de letterlijke vertaling is van de Engelstalige term “piracy” in het UNCLOS-verdrag welke handelingen worden opgesomd in artikel 101 van dit verdrag. Het hof stelt vast dat de verschillen tussen deze twee termen van ondergeschikt belang zijn voor de juridische beoordeling van deze zaak en hanteert beide termen.

6. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte – verkort en zakelijk weergegeven -, nu doelbewust, althans met grove veronachtzaming van zijn belangen, aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van de zaak te kort is gedaan en daarmee, zo begrijpt het hof, zijn recht op een eerlijk proces als bedoeld in de artikelen 5 en 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is geschonden.

Daartoe wordt aangevoerd, kort gezegd en voor zover het hof begrijpt, dat de beginselen van een goede procesorde zijn geschonden door in strijd met het gelijkheidsbeginsel te besluiten om tot strafvervolging van de verdachte over te gaan. Voorts is de verdachte van zijn vrijheid beroofd geweest zonder dat sprake was van een daartoe wettelijk voorgeschreven procedure. Ook is niet voldaan aan het beginsel van ‘equality of arms’. De verdachte kon geen raadsman consulteren, had geen rechtsbijstand van een raadsman van zijn keuze en werd niet (onverwijld en op deugdelijke wijze) geïnformeerd omtrent de gronden voor zijn aanhouding, waardoor hij zich niet op adequate wijze kon verdedigen tegen de rechtmatigheid en gegrondheid van zijn hechtenis, aldus begrijpt het hof het betoog van de verdediging. De verdachte is evenmin onverwijld en in een taal die hij verstaat geïnformeerd omtrent de redenen voor zijn aanhouding en alle tegen hem ingebrachte beschuldigingen. Tenslotte is de verdachte niet althans onvoldoende in de gelegenheid gesteld zijn ondervragingsrecht uit te oefenen.

Het openbaar ministerie heeft gemotiveerd aangegeven zich ontvankelijk in de vervolging te achten.

De feiten en omstandigheden

Het hof stelt op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting, voor zover hier relevant en zakelijk weergegeven, de navolgende feiten en omstandigheden vast.

In het kader van de internationale antipiraterijmissies Atalanta en Ocean Shield patrouilleert de Nederlandse marine met de Hr. Ms. Amsterdam in de Golf van Aden, de Indische oceaan en het Somalisch Bassin. Het doel van deze operaties vormt het begeleiden van World Food Programme (WFP-)schepen en het bestrijden en voorkomen van kapingen op koopvaardijschepen in het operatiegebied van de Hoorn van Afrika.1

Tijdens een surveillance op 4 november 2010 wordt door het Franse marinefregat Floréal het zeilschip Choizil aangetroffen, voor anker liggend bij het eiland Koyaama, gelegen voor de Somalische kust. De Floréal neemt waar dat de Choizil is voorzien van tenminste 50 jerrycans met vermoedelijk benzine. Daardoor rijst het vermoeden dat het zeiljacht gebruikt zou worden voor piraterij. Na enkele dagen wordt bekend dat het betreffende zeiljacht was gekaapt en dat er drie gijzelaars aan boord waren.

Op 7 november 2010 strandde het zeilschip Choizil op de kust van Somalië in de buurt van de kustplaats Baraawe. Naast het zeilschip lag een skiff, die met de Choizil meegevaren was. Het Franse marinepersoneel stelt daarop een onderzoek in naar de skiff en het zeiljacht. Tijdens dit onderzoek wordt de buitenboordmotor van de skiff gedemonteerd en worden op de Choizil een Rocket Propelled Grenade (RPG) en munitie voor een AK47 aangetroffen. Voorts wordt de schipper van de Choizil, [getuige 1], aangetroffen. Hij wordt aan boord gebracht van de Hr. Ms. Amsterdam om naar Mombassa (Kenia) te worden overgebracht.2

Op 19 november 2010 wordt aan boord van de Hr. Ms. Amsterdam een mogelijke Pirate Action Group (PAG) waargenomen die reeds op 18 november 2010 werd geobserveerd bij het eiland Koyaama. De PAG bestaat uit een whaler en twee skiffs. Door personeel van de boordhelikopter van de Hr. Ms. Amsterdam wordt waargenomen dat zich aan boord van de whaler grote hoeveelheden brandstofvaten, ladders en andere materialen bevinden. Voorts wordt waargenomen dat de twee skiffs in de onmiddellijke nabijheid van de whaler varen.

Op basis van deze waarnemingen krijgt het personeel toestemming van de commandant van de ‘Standard Nato Maritime Group 1’ (hierna: CTF 508) om de genoemde vaartuigen te boarden. Evens wordt toestemming verleend om gericht vuur (non-disabling fire) te mogen uitbrengen.

Bij het zien van de boordhelikopter vluchten beide skiffs op hoge snelheid bij de whaler vandaan. Tijdens de daarop ingezette achtervolging van een van de skiffs (hierna: skiff 1) wordt door het helikopterpersoneel waargenomen dat goederen, waaronder een wapen (AK47), overboord worden gegooid. Ondanks waarschuwingen via de VHF-radio en waarschuwingsschoten vaart skiff 1 met hoge snelheid door richting de kust. Hierop dwingt de helikoptereenheid de skiff tot stoppen door met gericht vuur de voorkant van de skiff te raken. Ondertussen wordt een RHIB (snelle boot) richting de whaler gestuurd en de zes opvarenden in de whaler worden middels tie-wraps veiliggesteld.

De helikoptereenheid zet vervolgens de achtervolging in op de tweede skiff (hierna: skiff 2). Aan boord van de skiff ziet de helikopterbemanning vier opvarenden en een groot aantal jerrycans. De helikoptereenheid dwingt skiff 1 tot stoppen middels waarschuwingsschoten.

De beide skiffs worden onder controle gebracht en onder nationale (Nederlandse) aansturing worden de dertien opvarenden om 12:35 uur als ‘detainees’ aan boord de Hr. Ms. Amsterdam genomen en worden hun persoonsgegevens vastgelegd. De opvarenden worden tevens gewezen op de reden waarom zij staande zijn gehouden. De opvarenden worden vervolgens tijdelijk vastgehouden in de Temporary Holding Facility (hierna: THF) van de Hr. Ms. Amsterdam, met als doel het afleggen van verklaringen en op basis hiervan het afwachten van overleg met en beslissing van het Nederlandse openbaar ministerie.3

Onder de inzittenden van de whaler bevindt zich de medeverdachte T09, onder de inzittenden van de skiff 2 bevinden zich de verdachte en de medeverdachte T14 en onder de inzittenden van skiff 1 bevindt zich de medeverdachte T06.4

Aan boord van een op de Hr. Ms. Amsterdam ingesteld onderzoek blijkt dat skiff 1 dermate karakteristieke kenmerken vertoont, dat het vermoeden rijst dat deze skiff in verband kan worden gebracht met de skiff die op 7 november 2010 was gebruikt bij de kaping van de Choizil.5

Uit de gegevens van het aan boord van de whaler in beslag genomen GPS-apparaat blijkt dat het apparaat zich op 19 november 2010 om 12:06 uur op de positie met het coördinaat S0 31.105 E42 48.279 bevond, waardoor het vermoeden bestaat dat de onderschepping van de groep ongeveer 56 kilometer van Koyaama eiland op open zee heeft plaatsgevonden.6

Op 21 november 2010 zijn de inzittenden van de skiffs en de whaler vervolgens aan boord van de Hr. Ms. Amsterdam aangehouden op basis van verdenking van zeeroof en op 22 november 2010 is de inbewaringstelling voor veertien dagen gelast.7

Op 22 november 2010 wordt door het helikopterpersoneel van de Hr. Ms. Amsterdam voor de kust van Somalië een skiff, voorzien van twee buitenboordmotoren en uitgerust met een grote hoeveelheid brandstof, een ladder en pakketten, waargenomen. Op de skiff bevinden zich zeven opvarenden. Bij het zien van de helikopter vaart de skiff met grote snelheid naar het vasteland van Somalië. De Hr. Ms. Amsterdam ligt vervolgens gedurende de nacht van 22 november op 23 november 2010 voor de kust om te voorkomen dat de skiff ongezien zou vertrekken.

In de middag van 23 november 2010 wordt de skiff op dezelfde positie waar deze op 22 november 2010 aan land is gegaan, waargenomen door het helikopterpersoneel van de Hr. Ms. Amsterdam. Het helikopterpersoneel neemt tevens waar dat de skiff wordt klaargemaakt voor vertrek naar zee. Gezien de uitrusting van de skiff bestaat het vermoeden dat de skiff naar zee wil vertrekken teneinde een kaping uit te voeren.

Vlak voor zonsondergang wordt waargenomen dat de skiff naar zee vertrekt. Het boardingteam van de Hr. Ms. Amsterdam vaart daarop in twee RHIB's richting de skiff.

De Hr. Ms. Amsterdam krijgt toestemming van de commandant van de CTF 508 om de skiff te boarden. Eenmaal in de nabijheid van de skiff vuurt het boardingteam lichtkogels af om de opvarenden tot stoppen te bewegen. De skiff gaat er echter vandoor, waarop het boardingteam met hoge snelheid de achtervolging inzet. Het boardingteam neemt vervolgens waar dat de opvarenden spullen overboord gooien, waaronder een ladder en een groot pakket. Ondanks diverse stoptekens en waarschuwingsschoten neemt de skiff geen aanstalten om te stoppen.

