Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY4773

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
30-11-2012
Zaaknummer
200.087.672/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nalatenschap. Vordering erfgenamen tot afgifte roerende zaken. Bewijs van eigendom. Bewijsopdracht en bewijswaardering. Uitleg getuigenverklaringen. Passeren bewijsaanbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.087.672/01

Zaak - rolnummer Rechtbank : 321854/HA ZA 09-40

arrest van 25 september 2012

inzake

[moeder 1],

wonende te [woonplaats],

handelend als gevolmachtigde van

[de dochter van erflater],

en

[moeder 2],

wonende te [woonplaats],

handelend in haar hoedanigheid van

ouder uitoefende het ouderlijk gezag over

[de kleindochter van erflater],

appellanten, tevens (voorwaardelijk) incidenteel verweersters,

hierna te noemen: de erfgenamen,

advocaat: mr. M.E. van Waart te Bussum,

tegen

[de vrouw van erflater],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde, tevens (voorwaardelijk) incidenteel appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. L.P.M. Eenens te Alphen aan den Rijn.

Het geding

Bij exploot van 29 april 2011 is de vrouw in hoger beroep gekomen van het vonnis van 12 augustus 2009 (hierna ook: het tussenvonnis) en het vonnis van 2 februari 2011 (hierna ook: het eindvonnis, beide vonnissen tezamen hierna ook: de bestreden vonnissen) door de rechtbank Rotterdam tussen de erfgenamen als eiseressen en de vrouw als gedaagde gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de bestreden vonnissen heeft vermeld.

Bij memorie van grieven hebben de erfgenamen drie grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven bestreden. Tevens heeft zij voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld.

Bij memorie van antwoord in het voorwaardelijke incidenteel hoger beroep hebben de erfgenamen de vordering van de vrouw bestreden.

Partijen hebben hun procesdossiers aan het hof over¬ge¬legd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Door de erfgenamen wordt gevorderd:

vernietiging van de vonnissen waarvan hoger beroep en veroordeling van de vrouw om binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen arrest:

primair:

a. aan de erfgenamen af te geven de personenauto merk Fiat, type [...];

- de personal computer, merkloos, beeldscherm LG, printer Deskjet en printer Epson;

- honderden cd’s, diverse titels en artiesten;

- twee houten koppen uit Afrika (tafelmodel met witte ketting);

- het gereedschap, waaronder diverse beitels, hamer en schroevendraaiers,

een en ander op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 2.500,- voor iedere dag waarmee de vrouw na ommekomst van de bovengenoemde termijn met afgifte van deze goederen of een deel daarvan in gebreke blijft;

b. aan de erfgenamen te betalen een bedrag ad € 55.000,- als schadevergoeding voor de camper die door de vrouw is verkocht, alsmede het verschil tussen € 13.000,- en de dagwaarde van de personenauto merk Fiat met kenteken [...] op het moment van teruggave daarvan,

een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2007, subsidiair 28 november 2008, meer subsidiair de datum van het uitbrengen van het exploot van dagvaarding in eerste instantie;

subsidiair met betrekking tot de onder a genoemde goederen/zaken:

voor het geval de vrouw naar het oordeel van het hof niet zou hoeven of kunnen overgaan tot afgifte hiervan aan de erfgenamen, aan de erfgenamen te vergoeden de waarde op 17 augustus 2007 van de personenauto merk Fiat, type [...], met kenteken [...], en de waarde van de overige goederen/zaken, door betaling aan hen van € 15.500,- (€ 13.000,- voor de Fiat + € 2.500,- als vergoeding voor de overige zaken/goederen), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2007, subsidiair 28 november 2008, meer subsidiair de datum van het uitbrengen van het exploot van dagvaarding;

zowel primair als subsidiair:

geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties, de kosten van beslaglegging daaronder begrepen.

