Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY5017

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
06-12-2012
Zaaknummer
200.097.071.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verdeling van gemeenschap van goederen na echtscheiding. Schulden die voortvloeien uit strafrechtelijke en civielrechtelijke veroordelingen zijn niet verknocht. Waarde van woonwagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2012-0112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 16 mei 2012

Zaaknummer : 200.097.071/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 10-2329

[verzoekster],

wonende te adres]]

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. L. de Roode te [adres]]

tegen

[verweerder],

wonende te [adres]]

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. drs. M. Haasjes te [adres]

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 10 november 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 18 augustus 2011 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De man heeft op 12 januari 2012 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, ingediend.

De vrouw heeft op 20 februari 2012 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 2 maart 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de man:

- op 27 februari 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 9 maart 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de tussenbeschikking van 17 december 2010.

Bij de tussenbeschikking van 17 december 2010 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Iedere beslissing ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap is daarbij aangehouden.

Bij de bestreden beschikking is de verdeling van de huwelijksgemeenschap welke door de echtscheiding wordt ontbonden, als volgt vastgesteld:

1. aan de man worden toebedeeld:

1.1 de echtelijke koopwoonwagen van partijen, onder verrekening van de helft van de waarde van deze woonwagen, te weten € 30.000,-, met de vrouw;

1.2 de bankrekening bij de [verzoekster], rekeningnummer [nummer]0, onder verrekening van de helft van het saldo op deze rekening met de vrouw, zijnde € 23,-;

2. aan de vrouw worden toebedeeld:

2.1 de bankrekening bij de [verzoekster], rekeningnummer [nummer] onder verrekening van de helft van het saldo op deze rekening met de man, zijnde € 145,-;

deze vaststelling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Voorts is bepaald dat de man gehouden is de volgende vorderingen te voldoen:

- de ontnemingsvordering ten bedrage van € 17.558,65;

- de vordering van Eneco BV ten bedrage van € 14.147,84;

- de vordering van het college van B&W ten bedrage van € 2.193,04;

met bepaling dat de vrouw uit hoofde van overbedeling aan de man voldoet een bedrag van € 16.949,77. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

De echtscheidingsbeschikking is op 22 februari 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

2. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen met betrekking tot het oordeel over de verknochtheid van de schulden en de beschikking aan te vullen met de voorwaarde van financiering bij de toedeling van de woonwagen aan de man, en in plaats daarvan, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen bij arrest (het hof leest: beschikking):

primair

- dat de vorderingen die samenhangen met de strafrechtelijke veroordeling van de man als verknochte schulden van de man worden beschouwd en dat deze vorderingen buiten de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap blijven;

subsidiair

- dat de gemeenschap is benadeeld op grond van artikel 1:164 BW en dat de man de schade dient te vergoeden aan de gemeenschap bestaande uit de vorderingen die gerelateerd zijn aan de strafrechtelijke veroordeling van de man;

en de beschikking aan te vullen met:

- dat aan de man de woonwagen wordt toegedeeld onder de voorwaarde van aantoonbare financiering aan de vrouw van € 30.000,-, dan wel de echtelijke woonwagen aan de vrouw toe te delen, waarbij zij de man zal uitkopen met € 30.000,-. Zij zal aan de man in een keer voldoen € 10.000,- en vervolgens € 500,- per maand. De man zal de woning dienen te verlaten, eventueel met de sterke arm van de politie.

3. De man bestrijdt het beroep en verzoekt het hof:

in principaal appel

de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep, althans het door de vrouw in hoger beroep verzochte af te wijzen;

in incidenteel appel

de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:

- voor zover het inspectierapport van Nederlof & Partners BV kan worden aangemerkt als bindend advies, voor recht te verklaren dat dit bindend advies is vernietigd, althans dit bindend advies te vernietigen;

- te bepalen dat de woonwagen aan de man wordt toebedeeld onder verrekening van de helft van de waarde ervan, te weten € 3.600,-, met de vrouw;

- te bepalen dat de man huurder zal zijn van de standplaats aan de [adres] te ([[adres]]

- te bepalen dat de vrouw de door de man aan de Belastingdienst verschuldigde motorrijtuigenbelasting over de periode 6 december 2010 tot en met 5 maart 2011 te vermeerderen met de door de man aan de Belastingdienst verschuldigde boete aan de man dient te voldoen;

- en voor het overige de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De vrouw verzet zich daartegen.