Op basis van deze waarnemingen krijgt het personeel toestemming van de commandant van de CTF 508 om de genoemde vaartuigen te boarden en om gericht vuur (non-disabling fire) uit te mogen brengen. Het boardingteam geeft direct gericht vuur af op de voorkant van de skiff. Dit resulteert niet in het stoppen van de skiff, waarop het boardingteam de skiff tot stoppen dwingt door met gericht vuur beide motoren uit te schakelen. De skiff wordt vervolgens onder controle gebracht op de positie met het coördinaat 01-37.4S 041-39.9E.

De zeven opvarenden worden vervolgens door middel van het aanbrengen van zogenoemde tie-wraps veiliggesteld. De opvarenden worden met toestemming van de commandant der strijdkrachten en de Nederlandse officier van justitie als ‘detainees’ aan boord de Hr. Ms. Amsterdam genomen.

Van de zeven personen worden de persoonsgegevens vastgelegd. De groep wordt gewezen op de reden waarom zij staande zijn gehouden en wordt tijdelijk vastgehouden in de THF, met als doel het afleggen van verklaringen en op basis hiervan het afwachten van overleg met en beslissing van het Nederlandse openbaar ministerie.8

Onder de opvarenden bevindt zich de medeverdachte T21.9

De zeven opvarenden, onder wie de medeverdachte T21, worden op 24 november 2010 aangehouden ter zake van verdenking van piraterij.10

Vervolgens is nader onderzoek ingesteld. Daaruit blijkt dat de skiff is voorzien van vrijwel nieuwe buitenboordmotoren en dat de skiff is ‘gemodificeerd’: er is een dubbele bodem aangebracht waarin een grote hoeveelheid brandstof verborgen is.11 Daarnaast wordt op de skiff een visitekaartje van de schipper van de Choizil, [getuige 1], aangetroffen. Voorts worden de inzittenden van de skiff verhoord.12

Eén van hen ([T20]) verklaart dat de skiff beschikte over wapens, ladders, voedsel en benzine, dat hij deel uitmaakte van een groep van zeven piraten en dat de Choizil was gekaapt door de verdachte, de medeverdachte T06, de medeverdachte T21 en T22.13 Op grond van deze bevindingen worden de medeverdachte T21 en T22 op 28 november 2010 aangehouden ter zake van verdenking van zeeroof en is op 29 november 2010 hun inbewaringstelling voor veertien dagen gelast.14

De schipper van de Choizil, [getuige 1], wordt eveneens verhoord. Op 29 november 2010 verklaart hij aan de hand van hem getoonde foto’s dat de medeverdachte T09 de leider was van de piraten die de Choizil hadden gekaapt en dat de medeverdachte T06 eveneens tot de piratengroep van de Choizil behoorde.15

Voorts verklaart hij op 30 november 2010 aan de hand van andere aan hem getoonde foto’s dat de verdachte en de medeverdachte T14 tot de piratengroep van de Choizil behoorden.16

Naar aanleiding van het vorenstaande worden de medeverdachte T06, de verdachte, de medeverdachte T09, de medeverdachte T14 en de medeverdachte T21 als verdachten van zeeroof aangemerkt. De andere verdachten worden, met uitzondering van T20, op 1 december 2010 in vrijheid gesteld.

Op 4 december 2010 wordt de gevangenhouding voor de duur van negentig dagen van de vijf verdachten bevolen.17

De beoordeling door het hof

Verdenking en recht tot aanhouding

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld

- verkort en zakelijk weergegeven - dat de bovenuiteengezette feiten en omstandigheden onvoldoende verdenking voor piraterij boden om de skiff waarop de verdachte zich bevond te boarden en de personen aan boord aan te houden.

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat – verkort en zakelijk weergegeven – er voldoende verdenking bestond om tot aanhouding van de verdachten over te kunnen gaan. De verdenking was aanvankelijk gebaseerd op de combinatie van de waargenomen activiteiten op het strand in de voorafgaande dagen, de uitrusting (grote hoeveelheden brandstof en ladders) en de verplaatsingswijze van de PAG en het gedrag bij ontdekking door de marine (vluchten en wapens overboord gooien), en werd vervolgens verzwaard na de informatie dat één van de skiffs van de PAG in verband kon worden gebracht met het eerder gekaapte zeiljacht Choizil. Na deze bevindingen is volgens het openbaar ministerie rechtens overgegaan tot aanhouding van de verdachten. De daarop volgende dwangmiddelen zijn naar het standpunt van het openbaar ministerie eveneens rechtmatig ingezet, nu de verdenkingen – kort gezegd – na hun aanhouding alleen nog maar zwaarder werden. Zo werden enkele dagen na aanhouding van de eerste groep nog zeven personen onderschept. In de kleding van één van hen werd een visitekaartje van de kapitein van de Choizil aangetroffen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In tegenstelling tot hetgeen de raadsman heeft betoogd, is het hof van oordeel dat op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, genoegzaam is gebleken dat er op 19 november 2010 voldoende verdenking van piraterij bestond om over te gaan tot onderschepping van de skiff waarop de verdachte zich bevond.

Met name acht het hof daarbij van belang de waarnemingen van de bemanning van de boordhelikopter van de Hr. Ms. Amsterdam dat de twee skiffs zich in de directe nabijheid bevonden van de whaler waarop zich grote hoeveelheden brandstof, ladders en andere materialen bevonden. Daarbij komt dat bij het zien van de boordhelikopter de skiffs vluchtten en dat tijdens de daarop ingezette achtervolging goederen, waaronder een AK47, overboord werden gegooid.

Gelet op de hiervoor vastgestelde van toepassing zijnde verdragsrechtelijke en ook strafvorderlijke bepalingen concludeert het hof dan ook dat de Nederlandse marine en het openbaar ministerie gerechtigd waren de opvarenden van de whaler en de skiffs, onder wie de verdachte, aan te houden en de verdachte (aansluitend) zijn vrijheid te ontnemen.

Opportuniteit van de vervolging van de verdachte

De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld, zakelijk weergegeven, dat – zelfs al moet worden aangenomen dat de marine voldoende aanleiding had om de verdachte en zijn medeverdachten aan te houden - de vervolging van de verdachte vanwege het gebrek aan enig vervolgingsbelang niet opportuun was, zodat het openbaar ministerie in zijn vervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat – verkort en zakelijk weergegeven – zeeroof een delict is waarvan de wetgever in het verleden reeds heeft gesteld dat dit delict zo ernstig wordt geacht dat de Nederlandse gerechtelijke autoriteiten hiertegen op moeten kunnen treden ongeacht waar en door wie gepleegd. Een expliciet Nederlands belang is derhalve geen vereiste. Daarbij is de beslissing tot het al dan niet instellen van vervolging voorbehouden aan het openbaar ministerie.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt voorop dat de beslissing om al dan niet tot vervolging van een strafbaar feit over te gaan is neergelegd bij de officier van justitie en dat die daarbij een ruime discretionaire bevoegdheid ex artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering toekomt. De rechter toetst de vervolgingsbeslissing in beginsel zeer terughoudend. Het aan het openbaar ministerie opgedragen opportuniteitsbeginsel impliceert voorts een belangenafweging tussen enerzijds het algemeen belang dat met de vervolging kan zijn gediend en anderzijds het individuele belang van de verdachte om buiten het strafrechtelijke systeem te blijven. Slechts indien de vervolging in strijd is met wettelijke of verdragsrechtelijke bepalingen of beginselen van een goede procesorde, kan sprake zijn van verval van het recht tot strafvervolging en van een door de rechter om die reden uit te spreken niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Beoordeeld wordt dan ook slechts of het openbaar ministerie, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid tot de vervolging kon komen.

Het hof deelt het standpunt van de verdediging niet dat in de onderhavige zaak sprake zou zijn van een gebrek aan enig vervolgingsbelang. Met inachtneming van het vorenoverwogene neemt het hof daarbij nog het volgende in aanmerking.

Het is een feit van algemene bekendheid dat piraterij een ernstige bedreiging vormt voor het recht op vrije doorvaart in internationale wateren. Het vrije vervoer van vracht, grondstoffen en brandstoffen wordt erdoor belemmerd waardoor mondiale economische gevolgen dreigen. Aldus heeft Nederland, zoals elk zeevarend land, een economisch belang bij een ongestoorde scheepvaart in internationale wateren. Dat belang vindt ook uitdrukking in de hiervoor aangegeven universele rechtsmacht van de Nederlandse rechter in geval van piraterij. Daarnaast is van belang dat Nederland actief deelneemt aan de hiervoor beschreven internationale missies, met name ook in de Golf van Aden. Met deze missies heeft Nederland zich in internationaal verband verplicht om adequaat – ook strafvorderlijk - op te treden in de desbetreffende wateren. In dit verband wijst het hof voorts op het eerder besproken Gemeenschappelijk Optreden van de Europese Unie waaruit ook het betrokken Europees belang blijkt. Bovendien zijn de verdachte en zijn medeverdachten aangehouden naar aanleiding van een verdenking van betrokkenheid van piraterij.

