Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY6877

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-12-2012
Datum publicatie
20-12-2012
Zaaknummer
22-003319-08 PO
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wederrechtelijk verkregen voordeel door onder meer ambtelijke omkoping. Het hof stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 101.106,91. Het hof ziet –anders dan de advocaat-generaal- in het feit dat sprake is van navorderingsaanslagen die tegen een hoger tarief zijn belast dan zij op het moment van terugbetaling van het wederrechtelijk voordeel, wanneer de veroordeelde een lager inkomen zal hebben, kunnen worden teruggevorderd, aanleiding het door de veroordeelde aan de Staat te betalen bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te matigen. Ook de overschrijding van de redelijke termijn geeft aanleiding tot matiging. Het hof legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 60.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-003319-08 PO

Parketnummer: 09-993159-06

Datum uitspraak: 17 december 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 juni 2008 in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde:

[Veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1958,

[adres].

Procesgang

Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank te 's-Gravenhage van 4 juni 2008 is de veroordeelde, ter zake van het in zijn strafzaak onder 1 primair, 2 primair en 3 bewezen verklaarde, gekwalificeerd als:

als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening is gedaan, meermalen gepleegd

en

medeplegen van valsheid in geschrift,

veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met een proeftijd van twee jaren.

De in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie houdt in dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal € 101.107,21 (honderd een duizend honderd zeven euro en eenentwintig eurocent), ter ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit de in zijn strafzaak onder 1 primair, 2 primair en 3 bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij vonnis van 4 juni 2008 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 101.107,21 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 101.107,21.

Namens de veroordeelde is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 3 december 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

De vordering in hoger beroep

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 101.106,91 en tot oplegging van de verplichting aan de veroordeelde tot betaling van € 98.000,00 aan de Staat.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Uit het onderhavige dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep komt naar voren dat de veroordeelde uit het bewezen verklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.

Het hof beschouwt als grondslag van de vordering voormelde feiten, waarvoor de veroordeelde is veroordeeld bij het hierboven genoemde vonnis in zijn strafzaak van 4 juni 2008.

Voor wat betreft de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal het hof bij de vaststelling daarvan aansluiten bij hetgeen de rechtbank dienaangaande in het beroepen vonnis heeft overwogen. Met dien verstande dat het hof uitgaat van een bedrag van in totaal € 7.548,09 aan onderhoudskosten van twee auto's (zie proces-verbaal van ambtshandeling, dossiernummer 37681, codenummer A-H 41, pagina 5) in plaats van het door de rechtbank in de bewijsmiddelen onder 'resumerend' gebezigde bedrag van € 7.548,38. Voorts is er een gering verschil, € 0,01, voortkomend uit de afronding na omrekening van guldens in euro's inzake de caravan.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof met de rechtbank het navolgende af.

Bouwbedrijf [A] heeft in de periode van 1 januari 2000 tot en met 28 juni 2006 aan de veroordeelde meerdere giften gedaan van aanzienlijke omvang. De veroordeelde heeft van voornoemd bouwbedrijf een caravan, alsmede een aanbouw aan zijn woning gekregen. Daarnaast heeft de veroordeelde op kosten van dit meerdere malen diesel getankt in zijn privéauto. Bouwbedrijf [A] heeft door toedoen van de veroordeelde de facturen aan de werkgever van de veroordeelde, te weten de gemeente [plaatsnaam], kunstmatig opgehoogd volgens het zogenaamde verschrijven. Aan de facturen van [A] liggen kostenstaten ten grondslag. Op deze kostenstaten worden de verbruikte hoeveelheden en uren tegen contractueel vastgelegde eenheidsprijzen vermeld. Door de veroordeelde werden de kostenstaten op een aantal punten opgehoogd en ter goedkeuring afgetekend. Aan de hand van deze kostenstaten werden door [A] facturen opgemaakt voor de gemeente [plaatsnaam]. De gemeente [plaatsnaam] heeft op deze wijze, zonder dat zij daar zelf weet van had, de caravan en de uitbouw van de woning van de veroordeelde betaald aan [A]. [A] heeft middels [medewerker 1] en/of [medewerker 2] de volgende giften aan de veroordeelde gedaan:

