Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY6292

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
BK-11/00629
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanslagen watersysteemheffing en wegenheffing ten onrechte opgelegd. Belanghebbenden maken terecht aanspraak op een proceskostenvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2912
V-N 2013/3.24.9
Belastingblad 2013/57 met annotatie van Redactie
FutD 2013-0040
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-11/00629

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 4 september 2012

in het geding tussen:

de erven [X] te [Z], hierna: belanghebbenden,

en

de heffingsambtenaar van het Waterschap Hollandse Delta, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbenden tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 8 juli 2011, nummer AWB 10/148, betreffende na te vermelden aanslagen.

Aanslagen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbenden voor het jaar 2009 een op een aanslagbiljet verenigde aanslag in de watersysteemheffing ongebouwd van het Waterschap Hollandse Delta van € 54,34 alsmede een aanslag in de wegenheffing van € 13,92 (hierna: de aanslagen) opgelegd.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3. Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslagen gehandhaafd en vergoeding van het door belanghebbenden betaalde griffierecht van € 41 gelast.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbenden zijn van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 112. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 24 juli 2012, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Verordeningen

3.1. De Verenigde Vergadering van het Waterschap Hollandse Delta (hierna: het Waterschap) heeft in zijn vergadering van 18 december 2008 de Verordening watersysteemheffing Waterschap Hollandse Delta 2009 (hierna: de Verordening watersysteemheffing) vastgesteld. Blijkens de inhoud van de gedingstukken is de Verordening op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt. In de Verordening watersysteemheffing zijn - voor zover van belang - de volgende bepalingen opgenomen:

Artikel 1 Begripsbepalingen

Deze verordening verstaat onder:

(…)

e. kostentoedelingsverordening: de verordening van het waterschap, bedoeld in artikel 120, eerste lid, eerste volzin, van de Waterschapswet;

(…)

g. natuurterreinen: ongebouwde onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare;

h. ongebouwde onroerende zaken: ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn;

i. taakgebied van het waterschap: het gebied dat is aangegeven op de bij het provinciaal reglement waarin het waterschap bevoegd is het watersysteembeheer uit te oefenen;

j. de heffing: de wegenheffing als genoemd in artikel 117, aanhef, Waterschapswet.

Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplichtigen

1. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de zorg voor het watersysteem wordt onder de naam watersysteemheffing een directe belasting geheven.

2. De heffing wordt geheven van hen die:

a. (…)

b. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken in het taakgebied van het waterschap;

c. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van natuurterreinen in het taakgebied van het waterschap;

d. (…)

3. Heffingsplichtig in de zin van het tweede lid, onderdelen b, c en d, is degene die bij het begin van het kalenderjaar als rechthebbende in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen rechthebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 3 Heffingsmaatstaf

Als heffingsmaatstaf geldt:

a. (…)

b. voor ongebouwde onroerende zaken en voor natuurterreinen: de oppervlakte van de onroerende zaken, uitgedrukt in een aantal hectaren of een gedeelte daarvan;

c. (…).

Artikel 8 Tarief natuurterreinen

Met inachtneming dienaangaande van het bepaalde in de Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor natuurterreinen: € 3,39 per hectare.

3.2. De Verenigde Vergadering van het Waterschap Hollandse Delta heeft in zijn vergadering van 18 december 2008 de Verordening wegenheffing Waterschap Hollandse Delta 2009 (hierna: de Verordening wegenheffing) vastgesteld. Blijkens de inhoud van de gedingstukken is de Verordening op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt. In de Verordening wegenheffing zijn - voor zover van belang - de volgende bepalingen opgenomen:

Artikel 1 Begripsbepalingen

Deze verordening verstaat onder:

(…)

e. kostentoedelingsverordening: de verordening van het waterschap, bedoeld in artikel 122b, eerste lid, eerste volzin, van de Waterschapswet;

(…)

g. natuurterreinen: ongebouwde onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare;

h. ongebouwde onroerende zaken: ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn;

i. taakgebied van het waterschap: het gebied dat is aangegeven op de bij het provinciaal reglement waarin het waterschap bevoegd is het wegenbeheer uit te oefenen;

j. de heffing: de wegenheffing als genoemd in artikel 122a Waterschapswet.

Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplichtigen

1. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de zorg voor het wegenbeheer wordt onder de naam wegenheffing een directe belasting geheven.

2. De heffing wordt geheven van hen die:

a. (…)

b. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken in het taakgebied van het waterschap;

c. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van natuurterreinen in het taakgebied van het waterschap;

d. (…)

3. Heffingsplichtig in de zin van het tweede lid, onderdelen b, c en d, is degene die bij het begin van het kalenderjaar als rechthebbende in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen rechthebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 3 Heffingsmaatstaf

Als heffingsmaatstaf geldt:

a. (…)

b. voor ongebouwde onroerende zaken en voor natuurterreinen: de oppervlakte van de onroerende zaken, uitgedrukt in een aantal hectaren of een gedeelte daarvan;

c. (…).

Artikel 8 Tarief natuurterreinen

Met inachtneming dienaangaande van het bepaalde in de Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor natuurterreinen: € 0,59 per hectare.

3.3. De Verenigde Vergadering van het Waterschap Hollandse Delta heeft in zijn vergadering van 18 december 2008 de Kostentoedelingsverordening Hollandse Delta 2009 vastgesteld. Blijkens de inhoud van de gedingstukken is zij op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt en op 17 februari 2009 door Gedupteerde Staten van Zuid-Holland goedgekeurd.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

4.1. Belanghebbenden waren op 1 januari 2009 eigenaar van het perceel ([…]) te [Q] (hierna: het perceel), gelegen binnen het (taak)gebied van het Waterschap Hollandse Delta. Het perceel heeft een oppervlakte van 6.815 m² en is niet bebouwd. Het perceel maakt deel uit van het zandwallen(schurvelingen)landschap.

4.2. Onder het vigerende bestemmingsplan […] heeft het perceel de bestemming natuurgebied. Aan de randen van het perceel geldt de subbestemming schurvelingen.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1. Tussen partijen is in geschil of de aanslagen terecht zijn opgelegd en of belanghebbenden recht hebben op een proceskostenvergoeding.

5.2. Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat de aanslagen moeten worden vernietigd omdat zij feitelijk geen genot hebben van hun perceel. De aanslagen zijn verder opgelegd in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

De rechtbank heeft weliswaar de aanslagen vernietigd, maar ten onrechte geen proceskostenvergoeding toegekend.

5.3. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de aanslagen terecht zijn opgelegd en de veroordeling tot een proceskostenvergoeding terecht is afgewezen.

5.4. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de aanslagen en tot het toekennen van een proceskostenvergoeding.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft overwogen:

In artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Op grond van artikel 110 van de Waterschapswet heeft de Verenigde Vergadering van het waterschap Hollandse Delta op 18 december 2008 de Verordening op de watersysteemheffing 2009 (hierna: Verordening watersysteemheffing) en de Verordening op de wegenheffing 2009 (hierna: Verordening wegenheffing) vastgesteld Deze verordeningen worden hierna gezamenlijk aangeduid als ‘de Verordeningen’. Zij zijn tijdig bekendgemaakt in het waterschapsblad van het waterschap Hollandse Delta.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening watersysteemheffing wordt onder de naam watersysteemheffing een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan de zorg voor het watersysteem.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, van dit artikel wordt de heffing geheven van hen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van natuurterreinen in het gebied van het waterschap.

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder b, van de Verordening watersysteemheffing geldt, voor zover hier van belang, als heffingsmaatstaf voor natuurterreinen: de oppervlakte van de onroerende zaken, uitgedrukt in een aantal hectaren of een gedeelte daarvan.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening wegenheffing wordt onder de naam wegenheffing een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan de zorg voor het wegenbeheer.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, van dit artikel wordt de heffing geheven van hen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van natuurterreinen in het gebied van het waterschap.

Ingevolgde artikel 3, aanhef en onder b, van de Verordening wegenheffing geldt, voor zover hier van belang, als heffingsmaatstaf voor natuurterreinen: de oppervlakte van de onroerende zaken, uitgedrukt in een aantal hectaren of een gedeelte daarvan.