2. Door de vrouw wordt geconcludeerd:

in appel

de tussen partijen gewezen bestreden vonnissen, zo nodig onder verbetering van de rechtsgronden, te bekrachtigen met veroordeling, zulks uitvoerbaar bij voorraad, van appellanten in de kosten van het hoger beroep;

in voorwaardelijk incidenteel appel

indien en voor het geval dat de vorderingen van appellanten in conventie niet volledig worden afgewezen en de toegewezen vordering van de vrouw niet volledig in stand blijft:

in conventie:

de tussen partijen gewezen bestreden vonnissen te vernietigen en, opnieuw rechtdoende de erfgenamen in hun conventionele vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans hen deze te ontzeggen, met veroordeling, zulks uitvoerbaar bij voorraad, van de erfgenamen in de kosten van het incidenteel hoger beroep in conventie;

in reconventie:

de reconventionele vorderingen van de vrouw zoals ingesteld in eerste aanleg alsnog toe te wijzen, met veroordeling van de erfgenamen in de kosten van het incidenteel hoger beroep in reconventie.

3. De erfgenamen concluderen in hun memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel:

- tot verwerping van alle grieven van de vrouw;

- tot afwijzing van de in het voorwaardelijk incidenteel appel geformuleerde reconventionele vorderingen;

- tot veroordeling van de vrouw - bij arrest uitvoerbaar bij voorraad - in de kosten van het voorwaardelijk incidentele appel, ook als dat in hoger beroep niet aan de orde komt.

Vermindering van de vordering

4. Het hof stelt vast dat de erfgenamen in hoger beroep hun primaire vordering hebben verminderd in die zin dat niet meer wordt gevorderd de afgifte van de fiets Batavus, damesmodel, kleur blauw en dat de vordering tot betaling door de vrouw aan de erfgenamen van een bedrag van € 57.500,- is verminderd naar een bedrag van € 55.000,-.

Bewijsopdracht

5. De rechtbank heeft bij haar tussenvonnis van 12 augustus 2009 aan de vrouw het bewijs opgedragen van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een schenking waaruit blijkt dat de erflater alle roerende zaken aan de vrouw heeft gelaten.

In het bestreden vonnis van 2 februari 2011 heeft de rechtbank de vorderingen van de erfgenamen afgewezen, het door hen ten laste van de vrouw onder haar gelegde conservatoir beslag opgeheven en de erfgenamen veroordeeld in de proceskosten, die van het beslag daaronder begrepen.

6. De erfgenamen klagen in hun eerste grief dat de bewijsopdracht door de rechtbank te ruim is geformuleerd. Als gevolg hiervan heeft de vrouw volgens de erfgenamen te veel speelruimte gekregen bij haar pogingen het verlangde bewijs bij elkaar te brengen en is de rechtbank bij de beoordeling van het bewijsmateriaal verstrikt geraakt in de onduidelijkheden die zij zelf in het leven heeft geroepen. Dit laatste doordat in de bewijsopdracht de roerende zaken niet zijn gespecificeerd en doordat in rechtsoverweging 4.1 van het eindvonnis een en ander is toegevoegd aan de oorspronkelijke bewijsopdracht. De erfgenamen zijn hiervan de dupe geworden.

7. De vrouw is van mening dat de bewijsopdracht correct is geformuleerd. Zij betwist het door de erfgenamen gestelde.

8. Het hof begrijpt uit de grief dan wel de toelichting op de grief dat de erfgenamen van mening zijn dat de rechtbank niet het bewijs van “alle roerende zaken” had moeten opdragen, maar die roerende zaken had moeten specificeren. Het hof overweegt hieromtrent dat uit de processen-verbaal van de getuigenverhoren blijkt dat alle roerende zaken waarover tussen partijen geschil bestond, dan wel bestaat - inclusief de camper - in de getuigenverhoren zijn betrokken, zodat het voor partijen kennelijk duidelijk was om welke zaken het ging. Voorts zijn de erfgenamen tijdens de enquête en de contra-enquête in de gelegenheid geweest de getuigen omtrent de specifieke roerende zaken te bevragen en ook zelf getuigen naar voren te brengen. De rechtbank heeft vervolgens aan de hand van de bewijsopdracht als weergegeven in het tussenvonnis van 12 augustus 2009 een beslissing genomen over de hiervoor bedoelde zaken. In dit opzicht is de beoordeling van de rechtbank niet onduidelijk en is evenmin van verstrikking, wat de erfgenamen daar ook mee mogen bedoelen, sprake. Gelet op dit alles komt het hof tot de conclusie dat de eerste grief van de erfgenamen geen doel treft.

