Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY6297

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-10-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
BK-11/00530
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rioolheffing. Aanslag tot een te laag bedrag vastgesteld als gevolg van een fout. Fout redelijkerwijs kenbaar. Navorderingsaanslag terecht opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2013/5.27.1
V-N Vandaag 2012/2910
Belastingblad 2013/58 met annotatie van M.P. van der Burg
FutD 2013-0039
JAF 2012/207 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-11/0530

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 9 oktober 2012

in het geding tussen:

[X], wonende te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Barendrecht, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 14 juli 2011, nummer AWB 11/289 RIOOLR-T2, betreffende na te vermelden aanslag.

Aanslag, navorderingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 28 februari 2010 een (primitieve) aanslag in de rioolheffing voor het jaar 2010 opgelegd ten bedrage van € 155.

1.2. Aan belanghebbende is met dagtekening 31 mei 2010 een navorderingsaanslag in de rioolheffing voor het jaar 2010 opgelegd ten bedrage van € 13.

1.3. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de navorderingsaanslag afgewezen.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 112. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 24 juli 2012, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt.

Verordening

3.1. De raad van de gemeente Barendrecht heeft in zijn openbare vergadering van 15 december 2009 vastgesteld de Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2010 en de daarbij horende Tarieventabel 2010 (hierna: de Verordening dan wel de Tarieventabel). Blijkens de inhoud van de gedingstukken is de Verordening op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt.

Vaststaande feiten

4. Op grond van de stukken van het geding is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

4.1. Met de aanslag in de rioolheffing voor het jaar 2010 is een bijsluiter aan belanghebbende gezonden waarin de voor het jaar 2010 geldende tarieven staan vermeld. Het bedrag van de aanslag is € 13 lager dan het voor belanghebbende geldende tarief dat is vermeld in de bijsluiter.

4.2. De aanslag is tot een te laag bedrag vastgesteld als gevolg van een fout.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1. Tussen partijen is slechts in geschil of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd, welke vraag belanghebbende ontkennend beantwoordt en de Inspecteur bevestigend.

5.2. Belanghebbende betoogt dat geen navordering kan plaats vinden, omdat:

- sprake is van verwijtbaar onjuist inzicht in de feiten of in het recht. Er zijn foutieve bestanden aangeboden en er heeft geen controle hierop bij aanlevering plaats gevonden. Ook op de geproduceerde aanslagen heeft voor de verzending ervan geen controle plaatsgevonden.

- de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende bij het kennisnemen van de aanslag in een oogopslag had kunnen zien dat de primitieve aanslag onjuist was. De bijsluiter bevat de zinsneden: “Deze folder is zuiver informatief. U kunt er geen rechten aan ontlenen.” Zelfs als de aanslag wordt vergeleken met de bijsluiter kan de conclusie slechts zijn: of de aanslag is onjuist, of de bijsluiter is onjuist. Gelet op voormelde zinsneden ligt de conclusie dat de bijsluiter onjuiste informatie bevat voor de hand.

- belanghebbende aan de uitlating van de Staatssecretaris van Financiën bij de behandeling van het wetsontwerp dat tot invoering van de onderhavige regeling heeft geleid het vertrouwen heeft ontleend dat voor geringe bedragen niet zal worden nagevorderd.

5.3. De Inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd weersproken.

5.4. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof voorts naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en van de navorderingsaanslag.

6.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

7. De rechtbank heeft in haar uitspraak het navolgende overwogen:

2.5 Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) kan de inspecteur, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een hoog bedrag verleende heffingskorting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onderdeel c, kan navordering mede plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven, doordat ten gevolge van een fout een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of ten gevolge van een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, hetgeen de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is, waarvan in elk geval sprake is indien de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling volgt dat de belastingplichtige ‘gelijk (. . .) bij het kennisnemen van zijn aangiftebiljet’ ‘in één oogopslag’ moet kunnen zien dat de belastingaanslag onjuist is. De fout moet dus ‘direct kenbaar’ zijn (Handelingen II 2009/10, nr. 26 (vergadering 1 8 november 2009), blz. 2414).

2.6 Ingevolge artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet geschieden de heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing van de AWR, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen als ware die belastingen rijksbelastingen.

2.7 Tussen partijen is niet in geschil dat ten gevolge van een fout de primitieve aanslag tot een te laag bedrag was vastgesteld.

2.8 Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de redactie van artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de AWR, thans niet meer van belang of de door [de Inspecteur] gemaakte fout moet worden gekwalificeerd als een ambtshalve verzuim dan wel een schrijf- of tikfout. De voordien in de jurisprudentie van de Hoge Raad ontwikkelde lijn - zie bijvoorbeeld het arrest van 8 augustus 2003, LJN: AI0921 -, op grond waarvan minder snel werd aanvaard dat sprake was van schrijf- of tikfouten, vormde voor de wetgever aanleiding om de uit deze jurisprudentie negatief geacht voortvloeiende gevolgen te repareren.

2.9 Op [de Inspecteur] rust de last aannemelijk te maken dat voor [belanghebbende] redelijkerwijs kenbaar was dat de primitieve aanslag tot een te laag bedrag was vastgesteld. In deze bewijsopdracht is [de Inspecteur] naar het oordeel van de rechtbank geslaagd. De bijsluiter die met het aanslagbiljet aan [belanghebbende] is gezonden bevatte de juiste tarieven. [Belanghebbende] heeft derhalve bij het kennisnemen van zijn aanslagbiljet en de bijsluiter in één oogopslag kunnen zien dat de primitieve aanslag van 28 februari 2010 onjuist was. [De Inspecteur] heeft dan ook terecht het te weinig geheven rioolrecht van [belanghebbende] nagevorderd.