Artikel 1 van het Eerste protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EP) bepaalt:

Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

2.2. De bestreden uitspraak op bezwaar en het verweer

[De Inspecteur] stelt zich in de bestreden uitspraak op het standpunt dat het bezwaar van [belanghebbenden] niet-ontvankelijk is. [De Inspecteur] voert hiertoe – samengevat – aan dat het aanslagbiljet van 31 mei 2009 op juiste wijze bekend is gemaakt door dit te verzenden naar het adres […]. Dit is het adres zoals dat in de gegevensadministratie geregistreerd was. Naar de mening van [de Inspecteur] is een belanghebbende zelf verantwoordelijk voor de opgave van een juist adres. Er is volgens [de Inspecteur] bij de verzending van een kopie van het aanslagbiljet geen toezegging gedaan dat de bezwaartermijn van zes weken (opnieuw) open zou staan.

In reactie op de inhoudelijke gronden van [belanghebbenden] voert [de Inspecteur] - kort samengevat - aan dat de aanslagen waterschapbelastingen niet in strijd zijn met artikel 1 EP. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad (hierna: HR) van 3 april 2009, LJN: BC2816, is [de Inspecteur] van mening dat voldaan is aan de uit artikel 1 EP voortvloeiende eisen bij regulering van eigendom.

2.3. De gronden van het beroep

[Belanghebbenden] kunnen zich met de bestreden uitspraak niet verenigen. [Belanghebbenden] menen dat hun bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard en voeren hiertoe - kort samengevat - aan dat het aanslagbiljet van 31 mei 2009 niet op deze datum is verzonden. Dit is door [de Inspecteur] na navraag door [belanghebbenden] omtrent hun OZB-aanslag pas op 1 december 2009 gedaan. Voorts zijn [belanghebbenden] van mening dat de aanslagen in strijd zijn met artikel 1 van het EP, omdat zij slechts bloot eigenaar zijn van het perceel. [Belanghebbenden] hebben geen enkel genot van hun eigendom en kunnen het op geen enkele wijze gebruiken.

2.4. Het oordeel van de rechtbank

2.4.1. Vast staat dat het aanslagbiljet waterschapsbelastingen, gedagtekend op 31 mei 2009, niet aangetekend is verzonden. In een dergelijk geval dient [de Inspecteur] aannemelijk te maken dat het biljet op de door hem aangegeven datum op correcte wijze is verzonden. Naar het oordeel van de rechtbank is [de Inspecteur] hier niet in geslaagd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

[Belanghebbenden] stellen het aanslagbiljet niet ontvangen te hebben, omdat dit niet is verzonden. Nu [de Inspecteur] het biljet niet aangetekend heeft verzonden, valt omtrent de juistheid van [belanghebbendes] stelling in rechte geen zekerheid te verkrijgen. In zijn algemeenheid is de kans klein dat een op normale wijze ter post bezorgd aanslagbiljet zoek raakt. [De Inspecteur] heeft evenwel geen, althans onvoldoende bewijs aangedragen, zoals een verzendrapport, dat het onderhavige biljet ter post is bezorgd.

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat [de Inspecteur] geen aanmaning aan [belanghebbenden] heeft verstuurd toen betaling van de aanslagen uitbleef. Tevens hebben [belanghebbenden] voorgaande aanslagen altijd tijdig betaald. Daarnaast hebben [belanghebbenden] na ontvangst van het duplicaat direct bezwaar gemaakt, zodat de rechtbank van oordeel is dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [belanghebbenden] in verzuim zijn geweest.

2.4.2. Uit het vooroverwogene volgt dat [de Inspecteur] [belanghebbenden] ten onrechte niet in hun bezwaar heeft ontvangen. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

2.4.3. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de aanslagen waterschapsbelastingen terecht zijn opgelegd en overweegt dienaangaande als volgt.