Bewijswaardering

9. De erfgenamen komen in hun tweede grief op tegen het oordeel van de rechtbank dat de vrouw in haar bewijsopdracht is geslaagd. Kort gezegd klagen zij over het volgende:

- uit de rechtsoverwegingen 5 en 6 van het bestreden vonnis blijkt dat de rechtbank alleen acht heeft geslagen op de conclusie na enquête zijdens de vrouw en niet op de conclusie van antwoord na enquête zijdens de erfgenamen;

- de rechtbank heeft ten onrechte geconstateerd dat getuige [A] en getuige [B] beiden hebben verklaard dat de erflater hen heeft gezegd: “alles wat van mij is, is van [de vrouw]”. Indien de erflater dit zou hebben gezegd, dan was dat schertsend bedoeld. De aanvullende e-mail van getuige [B] mag niet als bewijs dienen. De verklaring van getuige [A] zag niet op de camper en de auto omdat die volgens haar verklaring in augustus 2007 nog het eigendom van de erflater waren;

- de verklaring van de dochter van de vrouw (hierna ook: de dochter) oogt gekunsteld en geïnstrueerd. Zij heeft slechts drie gesprekken met de erflater gevoerd. Zij had moeten informeren naar eventuele kinderen of andere familie van de erflater en naar een testament. Haar verklaring dat de erflater al in februari 2007 gezegd zou hebben dat de auto en de camper van of voor haar moeder zouden zijn, dient in twijfel te worden getrokken;

- de verklaring van de vrouw zelf doet zeer gekunsteld en geïnstrueerd aan en is volkomen ongeloofwaardig. Gelet op de persoonlijkheid van de erflater, had hij in geval van een schenking aan de vrouw zeker maatregelen getroffen om die schenking te formaliseren;

- uit de getuigenverklaring van de broer van de erflater in de contra-enquête blijkt dat de relatie tussen de erflater en de vrouw onder druk stond. Het is daarom onwaarschijnlijk dat de erflater haar de roerende goederen, waaronder de camper, heeft geschonken;

- de rechtbank is zeer selectief te werk gegaan bij de beoordeling van wat de getuigen hebben verklaard.

Gelet op het vorenstaande zijn de erfgenamen van mening dat de vrouw niet in haar bewijsopdracht is geslaagd. Zij doen in hoger beroep ten slotte een algemeen bewijsaanbod.

10. De vrouw weerspreekt het door de erfgenamen gestelde en voert daartoe samengevat het volgende aan:

- de rechtbank heeft wel degelijk kennis genomen van de conclusie van antwoord na enquête zijdens de erfgenamen, zoals blijkt uit het vermelde onder 1 van het eindvonnis;

- getuige [B] heeft verklaard dat in een gesprek met de erflater naar voren is gekomen dat de spullen zoals aanwezig voor de vrouw zouden zijn. In haar latere e-mail heeft zij deze verklaring nog aangevuld. Van deze aanvulling heeft de vrouw uitdrukkelijk bewijs aangeboden;

- getuige [A] heeft wel de door de rechtbank geciteerde bewoordingen gebruikt en heeft slechts aangegeven dat het haar bekend was dat de camper en de auto van de erflater waren, zonder nadere tijdsaanduiding. Er is geen sprake van scherts van de erflater;