Gelet op deze feiten en omstandigheden kan niet in redelijkheid worden volgehouden dat de vervolging van de verdachte in Nederland niet opportuun is in de hiervoor bedoelde zin.

Gelijkheidsbeginsel

Door de verdediging is betoogd dat de vervolging in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd

– verkort en zakelijk weergegeven – dat, tot de aanhouding van de verdachte in de onderhavige zaak, immer sprake is geweest van een bestendig patroon van niet-vervolgen van verdachten van piraterij wanneer een duidelijk aanwijsbaar Nederlands belang ontbreekt. Vele piraterijverdachten, onder wie personen die tegelijkertijd met de verdachte door de Koninklijke Marine waren aangehouden, zijn beleidsconform dan ook niet vervolgd. Door desalniettemin tot de vervolging van de verdachte over te gaan heeft het openbaar ministerie in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld, zodat het openbaar ministerie in zijn vervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat – verkort en zakelijk weergegeven - geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, gelet op het exclusieve vervolgingsrecht van het openbaar ministerie dat de rechter in het kader van de in dat kader toebedeelde beleidsvrijheid dient te respecteren. Het openbaar ministerie heeft daartoe aangevoerd dat de onderhavige vervolgingsbeslissingen afhankelijk zijn geweest van de resultaten van het nadere onderzoek, welke resultaten een bewijspositie creëerden voor de onderhavige verdachten en niet voor de heengezonden personen. Omdat de positie van de onderhavige verdachten niet vergelijkbaar was met die van de heengezonden personen, was in de visie van het openbaar ministerie dan ook geen sprake van vergelijkbare gevallen.

Voorts heeft het openbaar ministerie zich op het standpunt gesteld dat de stelling van de verdediging dat uitsluitend opgetreden mag worden naar aanleiding van schending van een expliciet Nederlands belang de in de wet verankerde universele rechtsmacht inzake zeeroof miskent en bovendien geen steun vindt in het recht.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat het standpunt van de verdediging, indien en voor zover de verdediging heeft betoogd dat ter zake van verdenking van piraterij dan wel zeeroof door de Nederlandse (opsporings-)autoriteiten uitsluitend mag worden opgetreden indien en voor zover sprake is van schending van een expliciet Nederlands belang, naar het oordeel van het hof niet alleen de in de wet verankerde universele rechtsmacht inzake zeeroof miskent, een en ander zoals hiervoor reeds is overwogen, maar dit standpunt bovendien geen steun vindt in het recht.

Zoals hiervoor bovendien is overwogen kan de discretionaire bevoegdheid van het openbaar ministerie om tot vervolging van een verdachte over te gaan, worden beperkt door de werking van de beginselen van een goede procesorde, het gelijkheidsbeginsel daaronder begrepen. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is eerst sprake bij afwijking van een bestendig patroon van beslissen in een groot aantal vergelijkbare gevallen.18

Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat ter zake van piraterij niet zodanig eenvoudig valt vast te stellen of sprake is geweest van andere gevallen waarin de relevante feitelijke omstandigheden gelijk waren aan die in de onderhavige zaak, dat daaruit een bestendig patroon in vorenbedoelde zin valt af te leiden. De onderhavige zaak is immers pas de tweede piratenzaak die, voor zover aan het hof bekend, sinds jaren, in Nederland wordt berecht, waardoor in dit opzicht een adequaat referentiekader ontbreekt. In dit verband is verder van belang dat – zoals algemeen bekend mag worden verondersteld – er ook in de andere met piraterij samenhangende zaken enerzijds heenzendingen van verdachten zoals door de verdediging kennelijk bedoeld hebben plaatsgevonden, doch dat anderzijds de verdachte en zijn medeverdachten niet de enige in de Golf van Aden aangehouden piraterijverdachten zijn die in Nederland strafrechtelijk worden vervolgd.

Bovendien is voldoende aannemelijk geworden dat de officier van justitie, op basis van de waardering van de op dat moment aan haar bekende informatie, een bewuste keuze heeft gemaakt tegen welke van de aangehouden verdachten zij verdere vervolging zou instellen. Het hof heeft daarbij betrokken dat het ging om de aanhouding

– onder bijzondere omstandigheden - van een groot aantal verdachten waarvan – voor zover op dat moment te

overzien - vervolging in het algemeen belang in de rede lag, terwijl niet onmiddellijk voldoende duidelijk was wat de ernst van de verdenkingen tegen de verschillende verdachten was, noch hoe de persoonlijke omstandigheden moesten worden beoordeeld.

Het hof is dan ook van oordeel dat op basis van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, niet (voldoende) aannemelijk is geworden dat sprake is van een zodanige overeenstemming van zaken op het punt van de haalbaarheid en van de opportuniteit, dat daaruit de conclusie moet worden getrokken dat in het onderhavige geval het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Feiten of omstandigheden die het hof tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn niet aannemelijk geworden.

Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van het hof dan ook niet worden gezegd dat het openbaar ministerie in redelijkheid niet tot de bestreden vervolgingsbeslissing(en) had kunnen komen.

In dit oordeel ligt besloten dat de vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie niet zodanig in strijd is met het algemene verbod van willekeur, dat het gevolg daarvan niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou moeten zijn. Dat het openbaar ministerie, althans de officier van justitie, bij de vervolgingsbeslissing kennelijk onredelijk of willekeurig heeft gehandeld, is niet aannemelijk geworden.

Schending van artikel 5 van het EVRM

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte van zijn vrijheid is beroofd zonder dat daaraan een wettelijk voorgeschreven procedure ten grondslag lag. Dit is in strijd met het bepaalde in artikel 5 van het EVRM. De verdediging heeft daartoe aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - dat de verdachte op 19 november 2010 op grond van artikel 105 van het UNCLOS aan boord is gebracht van het marineschip de Hr. Ms. Amsterdam. Pas op 21 november 2010 is door de officier van justitie opdracht gegeven om tot zijn “aanhouding buiten heterdaad” over te gaan. Aan de vrijheidsbeneming van de verdachte in de periode gelegen tussen 19 en 21 november 2010 lag geen wettelijk voorgeschreven procedure ten grondslag, waardoor zijn vrijheidsbeneming in de zin van artikel 5 van het EVRM niet toereikend was.

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat – kort gezegd – de basis voor de vrijheidsbeneming tussen 19 en 21 november 2010 door de bepalingen van het UNCLOS werd gegeven. Meer in het bijzonder heeft artikel 105 van het UNCLOS in de visie van het openbaar ministerie een geldige rechtsbasis voor custody op grond van verdenking van piraterij kunnen vormen, die aan de eisen ingevolge artikel 5 van het EVRM voldoet. Volgens het openbaar ministerie is van enige schending van artikel 5 van het EVRM dientengevolge dan ook geen sprake.

Het hof stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep het volgende vast.

De verdachte is op 19 november 2010 op grond van artikel 105 van het UNCLOS aan boord gebracht van het marineschip de Hr. Ms. Amsterdam op verdenking van deelname aan piraterij en vervolgens staande gehouden door de commandant in afwachting van een beslissing van het openbaar ministerie.

Vooropgesteld wordt dat de detentie van de verdachte in de periode tussen 19 en 21 november 2010 is aan te merken als vrijheidsbeneming in de zin van artikel 5, eerste lid, onder c, van het EVRM.

De vraag die in het kader van artikel 5, eerste lid, van het EVRM beantwoord moet worden is of er een juridische basis is waarop de detentie van de verdachte kan worden gegrond voor de periode tussen het vastnemen van de verdachte op 19 november 2010 tot aan het moment dat hij op 21 november 2010 ter zake van overtreding van artikel 381 van het Wetboek van Strafrecht is aangehouden door de Nederlandse autoriteiten. Het antwoord op die vraag luidt bevestigend en ligt besloten in de twee hiervoor reeds genoemde verdragen waarbij Nederland partij is. Meer in het bijzonder zijn daartoe van belang artikel 105 van het UNCLOS en de artikelen 3 en 7 van het SUA.

Artikel 105 van het UNCLOS luidt – voor zover van

belang – als volgt:

“In volle zee of op andere plaatsen die buiten de rechtsmacht van enige Staat zijn gelegen, mag iedere Staat een piratenschip […] of een schip […] dat door piraten onderscheidenlijk kapers is overmeesterd en zich in hun macht bevindt, in beslag nemen, de personen aan boord arresteren en de goederen aan boord in beslag nemen. De gerechten van de Staat die de inbeslagneming heeft uitgevoerd, kunnen beslissen over de op te leggen straffen […]”

Artikel 3 van het SUA luidt – voor zover van belang – als volgt:

“1. Aan een strafbaar feit maakt zich schuldig hij die wederrechtelijk en opzettelijk:

(a) door geweld, bedreiging met geweld of enige andere vorm van vreesaanjaging een schip in zijn macht brengt of houdt;

[…]

2. Aan een strafbaar feit maakt zich eveneens schuldig hij die:

(a) een poging doet een in het eerste lid genoemd strafbaar feit te plegen;

[…]”

Artikel 7 van het SUA luidt – voor zover van belang – als volgt:

“1. Een Staat-Partij op het grondgebied waarvan de dader of de vermoedelijke dader zich bevindt, neemt deze, indien hij ervan overtuigd is dat de omstandigheden zulks wettigen, in overeenstemming met zijn wetgeving in hechtenis of neemt andere maatregelen ter verzekering van diens aanwezigheid gedurende de tijd die nodig is voor het instellen van strafvervolging of een uitleveringsprocedure.