Vaststaat dat [belanghebbenden] eigenaar zijn van het perceel waarvoor de aanslag is opgelegd. Krachtens het daar geldende bestemmingsplan heeft dit perceel de bestemming natuurgebied, met subbestemming schurvelingen. Gelet hierop voldoen [belanghebbenden] aan artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, van de Verordeningen. Hierbij is niet van belang of er sprake is van feitelijk genot. Het juridisch zijn van (bloot) eigenaar is voldoende om in de waterschapsheffingen betrokken te kunnen worden. Dat het vigerende bestemmingsplan het eigendom van [belanghebbenden] drastisch inperkt en dat zij feitelijk geen genot zouden hebben van hun eigendom, wat hier ook van zij, is voor de waterschapsheffingen niet van belang.

De criteria voor toetsing van de Verordeningen aan artikel 1 EP vloeien voort uit de uitspraak van de HR van 3 april 2009, LJN: BC2816, waarbij de rechtbank opmerkt dat de wetgever en het waterschap hieromtrent een ruime beoordelingsmarge hebben. De rechtbank is met [de Inspecteur] van oordeel dat met de Verordeningen sprake is van een geoorloofde inperking van het eigendomsrecht door toegankelijk nationaal recht, dat voldoende precies en voorzienbaar is in de uitoefening. Tevens streeft de inbreuk op het eigendomsrecht van [belanghebbenden] een legitiem doel in het algemeen belang na. Tot slot is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een redelijke verhouding tussen het algemeen belang en het belang van [belanghebbenden]. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat met het opleggen van de aanslagen in de waterschapsheffingen geen sprake is van een inbreuk op artikel 1 EP. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat deze belastingheffing in strijd is met de wet of algemene rechtsbeginselen.

2.4.4. Gelet op het onder 2.4.2. overwogene ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de te vernietigen uitspraak.

Gezien het voorstaande is het beroep gegrond.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient [de Inspecteur] op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door [belanghebbenden] betaalde griffierecht te vergoeden.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om [de Inspecteur] met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten welke [belanghebbenden] in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Als zodanige kosten zouden kunnen gelden de kosten van beroepsmatige rechtsbijstand door de gemachtigde van [belanghebbenden]. De omstandigheid dat een huwelijksrelatie bestaat tussen die gemachtigde en één van de [belanghebbenden], staat daaraan op zichzelf niet in de weg. In een dergelijk geval mag echter worden verwacht dat [belanghebbenden], teneinde de zakelijkheid van de rechtsverhouding tussen hen en hun gemachtigde aannemelijk te maken, bewijsstukken overleggen waaruit blijkt dat er voor de verleende rechtsbijstand nota’s zijn verstuurd en dat deze zijn betaald. Nu deze stukken niet zijn overgelegd en [de Inspecteur] heeft aangevoerd dat de gemachtigde niet op zakelijke basis is opgetreden, komen de onderhavige kosten niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank is niet gebleken dat [belanghebbenden] nog andere proceskosten hebben moeten maken.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden belanghebbenden ontvankelijk verklaard in hun bezwaar tegen de aanslagen. Het Hof neemt deze overwegingen over en maakt deze tot de zijne.

7.2. De Waterschapswet (hierna: de Wet) luidt, voor zover voor deze procedure van belang is, als volgt:

Artikel 116

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. (…)

b. (…)

c. natuurterreinen: ongebouwde onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open wateren met een oppervlakte van ten minste één hectare.

Artikel 117

1. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de zorg voor het watersysteem wordt onder de naam watersysteemheffing een heffing geheven van hen die:

a. ingezetenen zijn;

b. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen;

c. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van natuurterreinen;

d. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken.

Artikel 118

1. (…)

2. (…)

3. Als één ongebouwde onroerende zaak als bedoeld in artikel 117, onderdeel b, wordt aangemerkt een kadastraal perceel of gedeelte daarvan, met dien verstande dat buiten aanmerking wordt gelaten:

a. hetgeen ingevolge het eerste en tweede lid wordt aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak;

b. een natuurterrein.