5. De vrouw stelt in hoger beroep - kort samengevat - primair dat de schulden die voortvloeien uit de strafrechtelijke veroordeling van de man aan hem verknochte schulden zijn. Subsidiair stelt de vrouw dat de huwelijksgemeenschap benadeeld is door deze schulden. Deze schulden zijn ontstaan 6 maanden voor de aanvang van de echtscheidingsprocedure, dan wel daarna. De door de man aangerichte schade dient hij volgens de vrouw aan de gemeenschap te vergoeden. De vrouw voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte enkel de echtelijke koopwoonwagen aan de man heeft toegedeeld zonder een verdere overweging op te nemen over de financiering voor uitkoop van de vrouw. De man dient een redelijk betalingsvoorstel aan te bieden, dan wel een aantoonbare financiering voor te houden. Indien de man hieraan niet voldoet, dient de echtelijke woonwagen aan de vrouw te worden toegedeeld waarbij zij de man zal uitkopen met € 30.000,-. Zij zal aan de man in een keer € 10.000,- voldoen en vervolgens € 500,- per maand. De man zal de woning dienen te verlaten, eventueel met behulp van de sterke arm.

6. De man heeft de gronden van de vrouw gemotiveerd bestreden. Hij stelt zich in incidenteel appel op het standpunt - kort weergegeven - dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn bezwaren tegen de taxateur Nederlof & Partner B.V. en zijn inhoudelijke bezwaren tegen het taxatierapport van die taxateur. Verder is de rechtbank volgens de man ten onrechte uitgegaan van de door de taxateur bepaalde waarde van de woonwagen van € 60.000. De man meent dat de woonwagen € 7.200,- waard is en verzoekt het hof te bepalen dat de woonwagen aan hem wordt toegedeeld, onder verrekening van de helft van de waarde ervan, te weten € 3.600,-, met de vrouw. Voorts verzoekt de man het hof te bepalen dat hij huurder zal zijn van de standplaats aan de [adres] te [[adres]] Ten slotte stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat ieder van partijen de helft van de motorrijtuigenbelasting over de periode van 6 december 2010 tot 5 maart 2011 dient te voldoen. De man verzoekt te bepalen dat de vrouw de door de man verschuldigde motorrijtuigenbelasting over de periode 6 december 2010 tot en met 5 maart 2011 te vermeerderen met de door de man aan de belastingdienst verschuldigde boete aan de man dient te betalen.