[…]”

Het hof is van oordeel dat artikel 105 van het UNCLOS en de artikelen 3 en 7 van het SUA, in onderling verband en samenhang bezien, een toereikende basis vormen voor vrijheidsbeneming in de zin van artikel 5 van het EVRM.

Het vorenstaande leidt het hof tot de conclusie dat zowel het UNCLOS als het SUA een juridische basis hebben kunnen vormen voor de detentie van de verdachte voorafgaand aan zijn aanhouding. Van schending van artikel 5, eerste lid, van het EVRM is dan ook geen sprake, zodat het verweer in zoverre dient te worden verworpen.

Schending van artikel 6 van het EVRM

Recht op een eerlijk proces (lid 1)

De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden. Voor de grondslag van dit verweer verwijst het hof naar hetgeen hiervoor reeds onder de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is opgemerkt alsmede naar de pleitnotities van de raadsman. Het hof zal het verweer, voor zover het dit begrijpt, hierna bespreken.

Equality of arms

Het hof stelt voorop dat aan het recht op een eerlijke behandeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, naast andere beginselen, het door de verdediging nader genoemde beginsel van equality of arms ten grondslag ligt. Dit hier te beoordelen beginsel houdt in dat de verdachte dezelfde mogelijkheden moet hebben als de vervolgende instantie voor zover het de mogelijkheid betreft gegevens naar voren te brengen en het gepresenteerde onderzoeksmateriaal te betwisten.

Naar het hof begrijpt, is volgens de verdediging met name op ontoelaatbare wijze inbreuk op dit beginsel gemaakt bij zijn (verdere) vrijheidsbeneming. Immers, de verdachte had ten tijde van de aan de vrijheidsbeneming ten grondslag liggende vorderingen geen adequate rechtsbijstand en kon zich (derhalve) onvoldoende op die vorderingen voorbereiden en verweren.

Het recht getuigen te (doen) ondervragen (artikel 6, lid 3 sub d EVRM)

De verdediging heeft zich ter adstructie van de gestelde schending onder meer op het standpunt gesteld dat het recht om getuigen te (doen) ondervragen is geschonden, nu door de vrijlating van diverse andere personen, zoals T20 en, zo begrijpt het hof, de getuige T22, aan de verdachte de mogelijkheid is onthouden tot het horen van die personen als getuigen in zijn strafzaak ter verkrijging van eventuele ontlastende verklaringen. Door geen verklaringen van de desbetreffende getuigen op te nemen, heeft het openbaar ministerie met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte diens recht op het horen van getuigen à décharge geschonden en daarmee zijn recht op een eerlijke verdediging ernstig tekort gedaan. Nu deze omstandigheden de verdedigingsrechten zo fundamenteel beperken dient dit eveneens tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te leiden, aldus de verdediging.

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat – verkort en zakelijk weergegeven – het door de tijdsdruk en beperkte middelen aan boord van de Hr. Ms. Amsterdam niet mogelijk was om alle medeverdachten als getuige te horen. Daarbij heeft het openbaar ministerie in een later stadium nog extra inspanningen verricht om na te gaan of de gegevens van de heengezonden medeverdachten mogelijk elders bekend waren.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Vooropstaat dat de verdediging in beginsel de mogelijkheid dient te hebben om getuigen te ondervragen teneinde de betrouwbaarheid van de getuige, hetzij de (on)juistheid van de getuigenverklaring(en) aan te kunnen tonen. Het recht om getuigen à décharge te ondervragen is een uitvloeisel van het eerder genoemde equality of arms beginsel. Echter, niet elke, door de verdediging opgegeven, getuige moet ook worden opgeroepen, maar alleen voor zover dat nodig is om een equality of arms te bewerkstelligen.

Het niet als getuige horen en het heenzenden van de personen die met de verdachte zijn aangehouden, zijn in beginsel keuzes van de officier van justitie waarin deze binnen het opsporingsonderzoek vrij is. Zoals overwogen speelt daarbij de opportuniteit een rol, maar veelal ook een beoordeling van de haalbaarheid (de door het openbaar ministerie als reëel in te schatten kans dat een aangevangen vervolging daadwerkelijk leidt tot een veroordeling).

Blijkens het proces-verbaal van verhoor d.d. 22 november 2010 bij de inbewaringstelling werd de verdachte reeds vóór de heenzending van de andere personen bijgestaan door een rechtsgeleerd raadsman, die op de hoogte is geweest van de omstandigheid dat de desbetreffende personen niet werden vervolgd. Aldus was hij in de gelegenheid te verzoeken om de personen als getuigen te horen, doch heeft dit nagelaten. Mede nu de verdediging eerst in hoger beroep heeft verzocht de heengezonden personen als getuigen te horen, welk verzoek overigens door het hof is toegewezen, kan de omstandigheid dat zij niet door de verdediging zijn gehoord het openbaar ministerie dan ook niet worden tegengeworpen.

Naar het oordeel van het hof heeft het openbaar ministerie voldoende verantwoording afgelegd omtrent de gang van zaken bij de aanhoudingen van de verschillende verdachten in de onderhavige strafzaak en zijn motieven om een aantal verdachten in vrijheid te stellen. Daarna zijn er op verzoek van de verdediging na beslissingen van het hof tevens inspanningen door het openbaar ministerie verricht om de verblijfplaatsen van de door de verdediging opgegeven getuigen te achterhalen. Daarbij overweegt het hof dat getuigen die wel zijn getraceerd op de zitting in hoger beroep zijn gehoord dan wel door de rechter-commissaris, waarbij de verdediging ruimschoots in de gelegenheid is gesteld haar ondervragingsrecht te effectueren. Voorts ontvalt het belang van het verweer van de raadsman, voor zover dat betrekking heeft op het ten laste gelegde geweld in relatie tot de feitelijke gebeurtenissen rond de Floréal en de Choizil, nu de verdachte van die onderdelen van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.

Ten slotte overweegt het hof, ten overvloede, dat van doelbewuste of grove veronachtzaming van de belangen van de verdediging bij deze gang van, waardoor het fundamentele recht van de verdachte op een eerlijk proces zou zijn geschonden, niet is gebleken. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Ernstige vormverzuimen

De verdediging heeft voorts betoogd, kort gezegd, dat van enige vorm van consultatie van een raadsman of voorbereiding op, en daarmee van adequate rechtsbijstand en equality of arms bij, de vordering tot (verdere) vrijheidsbeneming van de verdachte geen sprake is geweest. Hierdoor is de verdachte niet de kans geboden om zich adequaat te verweren tegen alle aspecten van de beschuldiging en kan niet worden gesproken van een deugdelijke kans om de rechtmatigheid en gegrondheid van zijn vrijheidsbeneming door de rechter te laten toetsen. De verdachte had dan ook niet gehoord mogen worden tijdens de voorgeleiding.

Evenmin is de verdachte onverwijld en in een taal die hij verstaat geïnformeerd omtrent de redenen voor zijn aanhouding en alle tegen hem ingebrachte beschuldigingen.

Ten slotte is de verdachte niet, althans onvoldoende, in de gelegenheid gesteld zijn ondervragingsrecht uit te oefenen.

Volgens de verdediging is om deze redenen, zowel afzonderlijk als in onderling verband, sprake van zodanige vormverzuimen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in de vervolging van de verdachte.

Voor zover het hof begrijpt, heeft de verdediging aldus willen betogen dat er, op genoemde gronden, sprake was van schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 6 van het EVRM op geen van de door de verdediging aangevoerde punten is geschonden en dat de stellingen van de verdediging feitelijk onjuist zijn. Daartoe is aangevoerd dat alle verdachten blijkens het dossier - ondanks de belemmeringen in het opsporingsonderzoek en met inachtneming hun rechten – voorafgaand aan hun eerste verhoor overleg hebben kunnen voeren met een raadsman. Volgens het openbaar ministerie zijn de verdachten juist niet aan boord van de Hr. Ms. Amsterdam verhoord in verband met het recht op consultatie en rechtsbijstand en hebben de verhoren in Nederland plaatsgevonden, met tijdige kennisgeving aan en uitnodiging van de verdediging

Het hof overweegt hierover als volgt.

Het hof stelt voorop dat bij het beoordelen van vermeende verdragsrechtelijke schendingen acht geslagen dient te worden op de bijzonderheden van het geval en de procedure in zijn geheel.

De feiten en omstandigheden

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting leidt het hof in dit verband het volgende af.