4. Als één natuurterrein wordt aangemerkt een kadastraal perceel of gedeelte daarvan, met dien verstande dat buiten aanmerking wordt gelaten:

a. hetgeen ingevolge het eerste en tweede lid wordt aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak;

b. hetgeen ingevolge het derde lid wordt aangemerkt als een ongebouwde onroerende zaak.

Artikel 119

1. Heffingplichtig in de zin van artikel 117, onderdelen b, c en d, zijn degenen die bij het begin van het kalenderjaar als rechthebbende in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen rechthebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

2. Voor de toepassing van artikel 117, onderdelen b, c en d, is heffingplichtig de:

a. beperkt gerechtigde en niet de eigenaar, ingeval de onroerende zaak is onderworpen aan het recht van beklemming, van erfpacht, van opstal of van vruchtgebruik;

b. eigenaar voor wat betreft het recht van opstal, indien dat recht uitsluitend is gevestigd ten behoeve van de aanleg of het onderhoud, dan wel ten behoeve van de aanleg en het onderhoud, van ondergrondse dan wel bovengrondse leidingen.

3. Indien de onroerende zaak is onderworpen aan beperkte rechten als bedoeld in het tweede lid, heeft voor de heffingplicht:

a. de vruchtgebruiker voorrang boven zowel de opstaller als de erfpachter, onderscheidenlijk de beklemde meier;

b. de opstaller voorrang boven de erfpachter, onderscheidenlijk de beklemde meier.

Artikel 120

1. Het algemeen bestuur stelt ten behoeve van de in artikel 117 bedoelde heffing een verordening vast, waarin voor elk van de categorieën van heffingplichtigen de toedeling van het kostendeel is opgenomen. Bij die verordening kan worden bepaald dat kosten van heffing en invordering van de watersysteemheffing en kosten van de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur rechtstreeks worden toegerekend aan de betrokken categorieën van heffingplichtigen.

2. De toedeling van het kostendeel voor de categorie, bedoeld in artikel 117, onderdeel a, wordt bepaald aan de hand van de gemiddelde inwonerdichtheid per vierkante kilometer in het gebied van het waterschap. Het door het waterschap bij verordening, als bedoeld onder het eerste lid, te bepalen kostenaandeel bedraagt:

a. minimaal 20% en maximaal 30% wanneer het aantal inwoners per vierkante kilometer niet meer bedraagt dan 500;

b. minimaal 31% en maximaal 40% wanneer het aantal inwoners per vierkante kilometer meer bedraagt dan 500, maar niet meer dan 1000;

c. minimaal 41% en maximaal 50% wanneer het aantal inwoners per vierkante kilometer meer bedraagt dan 1000.

3. Het algemeen bestuur kan de in het tweede lid genoemde maximale percentages verhogen tot 40, onderscheidenlijk 50 en 60 %.

4. De toedeling van het kostendeel voor de categorieën, bedoeld in artikel 117, onderdelen b tot en met d, wordt bepaald op basis van de waarde van de onroerende zaken in het economische verkeer. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden hiertoe nadere regels gesteld.

5. De in het eerste lid bedoelde verordening behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten. Het besluit tot vaststelling van de verordening wordt binnen vier weken na de vaststelling door het algemeen bestuur toegezonden aan gedeputeerde staten, met de naar voren gebrachte bedenkingen en overwegingen daaromtrent van het algemeen bestuur.

6. De in het eerste lid bedoelde verordening wordt ten minste eenmaal in de vijf jaren herzien.

Artikel 122a

1. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak ter zake van het wegenbeheer kan, binnen het gebied waar deze taak wordt uitgevoerd, onder de naam wegenheffing een heffing worden geheven.

2. De wegenheffing kan worden geheven van hen die:

a. ingezetenen zijn;

b. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen;

c. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van natuurterreinen;

d. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken.

3. Op het tweede lid is artikel 116 van toepassing.

Artikel 122b

1. Het algemeen bestuur stelt ten behoeve van de in artikel 122a bedoelde heffing een verordening vast, waarin voor elk van de categorieën van heffingplichtigen de toedeling van het kostendeel is opgenomen.