7. Het hof oordeelt als volgt. Op grond van artikel 1:94 lid 2 BW omvat de gemeenschap wat haar lasten betreft alle schulden van ieder der echtgenoten. Schulden die aan een echtgenoot op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, vallen slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet. Of de schuld op een bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht, hangt af van de aard van de schuld, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. Het hof is oordeel dat de schulden die voortvloeien uit de strafrechtelijke (ontnemingsvordering) en de civielrechtelijke (Eneco) veroordeling van de man, alsmede die vanwege onterecht ontvangen sociale uitkeringen (gemeente [adres]; zie reeds HR 15 mei 1992, NJ 1993, 486) niet dienen te worden aangemerkt als verknochte schulden. De vrouw heeft naar het oordeel van het hof geen feiten of omstandigheden gesteld die in zoverre tot een andere beslissing leiden. Het hof neemt bij het bepalen van de aard van die schulden, mede aan de hand van de maatschappelijke opvattingen, in aanmerking dat uit de stukken en het besprokene ter zitting voldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw tot in mei 2009 bij de man was en met hem en de kinderen van partijen een gezamenlijke huishouding voerde. De vrouw verzorgde het hele huishouden en de administratie van partijen. Verder is onweersproken gesteld door de man dat partijen ook al in 2003 een hennepkwekerij hebben gehad, waarbij de vrouw, de kinderen van partijen en familieleden bij de exploitatie van deze kwekerij hebben geholpen en zich hiermee inkomsten hebben verworven. Op het terrein van het woonwagenkamp bevonden zich in ongeveer elf van de twintig woonwagens hennepkwekerijen die alle in maart 2008 zijn ontmanteld. Niet weersproken is dat alle bewoners van het woonwagenkamp elkaar goed kennen (ons kent ons) en dat zij van elkaar wisten wie er wel of geen hennepkwekerij had. De man heeft verder verklaard dat zijn hennepkwekerij in kwestie zich in de schuur bevond, op slechts zeven meter afstand van de woonwagen van partijen. Gelet op bovengenoemde omstandigheden, mede in het licht bezien van de wisselende verklaringen van de vrouw ter zitting ter zake haar betrokkenheid bij de hennepkwekerij, is het hof van oordeel dat het betoog van de vrouw dat zij niet op de hoogte was van de hennepkwekerij van de man en daarmee ook niets wist van de in het geding zijnde schulden, weinig geloofwaardig is. Het is wellicht mogelijk dat de vrouw geen aandeel heeft gehad in de exploitatie zelf, maar op grond van het vorenstaande moet het er voor worden gehouden dat de vrouw in ieder geval bekend was met het bestaan van de hennepkwekerij en deze minst genomen heeft gedoogd. In het licht van het voorgaande faalt de subsidiaire stelling van de vrouw dat de huwelijksgemeenschap is benadeeld in de zin van artikel 1:164 lid 1 BW door toedoen van de man evenzeer. Het hof verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank dienaangaande en neemt deze hierbij over. Mitsdien behoren deze schulden tot de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen en moeten deze bij de in de verdeling worden betrokken, aldus ieder van partijen deze voor de helft zal dragen. Dat enkel de man strafrechtelijk is veroordeeld voor het bezit van de hennepkwekerij maakt dit niet anders. De eerste grond van de vrouw faalt derhalve.

8. De man is het niet eens met de taxatie van de woonwagen, waarbij de woonwagen is getaxeerd op een waarde van € 60.000,-. Hij meent dat de waarde van de woonwagen veel te hoog is vastgesteld en dat ten onrechte is uitgegaan van een waarde van de woonwagen inclusief standplaats, terwijl de grond waarop de woonwagen staat (de standplaats) eigendom is van de gemeente [adres] en niet van partijen.

9. Het hof deelt het standpunt van de man omtrent de rol van de standplaats bij de waarde niet. Vast staat weliswaar dat de grond waarop de woonwagen staat eigendom is van de gemeente en dat de man de standplaats van de woonwagen van de gemeente huurt. Gebleken is echter dat de man al bijna 25 jaar op dezelfde standplaats staat en dat de gemeente die situatie al die tijd gedoogt. De woonwagen is 28 jaar oud. De man betaalt stageld ten bedrage van € 160,- per maand en betaalt voor het gebruik van gas, water en elektriciteit. Verder is gebleken dat er geen verkoop van de woonwagen zal plaatsvinden en dat die situatie niet zal veranderen. Gelet op het gedogen door de gemeente om op die plek te mogen staan en gezien het duurzame karakter daarvan (de man huurt al 25 jaar lang de grond van de gemeente), valt – in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw – niet in te zien waarom het hebben van deze – in wezen vaste – standplaats niet behoort te worden meegewogen in de taxatie van de woonwagen. Het hof is derhalve van oordeel dat dient te worden uitgegaan van de waarde van de woonwagen inclusief standplaats.

