Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY6586

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
22-002581-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-002581-12

Parketnummer: 10-691263-11

Datum uitspraak: 19 december 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 5 december 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren, waarbij naast de algemene voorwaarden de bijzondere voorwaarden zijn opgelegd dat het de verdachte zich gedurende de proeftijd niet is toegestaan het voetbalstadion "de Kuip" en het/de daarbij omringend(e) (parkeer)terrein(en) te betreden waarin een voetbalwedstrijd wordt gespeeld van de betaalde voetbalorganisatie Feyenoord in het kader van enige door de KNVB of de internationale voetbalbond georganiseerde competitie. Voorts zijn beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, één en ander zoals nader in het vonnis waarvan beroep omschreven.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 september 2011 te Rotterdam op of aan de openbare weg, het Van Zandvlietplein, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen het Maasgebouw en/of één (of meer) lid/leden van de Mobiele Eenheid en/of een of meer (andere) politieagenten en/of beveiligingsmedewerker(s) werkzaam in/bij het Maasgebouw en/of een of meer andere toen daar bij het Maasgebouw aanwezige personen en/of een of meer toen daar bij het Maasgebouw geparkeerd staande auto's, welk geweld bestond uit het

- bestormen van het Maasgebouw, en/of

- slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen en/of duwen tegen de glazen gevel en/of (een) deur(en) van het Maasgebouw, en/of

- gooien van vuurwerk en/of (een) rookbom(men) en/of (een) ste(e)n(en) en/of vuilnisbak(ken)/prullenbak(ken) en/of asbak(ken), althans een (of meer) (zware en/of) hard(e) voorwerp(en), in/tegen, althans in de richting van, het Maasgebouw en/of tegen/naar/in de richting van die leden van de Mobiele Eenheid en/of die politieagenten en/of die beveiligingsmedewerker(s) en/of die toen daar aanwezige andere personen waarbij een (hard en/of zwaar) voorwerp tegen het hoofd van een beveiligingsmedewerker aankwam, en/of

- (meermalen, althans eenmaal) rammen/slaan met een (metalen) pijp/buis op een glazen deur van het Maasgebouw en/of (aldus) kapot slaan van die glazen deur en/of(vervolgens) gooien van die pijp/buis in de richting van die beveiligingsmedewerker(s) en/of leden van de Mobiele éénheid en/of politieagenten en/of toen daar aanwezige andere personen, waarbij die pijp tegen een been van een lid van die Mobiele Eenheid aankwam en/of

- afbreken van, althans slaan/stompen tegen en/of trekken aan (een) spiegel(s) van die toen daar geparkeerd staande auto's;

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Gevoerde verweren betreffende de opsporingsberichtgeving

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw - overeenkomstig haar overgelegde pleitnotities - betoogd dat het dossier geen gegevens bevat waaruit blijkt of en in hoeverre de Aanwijzing opsporingsberichtgeving is nageleefd, hetgeen dient te leiden tot bewijsuitsluiting. Voorts heeft de raadsvrouw - eveneens onder verwijzing naar haar overgelegde pleitnotities - betoogd dat voor het tonen van de beelden een wettelijke basis ontbreekt, er gehandeld is in strijd met het nemo tenetur-beginsel en er geen, althans onvoldoende, noodzakelijkheid was voor de opsporingsberichtgeving. Ook vanwege deze redenen is er sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Dit dient tot bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering te leiden.

Het hof overweegt ten aanzien van deze verweren het navolgende.

Gelet op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Aanleiding tot de opsporingsberichtgeving

Op zaterdag 17 september 2011 heeft voorafgaand aan de voetbalwedstrijd Feyenoord - De Graafschap een demonstratie plaatsgevonden tegen het bestuur van Feyenoord. Een groep van ongeveer 300 personen heeft deze demonstratie verlaten en heeft zich begeven naar het Maasgebouw aan het Van Zandvlietplein op het terrein van het Feyenoordstadion. Deze groep personen was van plan het Maasgebouw te bestormen. Daarnaast hebben zij uiting aan hun ongenoegen gegeven door met stenen, vuurwerk en prullenbakken in de richting van het Maasgebouw te gooien. In het Maasgebouw stond de politie om hen tegen te houden. Uiteindelijk werd een toegangsdeur vernield. Door aanwezige politieagenten is hun dienstwapen getrokken.