Op 19 november 2010 is op grond van het UNCLOS de skiff waarop de verdachte zich bevond onderschept en is de verdachte met toestemming van de commandant der strijdkrachten en de officier van justitie aan boord van de Hr. Ms. Amsterdam genomen.19 In opdracht van de officier van justitie is het opgestelde bevel tot aanhouding op verdenking van zeeroof ex artikel 381 van het Wetboek van Strafrecht door de commandant van de Hr. Ms. Amsterdam op 21 november 2010 aangezegd aan de verdachte.20

Op 22 november 2010 heeft een verhoor inbewaringstelling plaatsgevonden, waarbij de verdachte werd bijgestaan door de raadsman mr. R. Heemskerk. De rechter-commissaris heeft op 22 november 2010 besloten de vordering inbewaringstelling ten aanzien van de verdachte voor een periode van veertien dagen toe te wijzen.21

Op 4 december 2010 is de verdachte voorgeleid bij de raadkamer van de rechtbank Rotterdam, bijgestaan door de raadsman mr. R. Heemskerk, en is besloten tot gevangenhouding voor de duur van negentig dagen van de verdachte.22 Het eerste inhoudelijke verhoor van de verdachte heeft plaatsgevonden op 9 december 2010; de latere verhoren werden gehouden op 14 december 2010, 4 januari 2011, 6 januari 2011 en 17 januari 2011.23

Blijkens de opgemaakte processen-verbaal zijn er geen audio- en/of video-opnamen van de verhoren gemaakt. Uit de opgemaakte processen-verbaal van respectievelijk 9 en 14 december 2010 (eerste en tweede verhoor van de verdachte, pagina VT17 001 en verder) blijkt dat - naast de cautie - aan de verdachte is medegedeeld dat hij zich kan laten bijstaan door een raadsman en dat de raadsman in kennis is gesteld van de verhoren. De raadsman wilde echter niet bij de verhoren aanwezig zijn.

Uit de processen-verbaal van 4 januari 2011, 6 en 17 januari 2011 blijkt voorts dat - naast de cautie - aan de verdachte is medegedeeld dat hij zich kan laten bijstaan door een raadsman. Volgens het proces-verbaal van 4 januari 2011 heeft de verdachte zijn raadsman voorafgaand aan dit verhoor gesproken en volgens het proces-verbaal van 17 januari 2011 was de raadsman van het verhoor in kennis gesteld.

Het hof stelt op basis van de voornoemde feiten en omstandigheden vast dat de verdachte reeds op 22 november 2010 effectief was voorzien van rechtsbijstand en voorafgaand aan zijn verhoren is gewezen op zijn consultatierecht en recht op rechtsbijstand. Het verweer van de verdediging mist op dit punt derhalve feitelijke grondslag.

De Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoren

Voor zover de verdediging zich op het standpunt stelt dat in strijd gehandeld zou zijn met de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor, mist dit standpunt feitelijke grondslag, nu uit bovengenoemd procesverloop blijkt dat reeds op 22 november 2010 (ruim vóór de inhoudelijke verhoren) aan de verdachte rechtsbijstand is verleend en op dezelfde datum door de rechter-commissaris een last tot toevoeging van een raadsman is verstrekt.

De inhoudelijke verhoren hebben daarna plaatsgevonden en ook toen was de verdachte voorzien van rechtsbijstand en werd de raadsman in ieder geval uitgenodigd voor het verhoor van 9 december 2010; daarmee is naar het oordeel van het hof voldoende uitvoering gegeven aan de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor.

Het recht zich te verdedigen en het recht op rechtsbijstand (artikel 6 lid 3 sub c EVRM)

Vooropgesteld moet worden dat een recht op rechtsbijstand in de zin van artikel 6, derde lid, onder c, van het EVRM ontstaat op het moment dat sprake is van een vervolging. De eerste vraag die daarom beantwoord moet worden, is op welk moment de vervolging in de zin van genoemd verdragsartikel is aangevangen.

Ingevolge inmiddels bestendige jurisprudentie kan de verdachte in beginsel aanspraak maken op rechtsbijstand vanaf het moment van zijn arrestatie en moet hij voorafgaand aan het eerste politieverhoor een raadsman kunnen consulteren. Belastende verklaringen die door de verdachte zijn afgelegd zonder bijstand van een raadsman of die later worden herroepen, mogen niet voor het bewijs worden gebruikt. Het afleggen van verklaringen zonder bijstand van een raadsman conflicteert pas met de eisen van artikel 6, derde lid, van het EVRM, wanneer ten aanzien van de verdachte sprake is van een significante beperking van vrijheid van handelen, zoals na zijn aanhouding of zijn detentie (zie: EHRM d.d. 18 oktober 2010, nr. 39660/02, Aleksandr Zaichenko).

In casu is pas voldaan aan dit vereiste op het moment voorafgaand aan het verhoor van de inbewaringstelling, te weten 22 november 2010, derhalve toen verdachte werd bijgestaan door zijn advocaat mr. R. Heemskerk. Het hof zal dan ook geen acht slaan op de verhoren van verdachte die voorafgaand aan deze datum zijn afgelegd en deze van het bewijs uitsluiten.

Het recht op informatie (artikel 6 lid 1, 3 sub a en b EVRM)

Ingevolge het bepaalde in artikel 6, derde lid, onder a, van het EVRM heeft een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, onverwijld in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, het recht op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging.

Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt het volgende.

Op 19 november 2010 is op grond van het UNCLOS de skiff waarop de verdachte zich bevond, onderschept en is de verdachte met toestemming van de commandant der strijdmachten aan boord van de Hr. Ms. Amsterdam genomen.24 De verdachte is vervolgens gewezen op de reden waarom hij staande is gehouden en ondergaat een korte medische controle door de scheepsarts.25

In opdracht van de officier van justitie is het opgestelde bevel tot aanhouding op verdenking van piraterij (ex. artikel 381 van het Wetboek van Strafrecht) door de commandant van de Hr. Ms. Amsterdam, op 21 november 2010 aangezegd aan de verdachte, met behulp van een tolk in de Somalische taal vertaald in een voor de verdachten begrijpelijke taal.26

Op 22 november 2010 heeft er een verhoor inbewaringstelling plaatsgevonden, waarbij de verdachte werd bijgestaan door de raadsman mr. R. Heemskerk. De officier van justitie heeft tijdens dit verhoor een vordering tot inbewaringstelling ingediend en toegelicht, waarbij eveneens een feitelijk uitgewerkte voorlopige tenlastelegging is opgenomen. De rechter-commissaris heeft op 22 november 2010 besloten de vordering inbewaringstelling ten aanzien van de verdachte voor een periode van veertien dagen toe te wijzen.27

Op 4 december 2010 is de verdachte voorgeleid bij de raadkamer van de rechtbank Rotterdam, bijgestaan door de raadsman mr. R. Heemskerk. Tijdens dit verhoor is zowel de onderschepping op 19 november 2010 als de kaping van de Choizil aan bod gekomen. De verdachte heeft hierover een verklaring afgelegd. Door de raadkamer is besloten tot gevangenhouding voor de duur van negentig dagen van de verdachte. Al hetgeen in raadkamer is gesproken of voorgelezen is door een tolk vertaald.28

Uit het vorenoverwogene volgt dat de verdachte op de hoogte is gesteld van zowel de aard en de redenen van de tegen hem ingestelde beschuldigingen als van de overtreden wettelijke bepalingen dienaangaande.

Het hof is derhalve van oordeel dat de verdachte aldus voldoende houvast is geboden om zijn verdediging en daarmee van zijn (verdere) vrijheidsbeneming voor te bereiden, mede in acht genomen de korte periode waarover de verdediging klaagt.

Het recht te beschikken over voldoende tijd en faciliteiten ter voorbereiding van de verdediging (artikel 6 lid 3 sub b EVRM)

Vooropgesteld met worden dat de verdachte enige tijd gegund moet worden om de verkregen informatie in zijn zaak te doorgronden en te verwerken.

Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep maakt het hof op dat verdachte reeds aan boord van de Hr. Ms. Amsterdam van rechtsbijstand is voorzien en ook eenmaal aangekomen in Nederland gedurende het gehele proces is bijgestaan door een raadsman. Voorts heeft de verdediging zodra de stukken beschikbaar waren toegang tot het procesdossier verkregen en voldoende tijd en faciliteiten gekregen om de verdediging voor te bereiden. De verdediging heeft niet althans onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit aannemelijk is geworden dat de verdediging over onvoldoende tijd en/of faciliteiten heeft beschikt ter voorbereiding van de verdediging van de verdachte.

Conclusie

Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie faalt in alle genoemde onderdelen. Ook in onderling verband en in samenhang bezien kan niet worden gezegd dat het openbaar ministerie met de vervolging van deze verdachten inbreuk heeft gemaakt op beginselen van behoorlijke procesorde. Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in zijn vervolging van de verdachten.

Het recht op een onpartijdige rechter (artikel 6 lid 1 EVRM)

De verdediging heeft zich, bij pleidooi en – herhaald - bij dupliek, subsidiair op het standpunt gesteld dat indien het openbaar ministerie geen (deugdelijk) antwoord geeft op vragen van de verdediging voor zover die betrekking hebbende op de gestelde inbreuken op een eerlijk proces, er geen sprake is geweest van behandeling van de zaak door een onpartijdig gerecht. Dit levert een schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM op.

