Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY5830

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
200.021.808-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Exhibitie-incident. Artikel 843a Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.021.808/01

Rolnummer rechtbank : 266304/ HA ZA 06-2123

arrest van 11 december 2012

inzake

1. DE RIJKE NORTHERN EUROPE B.V.,

gevestigd te Spijkenisse,

2. DE RIJKE INTERMODAL B.V.,

gevestigd te Spijkenisse,

appellanten in het principaal hoger beroep,

verweersters in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

verzoeksters in het incident,

hierna te noemen, partij sub 1: De Rijke, partijen sub 1 en 2 tezamen: De Rijke c.s.,

advocaat: mr. M. van den Berg te Eindhoven,

tegen

DEUTSCHE POST INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

verweerster in het incident,

hierna te noemen: DPI,

advocaat: mr. M. Deckers te Amsterdam.

1. De verdere loop van het geding

Bij arrest van 15 mei 2012 heeft het hof in het incident een comparitie van partijen gelast. Van de op 22 oktober 2012 gehouden comparitie is een proces-verbaal gemaakt. De tot de processtukken behorende brieven waarmee partijen voorafgaande aan de comparitie inlichtingen hebben verstrekt staan in het proces-verbaal vermeld. Partijen hebben arrest in het incident gevraagd.

2. De nadere beoordeling in het incident

2.1 Bij de beoordeling van de in het tussenarrest van 15 mei 2012 nader aangeduide incidentele vordering heeft het hof het volgende in aanmerking genomen.

2.2 Op grond van artikel 843a Rv en de in het arrest van 19 juli 2011 geformuleerde bewijsopdracht hebben De Rijke c.s. jegens Deutsche Post aanspraak op afschriften van bescheiden die - naar in redelijkheid moet worden aangenomen - kunnen dienen om antwoord te geven op de vraag of DPI ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst van 6 oktober 2004 wist dat in die overeenkomst ten nadele van De Rijke op een - in het arrest besproken - onjuiste wijze toepassing aan artikel 4.3 van de koopovereenkomst werd gegeven.

De Rijke c.s. ontlenen aan artikel 843a Rv niet de bevoegdheid op afschriften van bescheiden waarvan onvoldoende aannemelijk is dat die in de hiervoor aangegeven zin relevant zijn.

2.3 Bij e-mailbericht van de zijde van Deutsche Post aan de heer [X] van De Rijke c.s. van 23 april 2004 (productie 6 bij conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie) en nog duidelijker bij brief van Deutsche Post aan De Rijke c.s. van 7 september 2004 (productie 12 bij die conclusie) heeft Deutsche Post aan De Rijke c.s. duidelijk gemaakt hoe in haar visie artikel 4.3 van de overeenkomst diende te worden toegepast. Mede omdat De Rijke c.s. tegen die wijze van toepassing van de overeenkomst geen bezwaar hebben gemaakt, is daarop verder voortgeborduurd.

Indien Deutsche Post De Rijke c.s. tegen beter weten in op het verkeerde been heeft willen zetten is dat op deze momenten gebeurd. De eventuele concepten van genoemd e-mailbericht en genoemde brief met de eventuele schriftelijke (steeds al dan niet in digitale vorm) toelichtingen daarbij aan degenen aan wie die concepten zijn toegestuurd en de eventuele schriftelijke reacties op die concepten, zijn derhalve bescheiden die - naar in redelijkheid moet worden aangenomen - kunnen dienen om antwoord te geven op de vraag of DPI ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst van 6 oktober 2004 wist dat in die overeenkomst ten nadele van De Rijke c.s. op een - in het arrest besproken - onjuiste wijze toepassing aan artikel 4.3 van de koopovereenkomst werd gegeven.

Ook de concepten, eventuele schriftelijke toelichtingen daarbij en eventuele schriftelijke reacties daarop betreffende de Final Settlement Agreement on the Completion Accounts van 6 oktober 2004 (productie 7 bij de inleidende dagvaarding) zijn in de hiervoor bedoelde zin als relevant aan te merken.

2.4 Van de overige door De Rijke c.s. verlangde bescheiden is onvoldoende aannemelijk dat zij in de meerbedoelde zin relevant zijn.

2.5 Op deze gronden zal de incidentele vordering ten dele worden toegewezen, in de uit het navolgende blijkende zin. Voorshands ziet het hof geen aanleiding aan de veroordeling een dwangsom te verbinden. Aangezien beide partijen in het incident gedeeltelijk in het gelijk zijn gesteld zullen de kosten worden gecompenseerd.

3. Beslissing

Het hof,

in het incident:

veroordeelt Deutsche Post om binnen twee maanden na heden afschriften aan De Rijke c.s. te verstrekken van de volgende bescheiden:

- concepten, schriftelijke (steeds: al dan niet aan digitale gegevensdragers ontleende) toelichtingen bij die concepten en schriftelijke reacties op die concepten, van:

a. het e-mailbericht van de zijde van Deutsche Post aan de heer [X] van De Rijke c.s. van 23 april 2004 (productie 6 bij conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie);

b. de brief van Deutsche Post aan De Rijke c.s. van 7 september 2004 (productie 12 bij die conclusie);

c. de Final Settlement Agreement on the Completion Accounts (productie 7 bij de inleidende dagvaarding);

voor zover die bescheiden bestaan en voor zover er ten aanzien van die bescheiden geen wettelijke geheimhoudingsplicht bestaat, in welk laatste geval Deutsche Post zulks zal moeten motiveren;

wijst de incidentele vordering voor het overige af;

compenseert de kosten van het incident, in die zin dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H.W. de Planque, A.A. Rijperman en R. van der Vlist en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 december 2012 in aanwezigheid van de griffier.