Bij deze ongeregeldheden bij het Maasgebouw zijn camerabeelden veiliggesteld. De beelden zijn door de politie bekeken teneinde tot herkenning te komen van één of meer verdachten. De onderhavige verdachte, zichtbaar op de beelden, werd hierbij niet herkend. Op 20 september 2011 zijn deze beelden van de verdachte op het intranet van de politie geplaatst om een herkenning door de overige opsporingsambtenaren mogelijk te maken. De verdachte is daarbij eveneens niet herkend. Daarop zijn op 27 september 2011 de beelden getoond in het programma Opsporing Verzocht, op een openbare website van de politie en is de beeltenis van de verdachte van 30 september tot 1 oktober 2011 getoond op zogenaamde digiborden in het centrum van Rotterdam.

De toelaatbaarheid van de opsporingsberichtgeving

Bij de inzet van opsporingsberichtgeving kan sprake zijn van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, ook wel het privéleven, dat wordt beschermd door artikel 8 van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Dat is met name het geval als in het opsporingsbericht tot de persoon herleidbare gegevens worden gebruikt. Een dergelijke inbreuk is slechts toegestaan als deze bij wet is voorzien. Dezelfde waarborg is neergelegd in artikel 10 van de Grondwet.

De bevoegdheid tot het inzetten van het opsporingsmiddel opsporingsberichtgeving is niet expliciet opgenomen in het Wetboek van Strafvordering, maar valt onder de algemene bepalingen van de artikelen 141 en 148 van het Wetboek van Strafvordering waarin is bepaald dat de officier van justitie is belast met de opsporing van strafbare feiten en in dat kader bevelen kan geven aan overige personen die met de opsporing zijn belast.

Voorts kan aan het bepaalde in artikel 19 aanhef en sub a van de Wet politiegegevens (Wpg) een wettelijke grondslag worden ontleend voor het door de politie ter beschikking stellen aan derden (waaronder de audio-visuele media) van het door middel van (beveiligings)camera's verkregen beeldmateriaal. Gesteld noch gebleken is dat de politie en/of het openbaar ministerie zich niet aan de eisen die bij of krachtens de Wpg worden gesteld voor de verwerking van zodanige politiegegevens hebben gehouden.

In de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving (2009A004, stcr. 2009,51, hierna: de Aanwijzing) worden de regels en waarborgen rond de inzet van opsporingsberichtgeving nader gepreciseerd. Deze aanwijzing ziet op diverse vormen van berichtgeving, waaronder het tonen van berichten op de tv, op internet en op publieke beeldschermen, zoals digiborden. De regeling behelst - kort en zakelijk weergegeven - de wijze waarop het openbaar ministerie ten behoeve van de opsporing informatie, waaronder nadrukkelijk ook beeld- en geluidsmateriaal, aan haar mediapartners kan verstrekken. Voorafgaand aan de inzet van opsporingsberichtgeving moet de hoofdofficier van justitie, op voorstel van de (zaaks)officier, toestemming geven. De hoofdofficier van justitie onder wiens gezag het opsporingsonderzoek plaatsvindt, is verantwoordelijk voor de plaatsing en de inhoud van het opsporingsbericht. Bij de opsporing van een onbekende dader dient vervolgens te worden nagegaan of het een feit betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Bovendien dient het openbaar ministerie een bewuste belangenafweging te maken, in de regel de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde enerzijds en de persoonlijke levenssfeer anderzijds. Opsporingsberichtgeving kan de persoonlijke levenssfeer of andere belangen van betrokkenen raken. De zwaarte van het in te zetten middel dient in verhouding te staan tot het beoogde doel. Hierbij speelt de ernst van het gepleegde delict een rol. Ten slotte geldt dat, indien het doel ook met een voor de verdachte minder belastend middel kan worden bereikt, voor dat middel dient te worden gekozen.