De verdediging voert daartoe aan – zakelijk weergegeven – dat indien het openbaar ministerie ervoor kiest om de nader bij pleidooi geformuleerde verdedigingsvragen niet te beantwoorden, het hof daarvoor verantwoordelijk is en het hof daarmee de kennelijke bedoeling heeft de gebrekkigheid van de vervolgingsbeslissingen te bemantelen teneinde een oordeel over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te voorkomen. In dat geval, zo begrijpt het hof, wordt de verdachte zonder aanvaardbare reden beknot in zijn verdedigingsrechten. Daarmee is volgens de verdediging de conclusie gerechtvaardigd dat het hof vooringenomenheid jegens de verdachte koestert.

Het hof stelt voorop dat de verdediging aan de beweerde schending van het EVRM geen uitdrukkelijk verwoorde consequenties verbindt. Gesteld wordt immers slechts dat de (vermeende) inbreuk behoort “mee te wegen” (pleidooi, pagina 23) bij de beslissing van het hof. Het hof ziet in de door de verdediging gestelde schending ook ambtshalve geen aanleiding om daaraan enig rechtsgevolg te verbinden. De gestelde partijdigheid kan niet zonder meer volgen uit het standpunt van de verdediging dat het openbaar ministerie niet afdoende op de bij de verdediging levende vragen over het strafrechtelijk onderzoek zou hebben geantwoord, wat daar verder ook van zij.

Bijzondere omstandigheden die dat in deze zaak anders zouden (kunnen) maken zijn gesteld noch aannemelijk geworden.

Ten overvloede overweegt het hof nog dat de raadsman met het horen van de officier van justitie mr. Baan kennelijk beoogt de nodige informatie te verkrijgen ter onderbouwing van het verweer dat er onregelmatigheden hebben plaatsgevonden in het opsporingsonderzoek. Het hof stelt in dit verband voorop dat een officier van justitie in beginsel niet gedwongen mag worden als getuige opheldering te geven omtrent de overwegingen, beslissingen en handelingen die hij uit hoofde van zijn functie heeft gemaakt, genomen of verricht. Het als getuige horen van een lid van het openbaar ministerie kan slechts aan de orde komen indien hij zichzelf in de situatie heeft gebracht dat hij uit eigen waarneming of ondervinding iets kan zeggen over de in het vooronderzoek vastgestelde, of in elk geval onderzochte, feiten. Op grond van de aan het hof gebleken feitelijke omstandigheden in deze zaak is zulks evenwel niet aannemelijk geworden.

7. Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

8. De vordering van het openbaar ministerie en het standpunt van de verdediging

Choizil

Het openbaar ministerie heeft gevorderd - zakelijk weergegeven - dat het hof wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte wetenschap had van het feit dat het vaartuig waarop hij dienst deed, bestemd was tot en voorts daadwerkelijk is gebruikt voor het plegen van daden van geweld tegen de Choizil, haar bemanning en de op het schip aanwezige goederen (hierna: geweld tegen de Choizil) en dat hiermee de betrokkenheid van de verdachte bij die kaping is gegeven.

Daaraan heeft het openbaar ministerie – overeenkomstig het schriftelijke requisitoir - ten grondslag gelegd de verklaringen van de verdachte zelf, de medeverdachte T06, de getuige T20 en de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], die allen het slachtoffer zijn geweest van het incident, alsmede de foto’s van de verdachte aangetroffen op de sd-kaart.

De verdediging heeft betoogd dat – zakelijk weergegeven - onvoldoende bewijs voorhanden is dat het vaartuig waarop de verdachte dienst deed daadwerkelijk is gebruikt voor het plegen van daden van geweld tegen de Choizil. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat het enkele feit dat de skiff waarop de verdachte is aangehouden gelijkenis zou kunnen vertonen met de skiff waarmee de Choizil is gekaapt niets zegt over de eventuele betrokkenheid van de verdachte bij de kaping van de Choizil. Voorts hebben de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] de verdachte niet (voor 100%) herkend. Evenmin kunnen de verklaringen van getuige T20 als bewijs worden gebruikt, nu zijn verklaringen inconsistent en op meerdere essentiële punten tegenstrijdig zijn, wat met zich meebrengt dat de verklaringen onbetrouwbaar zijn.

De overige door het openbaar ministerie aangehaalde bewijsmiddelen zijn evenzeer onvoldoende specifiek om tot directe betrokkenheid van de verdachte bij de kaping van de Choizil te komen, aldus de verdediging.

Floréal

Het openbaar ministerie heeft gevorderd - zakelijk weergegeven - dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde deel inhoudende dat het vaartuig waarop de verdachte dienst deed daadwerkelijk is gebruikt voor het plegen van daden van geweld tegen de Floréal, haar bemanning en de zich daarop bevindende goederen.

De verdediging heeft ten aanzien van het gebruikte geweld tegen de Floréal eveneens vrijspraak bepleit, nu

– zakelijk weergegeven - onvoldoende bewijs voorhanden is dat het vaartuig waarop de verdachte dienst deed daadwerkelijk is gebruikt voor het plegen van daden van geweld tegen de Floréal, en het geweld dat zich heeft voortgedaan bovendien niet op volle zee heeft plaatsgevonden.

Overige (koopvaardij)vaartuigen

Het openbaar ministerie heeft gevorderd - zakelijk weergegeven - dat het hof wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte ten minste wetenschap had van het feit dat het vaartuig waarop hij dienst deed, bestemd was tot en voorts daadwerkelijk is gebruikt voor het plegen van daden van geweld tegen andere (koopvaardij)vaartuigen, de bemanning en de op het vaartuig aanwezige goederen. Daaraan heeft het openbaar ministerie – overeenkomstig het schriftelijke

requisitoir - ten grondslag gelegd de verklaringen van de verdachte zelf, zijn medeverdachten en de getuigen [getuige 1] en T22.

De verdediging heeft ten aanzien van het gebruikte geweld tegen overige (koopvaardij)vaartuigen vrijspraak bepleit, nu – zakelijk weergegeven - onvoldoende bewijs voorhanden is dat het vaartuig waarop de verdachte dienst deed daadwerkelijk is gebruikt voor het plegen van daden van geweld tegen (koopvaardij)vaartuigen.

Onderschepping

Het openbaar ministerie heeft gevorderd - zakelijk weergegeven - dat het hof wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte als schipper dienst heeft genomen en gedaan op een vaartuig dat bestemd was tot het plegen van daden van geweld tegen (koopvaardij)vaartuigen, de bemanning en de op het vaartuig aanwezige goederen, althans ten minste wetenschap had van het feit dat het vaartuig waarop hij dienst deed op het moment van aanhouding bestemd was tot het plegen van daden van geweld. Daaraan heeft het openbaar ministerie – overeenkomstig het schriftelijke requisitoir - ten grondslag gelegd de verklaringen van de verdachte, de medeverdachte T06 en de getuige T20, alsmede de informatie en bevindingen van de Koninklijke Marine.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld

– zakelijk weergegeven – dat bewezen kan worden dat de verdachte enkele dagen, dan wel weken, voorafgaand aan de onderschepping dienst heeft genomen, dan wel dienst heeft gedaan, op een vaartuig waarvan hij wist dat het bestemd was om in open zee daden van geweld te plegen tegen andere vaartuigen. De verdediging heeft evenwel bepleit

dat de verdachte niet als schipper aan boord was. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte weliswaar als stuurman verantwoordelijk was voor het besturen van de boot, maar niet feitelijk het bevel heeft gevoerd over de skiff.

9. Door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden en de beoordeling

Op grond van de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Choizil

Het hof is van oordeel dat de verklaringen van de getuige T20 onvoldoende betrouwbaar zijn om tot bewijs kunnen dienen dat de verdachte betrokken is geweest bij het tegen de Choizil gepleegde geweld. Het hof overweegt daarbij als volgt.

Het hof sluit allereerst niet uit dat T20 in de veronderstelling verkeerde dat, indien hij zou gaan praten, hij zou worden vrijgelaten, hetgeen hij heeft toegelicht tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris. Gezien de inhoud van dit verhoor bij de rechter-commissaris doelt T20 op zijn eerdere mededelingen omtrent een aantal leden van de zogenaamde groep van dertien die enige betrokkenheid zouden hebben gehad bij de kaping van de Choizil. De getuige T20 stelt nog echter bij de rechter-commissaris dat volgens hem geen mensen van de groep van dertien bij de kaping van het zeiljacht betrokken waren. Het hof stelt vast dat de eerdere door T20 tegenover de Marechaussee afgelegde verklaringen over de rol van de verdachte bij de kaping van de Choizil van horen zeggen zijn, terwijl de verdachte die rol uitdrukkelijk betwist. In zoverre zijn de verklaringen van T20 twijfelachtig en naar het oordeel van het hof onbruikbaar voor het bewijs dat de verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij de kaping van de Choizil.