1. Een caravan, merk Adria B+ 502 UP in mei 2001

2. Een aanbouw inclusief heiwerk aan zijn woning [adres] te [plaatsnaam] in 2002.

Daarnaast heeft Baggerbedrijf [B] een aanzienlijke financiële bijdrage geleverd in de aanschaf van twee auto's door de veroordeelde, een Peugeot 406 Break en een Ford Ka, en heeft de veroordeelde op kosten van genoemd baggerbedrijf onderhoud aan zijn auto's laten verrichten.

Ter zake van deze omkoping heeft de rechtbank in de strafzaak bewezen verklaard dat:

1 primair:

hij op tijdstippen in de periode van 1 april 2001 tot en met 27 juni 2006 te Gouda en Haastrecht en te Vlist, als ambtenaar, te weten beleidsmedewerker civiele techniek van de gemeente [plaatsnaam], giften, te weten

- enig geldbedrag ten behoeve van de aanschaf van een caravan ter waarde van fl. 19.300,= en

- een verbouw aan zijn woning aan de [adres], ter waarde van € 74.289,47 en

- diesel

heeft aangenomen, wetende dat deze giften hem werden gedaan, teneinde hem te bewegen om in strijd met zijn plicht en zijn bediening iets te doen, immers heeft verdachte toen en aldaar geaccepteerd dat het aannemersbedrijf [A] een bedrag van f. 19.300,= heeft betaald aan [C] te Woerden voor de aankoop van een caravan en geaccepteerd dat aannemersbedrijf [A] een bedrag van € 74.289,47 heeft betaald aan [D] te Gouda ten behoeve van de verbouw van zijn, verdachtes, woning en geaccepteerd dat hij diesel mocht tanken bij aannemersbedrijf [A] te Gouda zonder daarvoor te betalen, terwijl hij wist dat deze giften hem waren gedaan om hem te bewegen in strijd met zijn plicht als ambtenaar van de gemeente [plaatsnaam] iets te doen, te weten

- het in standhouden of verbeteren van de zakelijke relaties met ambtenaren van de gemeente [plaatsnaam].

2 primair:

hij in de periode van 1 april 2001 tot en met 27 juni 2006 te Haastrecht en Vlist en te Ouderkerk aan de IJssel, als ambtenaar, te weten beleidsmedewerker civiele techniek van de gemeente [plaatsnaam], giften, te weten

- een personenauto, merk Peugeot 406 Break (kenteken [kentekennummer 1]) en

- een personenauto, merk Ford Ka, (kenteken [kentekennummer 2]) en

- onderhoudskosten, van de personenauto van hem, verdachte, van het merk Peugeot, kenteken [kentekennummer 1], heeft aangenomen,

wetende dat deze giften hem werden gedaan, teneinde hem te bewegen om in strijd met zijn plicht en zijn bediening iets te doen, immers heeft verdachte toen en aldaar geaccepteerd dat [B] een bedrag van € 7.211,40 en een geldbedrag van € 3.300,= heeft betaald aan [E] en [F] voor de aankoop van personenauto's en geaccepteerd dat [B] geldbedragen heeft betaald aan [F] ten behoeve van facturen met betrekking tot het onderhoud van zijn, verdachtes, personenauto, terwijl hij wist dat deze giften hem waren gedaan om hem te bewegen in strijd met zijn plicht als ambtenaar van de gemeente [plaatsnaam] iets te doen, te weten

- het in standhouden of verbeteren van de zakelijke relaties met ambtenaren van de gemeente [plaatsnaam].

Het hof neemt de kosten voor het onderhoud van de auto's van de veroordeelde voor een bedrag van € 7.548,09 mee in de berekening.

Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 101.106,91 (honderd een duizend honderd zes euro en eenennegentig eurocent).