Gelet op het vorenoverwogene overweegt het hof als volgt. Allereerst stelt het hof vast dat de verdachte werd verdacht voor een feit - artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht - waarbij overeenkomstig het gestelde in artikel 67, eerste lid onder a van het Wetboek van Strafvordering, voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast stelt het hof vast dat de inzet van opsporingsberichtgeving zoals hier aan de orde is geweest een onmiskenbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte heeft opgeleverd. Naar het oordeel van het hof is in de onderhavige zaak van betekenis dat de gebeurtenissen bij het Maasgebouw in de volle openbaarheid hebben plaatsgevonden en de rechtsorde ernstig hebben geschokt, in die zin dat er grote beroering in de maatschappij is ontstaan. Voorts is van belang dat de deelnemers aan de rellen bij het Maasgebouw door de politie in diverse media zijn opgeroepen om zich te melden, bij gebreke waarvan zou worden overgegaan tot het tonen van de opgenomen beelden op internet, in het televisieprogramma Opsporing Verzocht, op internet en op zogenaamde digiborden in het centrum van Rotterdam. De verdachte heeft zich, ondanks die oproepen daartoe, niet gemeld. Bij deze omstandigheden is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie in de belangenafweging tot de uitkomst heeft kunnen komen waartoe het openbaar ministerie is gekomen en dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte proportioneel is geweest. Het belang van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dient naar 's-Hofs oordeel in deze omstandigheden te prevaleren boven het persoonlijk belang van de verdachte.

Tot slot overweegt het hof met betrekking tot de vereiste toestemming van de hoofdofficier van justitie in het bijzonder het navolgende.

Buiten het op pagina 2 van de binnengekomen appelmemorie inhoudende de grieven van het openbaar ministerie d.d.

1 juni 2012, beschikt het hof niet over een proces-verbaal van bevindingen waaruit deze toestemming blijkt. Hoewel het hof van oordeel is dat het openbaar ministerie gehouden was om een bovengenoemd proces-verbaal van bevindingen op te maken zal het hof uitgaan van de juistheid van de op 2 juni 2011 binnengekomen appelmemorie. Derhalve is naar het oordeel van het hof voldaan aan alle formele eisen die de Aanwijzing stelt. Het verweer van de raadsvrouw wordt in zoverre verworpen.

Anders dan de verdediging is het hof gezien het voorgaande van oordeel dat artikel 8 EVRM niet is geschonden door de inzet van de hierboven bedoelde opsporingsberichtgeving, nu de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte berust op een wettelijke grondslag. Daarnaast kan de inbreuk in het onderhavige geval, gelet op het reeds hierboven overwogene, noodzakelijk en derhalve proportioneel worden geacht in het belang van de openbare veiligheid en ter voorkoming van strafbare feiten.

Ten slotte dient te worden bedacht dat, voor zover al sprake zou zijn van een schending van artikel 8 EVRM, dat niet zonder meer meebrengt dat inbreuk wordt gemaakt op de in artikel 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces. (vergelijk LJN:BL7688, HR, 21-12-2010).

Dat de verdachte voor de keus is gesteld zich ofwel te melden bij de politie ofwel het risico te lopen voorwerp te worden van opsporingsberichtgeving levert - anders dan de verdediging suggereert - geen strijd op met het nemo-tenetur-beginsel. Hierdoor is immers de keuzevrijheid van de verdachte om zijn eigen proceshouding te bepalen niet zodanig ingeperkt dat aan de verdachte de verplichting is opgelegd aan de eigen veroordeling mee te werken. Ook is hierdoor geen ongeoorloofde druk op hem uitgeoefend.

Gelet op het vorenoverwogene is er naar het oordeel van het hof geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De verweren van de raadsvrouw worden mitsdien verworpen: zowel voor wat betreft de bewijsuitsluiting als voor wat betreft de strafmatiging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 17 september 2011 te Rotterdam op de openbare weg, het Van Zandvlietplein, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen het Maasgebouw en politieagenten en een beveiligingsmedewerker werkzaam in/bij het Maasgebouw, welk geweld bestond uit het

- bestormen van het Maasgebouw, en

- slaan of stompen of schoppen of trappen of duwen tegen de glazen gevel en een deur van het Maasgebouw, en

- gooien van vuurwerk en rookbommen en stenen en prullenbakken, tegen, het Maasgebouw en in de richting van die politieagenten en die beveiligingsmedewerker waarbij een hard voorwerp tegen het hoofd van een beveiligingsmedewerker aankwam, en