10. De man schat dat de waarde van de woonwagen niet hoger dan € 7.200,- is. De vrouw schat dat de waarde € 60.000,- bedraagt als deze in de verkoop wordt gebracht bij een makelaar. Partijen betwisten over en weer de deugdelijkheid van de ingebrachte taxatierapporten. Wat hier ook van zij, het hof stelt, gelet op het besprokene ter zitting en gezien de uiteenlopende met taxatierapporten ondersteunde standpunten van partijen, de waarde van de woonwagen (inclusief de duurzame beschikking over een standplaats) in goede justitie vast op € 30.000,-.

11. De man meent verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat beide partijen de helft van de motorrijtuigenbelasting over de periode van 6 december 2010 tot 5 maart 2011 dienen te voldoen. Hij meent dat de vrouw de gehele aanslag voor haar rekening dient te nemen. Nu de man noch de vrouw ter zitting geen, althans onvoldoende duidelijkheid hieromtrent hebben kunnen verschaffen, dient het verzoek van de man als onvoldoende onderbouwd te worden afgewezen.

12. Op grond van het vorenstaande stelt het hof de omvang en samenstelling van de ontbonden huwelijksgemeenschap als volgt vast.

Activa

a. de voormalige echtelijke koopwoonwagen ter waarde van € 30.000,--

b. het tegoed op bankrekening bij [verzoekster], nr. [nummer]0, € 46,--

c. het tegoed op bankrekening bij [verzoekster], nr. [nummer] € 290,--

totaal der activa € 30.336,--

Passiva

a. de ontnemingsvordering ten bedrage van € 17.558,65

b. de vordering van Eneco BV ten bedrage van € 14.147,84

c. de vordering van het college van B & W ten bedrage van € 2.193,04

totaal der passiva € 33.899,53

zodat het negatieve saldo van de gemeenschap

bedraagt - € 3.563,53

dat dient te worden gedragen door ieder van de echtgenoten voor

de helft, of € 1.781,76

13. Op grond van de verdeling in de bestreden beschikking en met inachtneming van vorenstaande boedelbeschrijving komt toe:

A. aan de man:

a. de voormalige echtelijke koopwoonwagen ter waarde van € 30.000,--

b. het tegoed op bankrekening bij [verzoekster], nr. [nummer]0, € 46,--

totaal der verkrijging € 30.046,--

onder verplichting om voor zijn rekening te nemen en als eigen schuld

te voldoen

a. de ontnemingsvordering ten bedrage van € 17.558,65

b. de vordering van Eneco BV ten bedrage van € 14.147,84

c. de vordering van het college van B & W ten

bedrage van € 2.193,04

totaal der passiva € 33.899,53

zodat het resultaat is dat hij bijdraagt in het negatieve saldo van

de gemeenschap met € 3.853,53

hij behoeft evenwel slechts te dragen € 1.781,76

zodat de vrouw aan hem alsnog wegens onderbedeling dient te voldoen € 2.071,77

en hij derhalve draagt zijn aandeel in het negatieve saldo, of € 1.781,76

B. aan de vrouw:

het tegoed op bankrekening bij [verzoekster], nr. [nummer] € 290,--

onder de verplichting voor de vrouw aan de man te voldoen wegens

onderbedeling een bedrag van € 2.071,77

zodat zij uiteindelijk draagt een bedrag van € 1.781,77

zijnde dit het bedrag dat zij in het negatieve saldo dient te dragen.

14. Op grond van het voorafgaande zal het hof de verdeling ten aanzien van de bedragen vernietigen, en – met inachtneming van het vorenstaande – de verdeling opnieuw vaststellen.

15. Op grond van vorenstaande verdeling heeft de vrouw er geen belang meer bij dat aan de toedeling aan de man een voorwaarde wordt verbonden van aantoonbare financiering aan de vrouw als door haar verzocht.

16. Met inachtneming van hetgeen overigens door de rechtbank in de bestreden beschikking is overwogen, leidt dit alles tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de vaststelling van bedragen de verdeling en, in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt de verdeling vast zoals in deze beschikking in rechtsoverweging 13 is bepaald;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Kamminga en Stollenwerck, bijgestaan door Lekahena als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 mei 2012.