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

De vaststelling van de betalingsverplichting

Caravan, aanschaf personenauto's en onderhoudskosten

Namens de veroordeelde is -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat de veroordeelde werkzaamheden heeft verricht voor bouwbedrijf [A] en [B] en dat de onder de posten 'aanschaf van Peugeot en Ford Ka' en 'onderhoudskosten', opgenomen bedragen voor matiging in aanmerking komen. Ter zake van de waarde van de caravan acht de verdediging, gelet op de door de veroordeelde verrichte werkzaamheden, een matiging tot de helft van het thans opgenomen bedrag reëel.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de veroordeelde op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij buiten zijn werkzaamheden als ambtenaar bij de gemeente [plaatsnaam] werkzaamheden voor genoemde bedrijven heeft verricht. Aan deze stelling zal derhalve voorbij worden gegaan.

Fundering en uitbouw woning te [woonplaats]

De veroordeelde betwist dat de waardevermeerdering van zijn woning kan worden geschat op het bedrag waarvoor de meervoudige strafkamer in de rechtbank te 's-Gravenhage dit heeft becijferd (totaal € 74.289,47). Dit bedrag dient dan ook gematigd te worden tot het bedrag als vermeld op de offerte, te weten € 49.363,60 exclusief 19% BTW; het uitgevoerde meerwerk zou niet bij het wederrechtelijk verkregen voordeel moeten worden betrokken.

Dienaangaande overweegt het hof als volgt. De maatregel zoals neergelegd in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht strekt er toe te bereiken dat de veroordeelde in de vermogenspositie wordt gebracht die zou hebben bestaan indien hij niet onrechtmatig had gehandeld. In casu betreft het een besparing van kosten, welke kosten betrokkene anders uit andere, legale, middelen had moeten voldoen. Een berekening van de huidige marktwaarde is in de onderhavige kwestie in strijd met de ratio van de ontneming. Het hof gaat hier dan ook aan voorbij.

Fiscaliteit: navorderingsaanslagen 2001 en 2002

De veroordeelde heeft ter zake van het wederrechtelijk verkregen voordeel een tweetal navorderingsaanslagen ontvangen van in totaal € 49.470,00. Namens de veroordeelde is aangevoerd dat een cumulatie van een ontnemingsmaatregel en fiscale aanslagen ertoe kan leiden dat de veroordeelde uiteindelijk een bedrag betaalt dat de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel te boven gaat. De verdediging verzoekt dan ook, gelet op de draagkrachtpositie van de veroordeelde en het feit dat hij een bedrag van bijna € 50.000,00 aan de belastingdienst heeft voldaan, de vordering op een door het hof nader aan te geven wijze te matigen.

Het hof ziet -anders dan de advocaat-generaal- in dit fiscale aspect, te weten dat de navorderingsaanslagen tegen een hoger tarief zijn belast dan zij op het moment van terugbetaling van het wederrechtelijk voordeel, wanneer de veroordeelde een lager inkomen zal hebben, kunnen worden teruggevorderd, aanleiding het door de veroordeelde aan de Staat te betalen bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te matigen.

Overschrijding van de redelijke termijn

Het hof stelt met de advocaat-generaal vast dat er sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het hof neemt hierbij in aanmerking de overschrijding van de termijn tussen het instellen van het hoger beroep op 17 juni 2008 en de inzending van het dossier naar het hof op 14 januari 2010. Voorts neemt het hof hierbij in aanmerking de overschrijding van de termijn tussen het vonnis van 4 juni 2008 en de onderhavige uitspraak op 17 december 2012.

Het hof zal bij de vaststelling van het te betalen ontnemingsbedrag rekening houden met de schending van de redelijke termijn door de terugbetalingsverplichting te verminderen met een bedrag van € 5.000,00.

Gelet op het bovenstaande zal het hof aan de veroordeelde ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 60.000,00 (zestigduizend euro) opleggen.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 101.106,91 (honderd een duizend honderd zes euro en eenennegentig eurocent).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 60.000,00 (zestigduizend euro).

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht, mr. A.A. Schuering en mr. G.P.A. Aler, in bijzijn van de griffier mr. M.J.J. van den Broek.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 december 2012.

Mr. G.P.A. Aler is buiten staat dit arrest te ondertekenen.