- rammen met een pijp op een glazen deur van het Maasgebouw en het kapot slaan van die glazen deur

en het gooien van die pijp in de richting van een beveiligingsmedewerker en politieagenten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het bewezen verklaarde levert op:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, waarbij de verdachte naast de algemene voorwaarden de bijzondere voorwaarden zijn opgelegd dat de verdachte zich gedurende de proeftijd niet is toegestaan het voetbalstadion "de Kuip" en het/de daarbij omringend(e) (parkeer)terrein(en) te betreden waarin een voetbalwedstrijd wordt gespeeld van de betaalde voetbalorganisatie Feyenoord in het kader van enige door de KNVB of de internationale voetbalbond georganiseerde competitie.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op 17 september 2011 samen met anderen openlijk geweld gepleegd tegen het Maasgebouw, de daar aanwezige politieagenten en een beveiligingsmedewerker. De verdachte heeft aan het openlijk geweld bijgedragen door zijn aanwezigheid aldaar en het gooien van de inhoud van een plantenbak in de richting van politieagenten. De verdachte en zijn medeverdachten zijn de bewuste avond voorafgaand aan de voetbalwedstrijd van Feyenoord tegen De Graafschap naar het Maasgebouw gegaan, alwaar op dat moment het bestuur van Feyenoord, de burgemeester van Rotterdam en andere bezoekers voor de wedstrijd aanwezig waren. Deze personen zijn geconfronteerd met een groep, waarvan de verdachte deel uitmaakte, die met veel lawaai en geweld het Maasgebouw hebben bestormd. Politieagenten en beveiligingsmedewerkers hebben daarop tevergeefs geprobeerd de supporters tegen te houden en hen te verhinderen het Maasgebouw te betreden. Uit de zich in het dossier bevindende aangiftes wordt duidelijk dat de verbalisanten en een beveiligingsmedewerker zich in een uiterst benarde positie bevonden en dat een aantal verbalisanten zich op enig moment zelfs genoodzaakt voelden om hun dienstwapen te trekken. Enkele verbalisanten, waaronder [benadeelde partij], die geraakt werd door een door één van de groep supporters gegooide steen, zijn bij de ongeregeldheden gewond geraakt.

Het hof acht de handelwijze van de verdachte volstrekt onaanvaardbaar. Het gedrag vormt een bedreiging van de openbare orde en een fysieke bedreiging van politiemensen, die hun taak uitoefenen, alsmede van burgers. Het is uitsluitend aan het optreden van de Mobiele Eenheid van de politie te danken dat de gewelddadige confrontatie niet veel ernstiger gevolgen heeft gehad. Voornoemde gebeurtenissen hebben een schok gegeven in de samenleving. Tegen dergelijke bedreigingen van de openbare orde dient hard te worden opgetreden. Gelet hierop is het hof van oordeel dat in beginsel - zoals eveneens door de advocaat-generaal is gevorderd - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende en geboden reactie is. Het hof is evenwel van oordeel dat er in de onderhavige zaak sprake is van strafmatigende omstandigheden.

Het hof heeft bij de strafoplegging in aanmerking genomen dat beelden van de verdachte getoond zijn op internet, bij het televisieprogramma Opsporing Verzocht en op digiborden in Rotterdam. Hoewel het hof hierboven heeft overwogen dat er geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 539a Wetboek van Strafvordering, moet niettemin worden aangenomen dat de daarmee gepaard gedane inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zodanig ernstig is geweest, dat de verdachte daar tot op heden de nadelige gevolgen van ondervindt. Zijn beeltenis, die indertijd is gebruikt in verband met de opsporingsberichtgeving, duikt in verschillende media nog steeds op op het moment dat er wordt bericht over voetbalgeweld of andere misdrijven. Dit is ook gebeurd

bij misdrijven waarmee de verdachte niets te maken heeft gehad, zoals de moord op een juwelier in Den Haag. Daarnaast heeft de verdachte geen relevante eerdere veroordelingen op zijn naam staan. Het hof is derhalve alles overwegende van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is.

Aan de op te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf zal de bijzondere voorwaarde van een stadionverbod worden verbonden. Anders dan de verdediging suggereert is het feit dat door de KNVB een (civielrechtelijk) stadionverbod voor de duur van zes jaren is opgelegd, geen reden om daarvan af te zien, vanwege de extra handhavingsmogelijkheden die het strafrechtelijke stadionverbod biedt.

Bij de oplegging van de straf is acht geslagen op het reclasseringsrapport aangaande de verdachte, opgemaakt op 9 december 2011 door A. van der Hor.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 550,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 550,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 550,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer E.C.B. Muller.