- de dochter van de vrouw heeft van eind december 2006 tot aan zijn dood regelmatig contact gehad met de erflater. Tijdens die verschillende gesprekken is driemaal de schenking aan de orde geweest. De erflater heeft de dochter zijn voornemen tot het schenken van de zaken aan haar moeder kenbaar gemaakt;

- de verklaring van de vrouw wordt ondersteund door die van de overige getuigen. Zij is consistent in haar verklaring dat sprake is geweest van een schenking van de erflater aan haar welke op 3 april 2007 heeft plaatsgevonden, nadat de erflater de verkoopopbrengst van zijn woning had ontvangen. De erfgenamen hebben - in tegenstelling tot de vrouw en de door haar aangebrachte getuigen - nauwelijks contact gehad met de erflater en kennen zijn beweegredenen niet;

- de broer van de erflater is de vrouw slecht gezind omdat zij het vorige huwelijk van de erflater zou hebben doen stranden. Hij is degene die de lijst met zaken aan de erfgenamen heeft verschaft die aanleiding is geweest voor het onder haar gelegde beslag en de onderhavige procedure. Deze broer kan de relatie tussen de erflater en de vrouw niet beoordelen omdat hij gedurende die relatie geen contact meer met de erflater heeft gehad.

Volgens de vrouw heeft de rechtbank dan ook terecht geoordeeld dat zij aan de bewijsopdracht heeft voldaan. De vrouw biedt onder betwisting van gehoudenheid daartoe getuigenbewijs aan.

11. Het hof overweegt als volgt. Nu de erfgenamen met voormelde grief de bewijswaardering van de rechtbank aan de orde hebben gesteld, dient het hof zelfstandig te beoordelen of de vrouw is geslaagd in het leveren van het opgedragen bewijs. Gelet op hetgeen uit het dossier naar voren komt, is het hof van oordeel dat de vrouw daarin is geslaagd. Bij dit oordeel betrekt het hof in het licht van de specifieke klachten van de erfgenamen het navolgende.

12. Zoals de vrouw terecht stelt, blijkt uit de in het bestreden vonnis onder 1 vermelde opsomming dat de rechtbank in ieder geval kennis heeft genomen van de conclusie van antwoord na enquête zijdens de erfgenamen. Daarnaast geldt dat de rechter bij opgedragen getuigenbewijs vrij is in de waardering daarvan en ook niet gehouden is specifiek in te gaan op de conclusie van antwoord na enquête. Het hof gaat derhalve voorbij aan de desbetreffende klacht van de erfgenamen.

13. Ten aanzien van de verklaringen van de getuigen [A] en [B] overweegt het hof als volgt. Zoals de erfgenamen terecht stellen, heeft getuige [B] niet letterlijk verklaard dat de erflater tegen haar heeft gezegd “alles wat van mij is, is van [de vrouw]”. Zij heeft echter wel verklaard “Toen is naar voren gekomen dat de spullen zoals aanwezig waren voor [de vrouw] zouden zijn”. Het hof is van oordeel dat deze verklaring, in verband gezien met de als productie 10 overgelegde e-mail, een soortgelijke strekking heeft als de daarboven geciteerde verklaring. Het stond de vrouw overigens vrij de aanvullende e-mail van getuige [B] over te leggen, aangezien bewijs in beginsel kan worden geleverd door alle middelen. Het hof volgt de erfgenamen niet in hun - overigens niet onderbouwde - stelling dat van de zijde van de erflater sprake zou zijn geweest van scherts nu ook uit de getuigenverklaring van de dochter van de vrouw blijkt dat in een serieus gesprek van de dochter met de erflater door de erflater is verklaard: “De auto en de camper en alles is van je moeder. Alles is van [de vrouw]”. Het hof maakt voorts uit de verklaring van getuige [A] niet op dat zij bedoeld zou hebben dat de camper en de auto in augustus 2007 nog het eigendom waren van de erflater.