Naar het oordeel van het hof is op basis van de overige zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep evenmin voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat de verdachte betrokken is geweest bij de kaping van de Choizil.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Dat de skiff die is aangetroffen door de Nederlandse marine dezelfde is als de door de Franse marine bij de Choizil aangetroffen skiff, zegt mogelijk iets over de betrokkenheid van die skiff bij het geweld dat tegen de Choizil is gebruikt. Dat enkele gegeven zegt echter niets over de mogelijke betrokkenheid van de verdachte daarbij. Skiff en bemanning zijn immers in dit onderzoek geen onlosmakelijke eenheden gebleken; veeleer bevat het dossier aanwijzingen dat de individuele skiffs door verschillende en wisselende groepen personen worden gebruikt.

Op de sd-kaart die onder T15 is aangetroffen, waarvan de verdachte heeft toegegeven dat deze sd-kaart op enig moment in zijn telefoon heeft gezeten, zijn enkele foto's aangetroffen waarop de getuige [getuige 1] zijn zeiljacht Choizil heeft herkend als de plek waar deze foto's zijn gemaakt. Op de sd-kaart staan ook foto's waarop de verdachte en een aantal van zijn medeverdachten zijn te zien en waarvan de verdachte heeft aangegeven dat hij deze met zijn telefoon heeft gemaakt. Deze laatste foto’s zijn gemaakt met een Sony Ericsson W595, het type van de onder de verdachte aangetroffen telefoon. De eerste foto's, die kennelijk op de Choizil zijn gemaakt, zijn daarentegen gemaakt met een Sony Ericsson type G900. Zeer onaannemelijk is derhalve dat de foto's waarop [getuige 1] de Choizil heeft herkend, met de telefoon van de verdachte zijn gemaakt. De feiten en omstandigheden ondersteunen daarentegen wel de verklaring van de verdachte dat hij zijn sd-kaart wel eens uitleende, welke verklaring door het aantreffen van de sd-kaart onder T15 eveneens wordt bevestigd.

Concluderend bieden deze feiten en omstandigheden geen ondersteuning voor de stelling dat de verdachte de fotograaf is van de foto's, die gemaakt zijn op de Choizil en dus ook geen ondersteuning voor de betrokkenheid van de verdachte bij de kaping van de Choizil en daarmee bij het geweld dat tegen dit schip is gebruikt.

Evenmin ziet het hof in de eigen verklaring van de verdachte ondersteuning voor zijn betrokkenheid bij de kaping van de Choizil, nu hij vanaf het moment van zijn aanhouding tot aan zijn verklaring als verdachte tijdens

het onderzoek ter terechtzitting iedere betrokkenheid bij het geweld tegen de Choizil heeft ontkend.

Bij die stand van zaken is het hof – anders dan het openbaar ministerie – van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de verdachte betrokken is geweest bij het tegen de Choizil gepleegde geweld, zodat de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging behoort te worden vrijgesproken.

Floréal

Het deel van de tenlastelegging inhoudende dat het vaartuig waarop de verdachte dienst deed

daadwerkelijk is gebruikt voor het plegen van daden van geweld tegen het Franse marineschip de Floréal, is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan – overeenkomstig de vordering van de advocaten-generaal en hetgeen door de verdediging is bepleit - dient te worden vrijgesproken.

Overige (koopvaardij)vaartuigen

Naar het oordeel van het hof is op basis van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep evenmin onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat het vaartuig waarop de verdachte dienst deed daadwerkelijk is gebruikt voor het plegen van daden van geweld tegen andere (koopvaardij)vaartuigen en de zich daarop bevindende personen en/of goederen.

Daartoe overweegt het hof dat de door de advocaten-generaal in hun requisitoir aangehaalde verklaringen onvoldoende specifiek zijn om tot bewijs te dienen dat de verdachte concreet betrokken is geweest bij gewelddadige incidenten tegen andere (koopvaardij)schepen of pogingen daartoe.

Dit brengt mee dat het hof - evenals de rechtbank - de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging zal vrijspreken vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

Onderschepping

Feitelijke gang van zaken

Zoals reeds onder 6. ‘De feiten en omstandigheden’ is uiteengezet blijkt, kort samengevat, het volgende.

Op 18 november 2010 neemt de helikoptereenheid van de Hr. Ms. Amsterdam waar dat een groep schepen wordt geformeerd en vertrekt van Koyaama Island. Deze situatie had volgens de waarnemers alle kenmerken van de formatie van een zogenaamde 'Pirate Action Group' (hierna: PAG). De PAG bestaat uit een whaler en vier skiffs. Twee skiffs zetten koers naar open zee en aangenomen wordt dat ook de whaler van koers verandert. Een dag later, te weten op 19 november 2010, wordt op volle zee dezelfde PAG waargenomen, nu bestaande uit een whaler en twee skiffs. De whaler is beladen met een groot aantal brandstofvaten. Kennelijk na het opmerken van de helikopter van de Hr. Ms. Amsterdam varen de twee skiffs met grote snelheid weg. Door de helikoptereenheid wordt waargenomen dat een van de opvarenden - naar later zal blijken de medeverdachte T06 - vanaf een van de skiffs een wapen, te weten een AK47, overboord gooit. Ook wordt gezien dat van diezelfde skiff een ladder overboord wordt gegooid. Kort daarna voltooit de Nederlandse marine de aanhouding van alle opvarenden van deze PAG. Alle opvarenden, in totaal dertien personen, zijn vervolgens aangehouden op verdenking van het plegen van zeeroof.

Beoordeling

De verdachte en de medeverdachte T06 hebben verklaard dat de gehele 'groep van dertien', waarvan zijzelf en de verdachte dus ook deel hebben uitgemaakt, op zee is gegaan met de bedoeling schepen te kapen. Deze bedoeling werd volgens hen geconcretiseerd door de betrokken whaler en skiffs te bevoorraden met brandstof, ladders en vuurwapens. Dit alles vond plaats op het strand van Baraawe en vervolgens ook op het strand van Koyaama Island. De medeverdachte T06 heeft daarbij verklaard dat de actie in een hotel te Baraawe werd voorbesproken. Ook de verdachte heeft verklaard dat hij in het hotel in Baraawe heeft gehoord dat het de bedoeling was schepen te gaan kapen.

Conclusie

Op grond van bovenstaande vastgestelde feiten en omstandigheden - ook in samenhang beschouwd - is naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat de verdachte deel uitmaakte van een groep personen die de intentie had om met elkaar schepen te kapen op volle zee. Het hof concludeert dan ook dat de verdachte wist dat het vaartuig waarop hij dienst nam en deed bestemd was voor het plegen van daden van geweld, zoals nader bewezen verklaard.

Schipper

Het openbaar ministerie heeft betoogd dat de verdachte als schipper moet worden aangemerkt in de zin van artikel 381, eerste lid, onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. De verdediging heeft, kort gezegd, betoogd dat de verdachte geen gezagvoerende functie op het schip had, zodat hij niet als schipper in de zin van de wet kan worden aangemerkt.

Het hof is van oordeel dat uit de vastgestelde feiten en omstandigheden niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte een zodanig gezagvoerende functie had op het schip (in casu een skiff), mede gelet op het bepaalde in artikel 85 van het Wetboek van Strafrecht, dat hij - in strafverzwarende

zin - als schipper in de zin van de wet kan worden aangemerkt. Het hof heeft bij dit oordeel betrokken dat kennelijk verschillende personen als stuurman optraden terwijl anderen bovendien betrokkenheid (konden) hebben bij de beslissingen die in het algemeen aan een gezagvoerder toekomen, terwijl ook de precieze taakverdelingen tussen de opvarenden van de skiff niet, althans onvoldoende, zijn komen vast te staan.

Het hof zal de verdachte derhalve van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Periode

Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat niet bewezen verklaard kan worden dat de verdachte ver voorafgaand aan zijn aanhouding al betrokken is geweest bij concrete daden van geweld tegen vaartuigen en de zich daarop bevindende personen en/of goederen. Nu het hof - evenals de rechtbank - van oordeel is dat het dossier evenmin specifieke en overtuigende bewijsmiddelen bevat dat de verdachte ver voorafgaand aan zijn aanhouding heeft dienstgenomen of dienstgedaan op een vaartuig dat bestemd was tot het plegen van daden van geweld tegen vaartuigen en de zich daarop bevindende personen en/of goederen, zal de verdachte van een groot deel van de ten laste gelegde periode worden vrijgesproken. Dit betreft de periode voorafgaand aan 15 oktober 2010. Deze datum is gebaseerd op de verklaringen van de verdachte en de medeverdachte T06 over hetgeen zich voorafgaand aan de aanhouding van de 'Pirate Action Group' (hierna: PAG) heeft afgespeeld: de reis naar Baraawe, het verblijf in het hotel aldaar, de reis naar Kismaayo en de reis naar en het verblijf op Koyaama Island.

10. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 15 oktober 2010 tot en met 19 november 2010, vanaf het vaste land van Somalië en/of vanaf de kust van Koyaama Island (Somalië), en/of in de territoriale wateren van Somalië, en/of in de Indische Oceaan, tezamen en in vereniging met anderen als schepeling heeft dienstgenomen en dienst gedaan op een vaartuig, dat bestemd was om in open zee daden van geweld te plegen tegen andere vaartuigen en/of tegen zich daarop bevindende personen en/of goederen, terwijl hij bekend was met deze bestemming zonder door een oorlogvoerende mogendheid daartoe gemachtigd te zijn of tot de oorlogsmarine van een erkende mogendheid te behoren.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

11. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

12. Bewijsmotivering

Uitleg ‘dienst nemen’

De bedoeling van de wetgever moet zijn geweest om ook gevallen waarin de schepeling dienst doet op een piratenschip onder het bereik van de strafbaarstelling van artikel 381 van het Wetboek van Strafrecht te brengen. Een redelijke uitleg van het begrip ‘dienst nemen’ in de strafbaarstelling van zeeroof door een schepeling brengt dan mee, dat hieronder mede wordt verstaan het ‘dienst doen’ op een piratenschip. Derhalve kan het bewezenverklaarde worden gekwalificeerd zoals hieronder vermeld.

Geen ‘machtiging’ of ‘oorlogsmarine’

Gesteld noch gebleken is dat de verdachte en zijn medeverdachten door een oorlogvoerende mogendheid tot hun daden zijn gemachtigd of dat zij tot de oorlogsmarine van een erkende mogendheid behoren.

Om die reden is gekomen tot de bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging.

13. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van zeeroof.

14. Strafbaarheid van de verdachte

Psychische overmacht

  

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich overeenkomstig zijn pleitnotities op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hem een beroep op psychische overmacht toekomt. Hij heeft hiertoe aangevoerd – kort en zakelijk weergegeven – dat de verdachte onder doodsbedreigingen jegens hem en zijn familie werd gedwongen tot het plegen van zeeroof. Er zou hierdoor sprake zijn van een drang of dwang waaraan de verdachte in redelijkheid geen weerstand kon bieden. Ten tijde van de verweten gedragingen zou de verdachte geen handelsalternatieven meer hebben gehad.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat een beroep op psychische overmacht slechts kan slagen wanneer sprake is van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Daarbij geldt dat de reactie op genoemde drang dient te voldoen aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat de verdachte geen beroep op overmacht toekomt, nu niet aannemelijk is geworden dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan onder invloed van een niet te weerstane drang of invloed van buiten.

Het hof neemt hiertoe in aanmerking dat de verdachte al vaker had deelgenomen aan zeeroof. Over zijn motief heeft de verdachte verklaard dat hij de piraterij was ingerold om geld te verdienen, dat hij vervolgens zou gebruiken om met zijn familie naar het platteland te verhuizen.

Naar het oordeel van het hof schetsen deze verklaringen van de verdachte een beeld van handelen en motieven dat zich niet laat rijmen met de stelling van de verdachte dat hij onder niet te weerstane dwang deelnam aan de bewezen verklaarde zeeroof. Daarbij komt dat verdachtes stelling noch steun vindt in het procesdossier, noch overigens wordt ondersteund.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden acht het hof de feitelijke grondslag van het verweer niet aannemelijk geworden. Mitsdien verwerpt het hof het beroep op psychische overmacht.

Nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die zijn strafbaarheid uitsluit, acht het hof de verdachte dan ook strafbaar.

15. Strafmotivering

De vordering

De advocaten-generaal hebben gevorderd dat de verdachte, als schipper, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft erop gewezen dat de verdachte niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor enig gepleegd geweld. Voorts heeft de verdediging verzocht in strafmatigende zin rekening te houden met de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte: de kansarme levensomstandigheden in Somalië, de extra zware detentieomstandigheden in een voor de verdachte vreemd land, het ontbreken van enig recht op voorwaardelijke invrijheidsstelling en de ernstige gevolgen die een gevangenisstraf van 18 maanden of meer zou meebrengen voor zijn mogelijke verblijfsstatus in Nederland.

De strafmotivering

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van het feit

De afgelopen jaren heeft er een groot aantal gevallen van piraterij plaatsgevonden van piraterij rondom de kuststreek van Somalië en de nabijgelegen internationale wateren. Door het gevaar van tegen schepen gerichte piraterij en gewapende overvallen is de veiligheid van de handelsroutes over zee en de internationale zeevaart onder druk komen te staan en daarmee ook de levering van humanitaire hulp in Somalië.

Met grote - ook internationale en militaire - inspanningen wordt getracht de piraterij een halt toe te roepen.

Het is duidelijk dat de piraten uit zijn op de afpersing van grote sommen geld als losgeld voor gegijzelde bemanningsleden en gekaapte schepen. De opbrengsten worden kennelijk ook geïnvesteerd in professionele middelen om de zeeroof uit te breiden.

Tegen deze achtergrond vraagt de ernst van de bewezen verklaarde feiten om oplegging van forse gevangenisstraffen, waarbij de - ook internationale - uitstraling van de berechting en bestraffing een strafverzwarend effect moet hebben om een duidelijk signaal af te geven.

Anders dan het openbaar ministerie is het hof – zoals hiervoor reeds overwogen - van oordeel dat uit de vastgestelde feiten en omstandigheden onvoldoende kan worden afgeleid dat de verdachte – in strafverzwarende zin - heeft opgetreden als schipper, zoals bedoeld in de artikelen 85 en 381 van het Wetboek van Strafrecht.

De persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Het hof heeft daarnaast, evenals de rechtbank, acht geslagen op het volgende.

De verdachte is afkomstig uit Somalië. Het is algemeen bekend dat Somalië een onveilig land is, zonder effectief centraal gezag. Strijdende partijen vechten hun conflicten uit in een sfeer van straffeloosheid, bij welke conflicten reeds veel burgerslachtoffers zijn gevallen. Daarbij worden de mensenrechten met voeten getreden en wordt Somalië geteisterd door droogte en ernstige hongersnood.

Het hof is niet in staat voldoende duidelijkheid te verkrijgen over de door de verdachte aangevoerde persoonlijke omstandigheden, maar deze zijn zonder twijfel schrijnend en in die zin van enige, zij het tegenover de ernst van de feiten marginale, betekenis.

Vergelijkbare gevallen

Bij de bepaling van de strafmaat heeft het hof in meer algemene zin getracht aansluiting te zoeken bij min of meer vergelijkbare strafzaken. Daarbij moet overigens worden bedacht dat daarin slechts een beperkt aanknopingspunt kan worden gevonden, gelet op het geringe aantal vergelijkbare zaken dat in Nederland, maar ook daarbuiten, is berecht.

De straf

Al met al komt het hof tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden.

Ten overvloede merkt het hof daarbij nog op dat tegen de achtergrond van de strafmaatoverwegingen de redenen om de door de verdediging bepleite beperking van de straf tot maximaal 17 maanden en 29 dagen beduidend te licht zijn bevonden.

De omstandigheid dat thans niet geheel duidelijk is in hoeverre de verdachte te zijner tijd in aanmerking komt voor vervroegde invrijheidsstelling en onder welke voorwaarden brengt mee dat het hof daarmee bij de strafoplegging thans geen rekening houdt.

16. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47 en 381, aanhef en lid 1 sub 2, van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

17. BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. T.E. van der Spoel,

mr. R.A.Th.M. Dekkers en mr. S. van Dissel, in bijzijn van de griffiers mr. N.R. Achterberg en mr. A. Vasak.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 december 2012.

1 Proces-verbaal 27-280857, dossierpagina 002.

2 Proces-verbaal 27-280857 A 004, dossierpagina A006.

3 Verslag onderschepping piratengroep op 19 november 2010, dossierpagina B02 015-017.

4 Proces-verbaal 27-280857 A 004, dossierpagina A 005-006.

5 Proces-verbaal 27-280857 B05 001, dossierpagina B05 001-006.

6 Proces-verbaal van bevindingen 060320120900BEV148 d.d. 7 maart 2012.

7 Rapport van aanzeggen aanhouding, dossierpagina A001 en bevel tot bewaring, d.d. 22 november 2010, los in het dossier.

8 Verslag onderschepping piratengroep op 23 november 2010, dossierpagina B03 019.

9 Proces-verbaal 27-280857 A 004, dossierpagina A 007.

10 Rapport van aanzeggen aanhouding, dossierpagina A002.

11 Proces-verbaal van verhoor getuige A, dossierpagina G01 002.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige 0232684, dossierpagina B06 001.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige T20, dossierpagina G04 010 e.v.

14 Rapport van aanzeggen aanhouding, dossierpagina A003 + Bevel tot bewaring, d.d. 22 november 2010, los in het dossier.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige 1, dossierpagina G03 002.

16 Proces-verbaal van verhoor getuige 1, dossierpagina G03 027.

17 PV 27-280857 A 004, dossierpagina A004.

18 Zie ook: LJN: AE4747[0]

19 Dossier A004-A005

20 Rapport aanzegging van aanhouding, A001.

21 Proces-verbaal verhoor IBS, d.d. 22 november 2010, los in dossier

22 Stukken voorlopige hechtenis, los in dossier.

23 VT17001, VT17007, VT17013, VT17021, VT17023.

24 Verslag onderschepping piratengroep op 19 november 2010, B02 017.

25 Verslag onderschepping piratengroep op 19 november 2010, B02 017.

26 Rapport van aanzeggen aanhouding, A 001.

27 Proces-verbaal verhoor IBS, d.d. 22 november 2010, los in dossier.

28 Verhoor in raadkamer en Bevel gevangenhouding, los in het dossier.