Vordering tot schadevergoeding van verbalisant 15, 16 en 19

In het onderhavige strafproces hebben personen, zich noemende "verbalisant 15", "verbalisant 16" en "verbalisant 19", voor wie mr. B.S. van der Klauw als gemachtigde is opgetreden, vorderingen ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, elk tot een bedrag van € 300,-.

In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 300,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van al deze vorderingen van de benadeelde partijen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vorderingen van de benadeelde partijen zijn door en namens de verdachte betwist.

Nu de ingediende voegingsformulieren, anders dan het gestelde in artikel 51g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, geen persoonsgegevens van de benadeelde partijen bevatten, en deze ook niet anderszins bekend zijn geworden, kan niet worden vastgesteld door wie de schadevergoeding is gevorderd en kunnen deze benadeelde partij niet in de vordering worden ontvangen. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partijen

niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen. Deze vorderingen kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer 15, 16 en 19

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de verbalisanten die kennelijk bij de politie Rotterdam-Rijnmond bekend zijn onder nummer 15, nummer 16 en nummer 19 immateriële schade, als omschreven in het voegingsformulier hebben geleden die rechtstreeks het gevolg is van het bewezenverklaarde. De schade die deze verbalisanten hebben geleden wordt naar redelijke en billijke maatstaven begroot op elk € 300,-.

Uit het feit dat deze verbalisanten in het voegingsformulier een rekening ten name van de politie als betaaladres aanwijst en mede gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door mr. Van der Klauw naar voren is gebracht, leidt het hof af dat het de bedoeling van deze verbalisanten en van de politie is dat de schadevergoeding aan de politie betaalbaar wordt gesteld en vervolgens door de politie zal worden doorgeleid naar de betreffende verbalisanten.

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 300,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer 15, 16 en 19 .

Vordering tot schadevergoeding van verbalisant 7

In het onderhavige strafproces heeft een persoon, zich genoemd "verbalisant 7", voor wie mr. B.S. van der Klauw als gemachtigde is opgetreden, zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 450,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 450,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Nu het ingediende voegingsformulier, anders dan het gestelde in artikel 51g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, geen persoonsgegevens van de benadeelde partij bevat, en deze ook niet anderszins bekend zijn geworden, kan niet worden vastgesteld door wie de schadevergoeding is gevorderd en kan deze benadeelde partij niet in de vordering worden ontvangen. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij

niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer 7

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de verbalisant die kennelijk bij de politie Rotterdam-Rijnmond bekend is onder nummer 7, immateriële schade, als omschreven in het voegingsformulier heeft geleden die rechtstreeks het gevolg is van het bewezenverklaarde. De schade die deze verbalisant heeft geleden wordt naar redelijke en billijke maatstaven begroot op € 450,-.

Uit het feit dat deze verbalisant in het voegingsformulier een rekening ten name van de politie als betaaladres aanwijst en mede gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door mr. Van der Klauw naar voren is gebracht, leidt het hof af dat het de bedoeling van deze verbalisant en van de politie is dat de schadevergoeding aan de politie betaalbaar wordt gesteld en vervolgens door de politie zal worden doorgeleid naar de betreffende verbalisant.

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 450,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer 15 Verbalisant.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c en 22d, zoals zij heden gelden, en de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de veroordeelde gedurende de proeftijd niet is toegestaan het voetbalstadion "De Kuip" en het/de daarbij omringend(e) (parkeer)terrein(en) te betreden waarin een voetbalwedstrijd wordt gespeeld van de betaalde voetbalorganisatie Feyenoord in het kader van enige door de KNVB of de internationale voetbalbond georganiseerde competitie.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 17 september 2011 tot de dag der algehele voldoening ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], een bedrag te betalen van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij verbalisant 15

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Verbalisant 15, een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verklaart de benadeelde partij 15 Verbalisant in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij verbalisant 16

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Verbalisant 16, een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verklaart de benadeelde partij 16 Verbalisant in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij verbalisant 19

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Verbalisant 19, een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verklaart de benadeelde partij verbalisant 19 in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij verbalisant 7

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Verbalisant 7, een bedrag te betalen van € 450,00 (vierhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 (negen) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verklaart de benadeelde partij Verbalisant 7 in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door mr. N. Schaar, mr. A.L.J. van Strien en mr. W.J. van Boven, in bijzijn van de griffier mr. M.Th.A. de Ridder.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 december 2012.