14. Het hof verwerpt de stellingen van de erfgenamen ter zake van de getuigenverklaring van de dochter van de vrouw. In aanmerking genomen dat de dochter en de erflater elkaar voor haar vertrek naar Tanzania enkele malen hebben ontmoet en ook daarna via ‘skype’ contact hebben gehouden en gezamenlijk met de vrouw een maand vakantie in Tanzania hebben doorgebracht, acht het hof voldoende aannemelijk dat er meer dan drie gesprekken tussen de erflater en de dochter hebben plaatsgevonden. Onder deze omstandigheden, waaruit blijkt dat de verhouding tussen de dochter en de erflater goed was, ziet het hof geen grond de getuigenverklaring met betrekking tot de gemelde onderwerpen (camper, auto en andere zaken) in twijfel te trekken. Dat andere kwesties geen onderwerp van gesprek zijn geweest, doet daaraan niet af. Het hof ziet ten slotte geen aanleiding om de verklaring van de dochter dat de erflater al in februari 2007, dus voor de gestelde datum van schenking 3 april 2007, tegen haar heeft gezegd dat de camper en de auto van/voor de vrouw zouden zijn, in twijfel te trekken. De erflater kan hiermee zeer wel zijn voornemen tot schenking van de camper en de auto kenbaar hebben gemaakt. Uit het gebruik van de woorden ‘van’ dan wel ‘voor’ in de verklaring kan naar het oordeel van het hof geen precieze reconstructie van de volgorde der gebeurtenissen worden afgeleid, zoals de erfgenamen kennelijk beogen.

15. Het hof verwerpt eveneens de stellingen van de erfgenamen ter zake van de getuigenverklaring van de vrouw. Het hof is van oordeel dat de verklaring van de vrouw voldoende wordt ondersteund door de verklaringen van de door haar voortgebrachte getuigen. Ten aanzien van hetgeen over de persoon van de erflater en zijn al dan niet daaruit voortvloeiende handelwijzen wordt gesteld, overweegt het hof dat, nu de erfgename [de dochter van erflater], zijnde de dochter van de erflater, haar vader sinds 1987 niet meer heeft gezien of gesproken en erfgename [de kleindochter van erflater], zijnde de kleindochter van de erflater, de erflater nooit heeft ontmoet, zij de beweegredenen van de erflater in de periode 2006/2007 niet uit eigen wetenschap hebben kunnen kennen. Voor de getuige in contra-enquête - de broer van de erflater - geldt dat hij gedurende de relatie van de erflater met de vrouw geen contact meer heeft gehad met de erflater, zodat hij niet op de hoogte kon zijn van de aard van deze relatie. Daarbij komt dat juist de broer van de erflater heeft verklaard dat de erflater geregeld met hem gesproken heeft over het onterven van zijn kinderen, welke verklaring niet strijdig is met de stelling van de vrouw dat sprake is van een schenking van de roerende zaken door de erflater aan haar.

16. De derde, tevens laatste grief van de erfgenamen heeft geen zelfstandige betekenis zodat deze geen nadere bespreking behoeft.

17. Het hof zal het aanbod van de erfgenamen hun medewerking te verlenen aan het opnieuw horen van de in eerste aanleg gehoorde getuigen als onvoldoende concreet en specifiek passeren. Gelet op de hierna te nemen beslissing zal het hof eveneens niet ingaan op het bewijsaanbod van de vrouw.

CONCLUSIE

18. Nu de grieven van de erfgenamen niet slagen, moeten de bestreden von¬nissen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, worden be¬krach¬tigd. Het hof komt derhalve niet toe aan het voorwaardelijk incidenteel appel.

19. De erfgenamen zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

20. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Rotterdam op 12 augustus 2009 en op 2 februari 2011 tussen de partijen gewezen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt de erfgenamen in de kosten van het geding in hoger be¬roep, aan de zijde van de vrouw tot deze uitspraak begroot op € 1.807,- , gespeci¬ficeerd als volgt:

- € 649,- vastrecht;

- € 1.158,- salaris procureur;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Labohm, Lückers en Mink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 september 2012 in aanwezigheid van de griffier.