2. Bij reglement wordt bepaald aan welke regels de toedeling van het kostendeel, bedoeld in het eerste lid, voldoet. Daarbij kunnen de artikelen 118 tot en met 121 van overeenkomstige toepassing worden verklaard.

3. De heffing, bedoeld in artikel 122a, kan onderdeel uitmaken van de in artikel 117 bedoelde heffing.

7.3. De Inspecteur heeft blijkens het aanslagbiljet de aanslagen niet aan belanghebbenden opgelegd op de voet van onderscheidenlijk artikel 117, aanhef en onderdeel c, en 122a, eerste lid en tweede lid aanhef en onderdeel c, van de Waterschapswet - waar de rechtbank kennelijk van uitgaat -, maar op de voet van onderdeel b van die bepalingen. Onderdeel b bepaalt dat de heffing (kan) wordt(en) geheven van hen die “krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen” en is ten aanzien van beide heffingen materieel gelijkluidend. De artikelen in beide verordeningen hebben dezelfde inhoud en strekking.

7.4. Niet in geschil is dat belanghebbenden eigenaar zijn van het perceel en dat het perceel tot het gebied van het waterschap behoort. Belanghebbenden zijn als eigenaar met uitsluiting van iedere derde vrij het perceel te gebruiken. Zij hebben derhalve het genot krachtens eigendom van het perceel. Dat dit gebruik niet in strijd mag komen met de (wettelijke) beperkingen die kleven aan de bestemming natuurgebied doet aan het voorgaande niet af. Gelet hierop faalt de stelling van belanghebbenden dat zij geen enkel genot ondervinden van het perceel.

7.5.1. De Inspecteur heeft gesteld, onder meer onder overlegging van een foto van het onderhavige perceel en onder verwijzing naar het natuurbeheerplan van de provincie Zuid-Holland, dat geen sprake is van een perceel waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam is afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur, zodat geen sprake is van een natuurterrein als bedoeld in artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet. Belanghebbenden stellen dat sprake is van een natuurterrein, althans zo begrijpt het Hof hun stellingen dienaangaande, dat het een uniek natuurgebied is met schurvelingen, dat de overheid het in stand wil houden en dat niets op het perceel kan worden ondernomen als gevolg van de bestemming natuurgebied.

7.5.2. Bij de parlementaire behandeling van artikel 116, onderdeel c, van de Wet wordt het volgende opgemerkt:

Nieuw is het begrip natuurterrein. Natuurterreinen zijn gedefinieerd als ongebouwde onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Hierbij zijn ook de feitelijke of de uiteindelijke bestemming van belang. Zo zal een perceel nog bouwrijp te maken grond dat al jaren niet is bewerkt (en waar inmiddels veel groen en ander leven aanwezig is), maar waar uiteindelijk wel gebouwd zal worden, niet als een natuurterrein in de zin van de wet worden aangemerkt. In de regel zullen ook stadsparken, plantsoenen, e.d. vanwege hun overwegende recreatieve functie niet als een natuurgebied kunnen worden betiteld. Er is niet gekozen voor een limitatieve opsomming van terreinen zoals bijvoorbeeld o.a. duinen en heidevelden. Een dergelijke opsomming kan immers nooit volledig zijn. Daarom wordt een kwalitatieve omschrijving van het begrip natuurterrein voorgesteld. Hiermee ligt de nadruk op de duurzame inrichting en beheer als natuurgebied. Onder natuurterrein worden mede verstaan bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare. Om praktische redenen is gekozen voor bossen en open wateren van enige omvang. Voorkomen moet worden dat elke vierkante meter 'grond of blauw' als natuurterrein wordt aangemerkt. (MvT bij wetsvoorstel modernisering waterschapsbestel, Kamerstukken II 2005-2006, 30 601, nr. 3, blz. 54).

7.5.3. Het gehele perceel heeft als bestemming natuurgebied en is onbebouwd. Belanghebbenden hebben onweersproken gesteld dat zij niets met het perceel kunnen doen, en dat bebouwing niet is toegestaan, behoudens bouwwerken met een maximale van hoogte van twee meter. Bij deze stand van zaken moet het ervoor worden gehouden dat de inrichting en het beheer van het perceel geheel of nagenoeg geheel en duurzaam is afgestemd op het behoud van natuurgebied. Het Hof is derhalve van oordeel dat het onderhavige perceel kwalificeert als natuurterrein.