2.10 [Belanghebbende]s verwijzing naar een toelichting van de staatssecretaris van Financiën kan hem niet baten. [De Inspecteur] kan immers niet door deze uitlatingen, die zien op navordering door de Belastingdienst, worden gebonden. [Belanghebbende] mocht er op grond van die toelichting niet op vertrouwen dat de gemeente van navordering zou afzien, omdat in rechte te beschermen vertrouwen hier uitsluitend kan worden gewekt door degene aan wie de uitvoering van de ‘Verordening rioolheffing 2010’ (hierna: de Verordening) is opgedragen, zijnde de gemeente (vgl. HR 3 maart 1993, LJN: ZC5277). Daarbij komt dat blijkens de parlementaire geschiedenis de in artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de AWR opgenomen grens van 30% feitelijk fungeert als een rem op navorderingen van geringe - niet kenbare - onvolkomenheden, zonder uit te sluiten dat bij kenbare fouten onder de 30%-grens navordering mogelijk kan zijn (Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 4, blz. 17).

2.11 [Belanghebbende] heeft de juistheid van het nageheven bedrag niet betwist.

2.12 De stelling van [belanghebbende], dat het bepaalde in artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is geschonden, wordt verworpen. [De Inspecteur] heeft aannemelijk gemaakt dat degene die de uitspraak op bezwaar heeft gedaan een ander is [dan, Hof] degene die de navorderingsaanslag heeft opgelegd.

2.13 Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het beroep ongegrond is.

Beoordeling van het hoger beroep

8.1. De tekst van artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) luidt, voor zover hier van belang, dat navordering mede kan plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven, doordat ten gevolge van een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, hetgeen de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is, waarvan in elk geval sprake is indien de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt. Van het opnemen van een tweede grens in de vorm van een absoluut bedrag is welbewust afgezien (vergelijk ook Kamerstukken II, 2009-2010, 32 129, nr. 3, p. 26). Gelet hierop kan, in geval sprake is van het redelijkerwijs kenbaar zijn, nagevorderd worden, ongeacht of sprake is van een in absolute zin gering bedrag.

8.2.1. Met betrekking tot het vereiste dat voor belanghebbende redelijkerwijs kenbaar was dat de primitieve aanslag ten gevolge van een fout tot een te laag bedrag was vastgesteld, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat op de Inspecteur de bewijslast rust. Hierin is de Inspecteur ook naar het oordeel van het Hof geslaagd. De bijsluiter die met het aanslagbiljet, houdende de primitieve aanslag, aan belanghebbende is gezonden en waarnaar in het aanslagbiljet wordt verwezen, bevat een tekst over de rioolheffing voor gebruikers. Daarin staat, voor zover thans van belang, het navolgende:

“Met ingang van 1 januari jl. is er iets veranderd. Was in 2009 nog sprake van rioolrecht, deze heffing heet nu rioolheffing. Er vallen nu ook meer taken onder de rioolheffing, namelijk niet alleen het afvoeren van afvalwater, maar ook de zorg voor het hemelwater en het grondwater. (…) De tarieven voor gebruikers van woningen in 2010 zijn:

- voor een woning met één bewoner: €  87,-

- voor een woning met twee bewoners: € 168,-

- voor een woning met meer dan twee bewoners: € 258,-

(…)

Deze tarieven kunt u raadplegen op onze website www.svhw.nl.”

8.2.2. Belanghebbende heeft derhalve bij kennisneming van zijn aanslagbiljet en de daarbij gevoegde bijsluiter redelijkerwijs kunnen zien dat een fout is gemaakt, aangezien het bedrag van de aanslag niet overeenstemde met het voor hem geldende bedrag in de bijsluiter. Immers, het bedrag van de aanslag is € 13 lager dan het in de bijsluiter genoemde tarief. Belanghebbende had vervolgens kunnen vaststellen welk tarief het juiste is door de in de bijsluiter vermelde website www.svhw.nl te raadplegen. Alsdan had belanghebbende kunnen vaststellen dat de in de bijsluiter vermelde tarieven juist zijn en de aanslag € 13 te laag is vastgesteld. De Inspecteur heeft in dit verband nog onweersproken gesteld dat hij kort na verzending van de aanslagen in de rioolheffing door een aantal andere belastingplichtigen telefonisch is gewezen op de fout in de aanslagen in de rioolheffing.

8.2.3. Voor zover belanghebbende stelt de bijsluiter niet te hebben geraadpleegd, komt dit voor zijn rekening en risico.

8.3. Ten overvloede merkt het Hof op dat de uitlatingen van de staatssecretaris van Financiën, waarop de Inspecteur doelt, zijn gedaan in de Memorie van Toelichting bij het ontwerp dat heeft geleid tot de Wet van 23 december 2009 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten, Stb. 2009, 610 (Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 3, blz. 26 en nr. 4, blz. 17). Dit laat geen andere conclusie toe dan dat de Staatssecretaris bij het doen van deze uitlatingen is opgetreden in zijn hoedanigheid van medewetgever en niet in zijn hoedanigheid van uitvoerder van de Awr, zodat aan die uitlatingen geen in rechte te beschermen vertrouwen kan worden ontleend. De Inspecteur en de rechtbank hebben dit miskend.

8.4. Gelet op het vorenoverwogene is de navorderingsaanslag terecht opgelegd. De uitspraak van de rechtbank dient bevestigd te worden, wat er zij van de daartoe gebezigde gronden.

Proceskosten

9. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Chr.Th.P.M. Zandhuis, P.J.J. Vonk en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 9 oktober 2012 in het openbaar uitgesproken.

Bij ontstentenis van de griffier is deze uitspraak uitsluitend ondertekend door de voorzitter.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.