7.6. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zijn de watersysteemheffing en wegenheffing verschuldigd ter zake van het genot krachtens eigendom van een natuurterrein op de voet van onderscheidenlijk artikel 117, aanhef en onderdeel c, en 122a, eerste lid en tweede lid aanhef en onderdeel c, van de Waterschapswet en de naar inhoud en strekking gelijkluidende bepalingen in beide verordeningen. De aan belanghebbenden opgelegde aanslagen zijn dan ook ten onrechte opgelegd naar een tarief dat geldt voor ongebouwde onroerende zaken.

7.7. Het tarief en de maatstaf van heffing is ten aanzien van natuurterreinen in zowel de Verordening watersysteemheffing als in de Verordening wegenheffing geregeld in artikel 3 onderdeel b, in samenhang met artikel 8. Ingevolge die artikelen geldt een tarief van respectievelijk € 3,39 en € 0,59 per hectare. Het onderhavige perceel heeft een oppervlakte van 0,6815 hectare. De verschuldigde watersysteemheffing en wegenheffing bedragen derhalve respectievelijk € 2,31 en € 0,40, in totaal € 2,71.

Ingevolge artikel 13 van Verordening watersysteemheffing die gelijkluidend is aan artikel 13 van de Verordening wegenheffing wordt in het geval op één aanslagbiljet verenigde aanslagen € 7 niet te boven gaan, geen aanslag opgelegd. In voorliggend geval had derhalve geen aanslagen dienen te worden opgelegd.

7.8.1. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Hij voert daartoe aan dat niet blijkt dat belanghebbenden daadwerkelijk kosten hebben gemaakt en dat de relatie tussen belanghebbenden en hun gemachtigde niet zakelijk is, maar in de familiesfeer ligt. Gemachtigde heeft gesteld dat niet voor gerede twijfel vatbaar is dat hij diensten als het opstellen en indienen van een bezwaar-, een beroepschrift en een hogerberoepschrift slechts beroepsmatig verricht, omdat hij advocaat is. Verder voert hij aan dat niet van belang is of een nota vooraf is gestuurd en betaald, omdat hij een beloning heeft bedongen in de vorm een ‘no cure no pay’ afspraak.

7.8.2. Het Hof stelt voorop dat een familierelatie tussen een belanghebbende en diens beroepsmatig, in de zin van niet incidenteel, optredende gemachtigde, niet aan een proceskostenvergoeding in de weg staat (vgl. HR 27 november 2009, nr. 08/02570, BNB 2010/63). Dit lijdt uitzondering als geen sprake is van een door zakelijkheid bepaalde verhouding, hetgeen in de regel het geval is als de gemachtigde vanwege de familierelatie voor zijn diensten geen vergoeding verlangt.

7.8.3. Het Hof stelt vast dat de gemachtigde advocaat is en dat hij van belanghebbende een vergoeding op basis van no cure no pay heeft verlangd. Belanghebbende maakt derhalve terecht aanspraak op een proceskostenvergoeding (HR 7 oktober 2011, nr. 10/05199, LJN: BT6841, BNB 2011/281).

7.9. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat de aanslagen moeten worden vernietigd en belanghebbenden terecht aanspraak maken op een proceskostenvergoeding. Het geschil omtrent de strijdigheid van de heffingen met het verdragenrecht behoeft geen behandeling meer. Beslist dient te worden als volgt.

Proceskosten en griffierecht

8.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbenden gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 2.622 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de rechtbank en voor het Hof (4 punten à € 437 x 1,5 (gewicht van de zaak))

8.2. Voorts dient aan belanghebbenden het voor de behandeling voor de rechtbank gestorte griffierecht van € 41, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 112 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar,

- vernietigt de aanslagen,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.622,

- gelast de Inspecteur aan belanghebbenden een bedrag van € 153 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 4 september 2012 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.