Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY4682

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
200.075.442-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kennelijk onredelijke opzegging; vergoeding toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-1129

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector Civiel Recht

Zaaknummer : 200.075.442 /01

Rolnummer Rechtbank : 923169 \ CV EXPL 10-58

Arrest van 4 december 2012

inzake

[Naam],

wonende te [Woonplaats] (gemeente […]),

appellante in het principaal appel,

verweerster in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. M. Bruins te Zoetermeer,

tegen

Rucanor Europe B.V. ,

gevestigd te Nieuwerkerk a/d IJssel ,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: Rucanor,

advocaat: mr. E.W. Kingma te Leeuwarden.

Het geding

1. In deze zaak is op 9 november 2010 een tussenarrest gewezen waarbij een comparitie van partijen is gelast. De comparitie van partijen is gehouden op 17 januari 2011. Van het ter zitting verhandelde is proces-verbaal opgemaakt. Waar een regeling ter zitting uiteindelijk niet tot stand gekomen is, heeft [appellante] vervolgens een memorie van grieven genomen met daarin opgenomen twee grieven, die beide bestreden zijn bij memorie van antwoord tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel (met producties) met daarin opgenomen twee grieven. [appellante] heeft daarop een memorie van antwoord in incidenteel appel genomen. Voorts heeft [appellante] een akte genomen waarop Rucanor bij antwoordakte (met producties) heeft gereageerd.

Beide partijen hebben arrest gevraagd, onder overlegging van stukken.

Beoordeling van het hoger beroep

in principaal en incidenteel appel

2. In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter een aantal feiten vastgesteld. Daartegen is in hoger beroep niet opgekomen, zodat die feiten tussen partijen vast staan.

Het hof zal van die feiten uitgaan.

3. Samengevat gaat het om het volgende.

- [appellante], geboren op [geboortedatum], is (in ieder geval) sedert 10 april 1995 bij Rucanor in dienst geweest, laatstelijk als magazijnmedewerkster op de afdeling Logistiek in Moerdijk voor 16,5 uur per week. Het laatst verdiende salaris bedroeg € 687,70 bruto per maand, exclusief 8% vakantiegeld.

- na op 22 mei 2009 verkregen toestemming van UWV WERKbedrijf heeft Rucanor de arbeidsovereenkomst met [appellante] opgezegd tegen 31 juli 2009.

- [appellante] heeft bij gelegenheid van het einde van haar dienstverband met Rucanor, van Rucanor geen financiële compensatie ontvangen.

in principaal appel

4. Tegen de achtergrond van voormelde feiten en stellende dat er sprake is van een kennelijk onredelijke en tevens van een onregelmatige opzegging, heeft [appellante] tegen Rucanor ter zake een vordering ingesteld zoals in de inleidende dagvaarding omschreven.

5. De kantonrechter heeft ter zake van onregelmatige opzegging aan [appellante] (aan gefixeerde schadevergoeding) een bedrag toegewezen van € 687,70. Voor het overige heeft de kantonrechter de vordering van [appellante] afgewezen en [appellante] veroordeeld in de kosten van de procedure.

6. [appellante] kan zich met het vonnis van de kantonrechter niet verenigen, reden waarom zij van die uitspraak in hoger beroep gekomen is, vernietiging vordert van genoemd vonnis, alsmede, kort gezegd, veroordeling van Rucanor tot:

a. betaling van een bedrag groot € 26.564,46 bruto met rente, een en ander ten titel van schadevergoeding als bedoeld in art. 7:681 BW;

b. overlegging van een bruto/netto specificatie met betrekking tot de onder a. genoemde betaling;

c. betaling van een bedrag groot € 1.190,-- aan buitengerechtelijke incassokosten;

d. betaling van de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

De grieven die [appellante] in het kader van het hoger beroep heeft geformuleerd lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

in incidenteel appel

7. Rucanor heeft in incidenteel appel vernietiging gevorderd van het vonnis van de kantonrechter van 8 juli 2010 voor zover daarbij aan [appellante] het bedrag ad € 687,70 is toegewezen ter zake van onregelmatige opzegging en in het verlengde daarvan de vordering van [appellante] ter zake af te wijzen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van beide instanties. In dat kader heeft Rucanor twee grieven geformuleerd.

verder in het principaal appel

8. De kern van het door [appellante] ingestelde appel betreft de vraag of het ontbreken van een financiële compensatie bij gelegenheid van de beëindiging van het dienstverband, het [appellante] gegeven ontslag kennelijk onredelijk maakt. [appellante] heeft naast vorenstaande in appel ook nog andere gronden aangevoerd op grond waarvan zij meent dat de opzegging kennelijk onredelijk is, maar die andere gronden kunnen verder buiten bespreking blijven nu naar het oordeel van het hof in dezen inderdaad van een kennelijk onredelijke opzegging op grond van het gevolgencriterium sprake is.

9. Op zich is het juist dat het enkele feit dat bij een opzegging (na verkregen toestemming van het UWV WERKbedrijf) geen geldelijke compensatie toegekend wordt, de opzegging nog niet kennelijk onredelijk maakt. Het uitblijven van een geldelijke compensatie, kan gevoegd bij andere omstandigheden, echter wel bijdragen aan het oordeel dat van een kennelijk onredelijke opzegging sprake is. In dezen is dat laatste het geval. Het gaat hier om een oudere (goed functionerende) werknemer die niet geschoold is en jaren lang (ruim 14 jaar) hetzelfde werk van magazijnmedewerkster verricht heeft en dus in haar werk niet de nodige (andere) ervaringen heeft opgedaan. Tegen die achtergrond viel niet te verwachten dat de kansen op de arbeidsmarkt dusdanig waren dat op het moment van opzegging, althans het einde van de arbeidsovereenkomst, te voorzien was dat [appellante] spoedig een andere (vergelijkbare) dienstbetrekking zou vinden. Naar het oordeel van het hof is, gegeven deze omstandigheden de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Rucanor kennelijk onredelijk en komt [appellante] een vergoeding toe als bedoeld in art. 7:681 BW.

Rucanor heeft nog betoogd dat er binnen haar organisatie geen ruimte is voor welke vergoeding dan ook, maar het hof gaat aan dat betoog voorbij. Het hof kan Rucanor volgen in haar stelling dat financiële resultaten inkrimping (en daarmee samenhangend gedwongen ontslagen) noodzakelijk maakten, maar dat betekent nog niet dat Rucanor als goed werkgever in haar reorganisatie geen financiële ruimte hoefde in te bouwen om werknemers (waaronder [appellante]) die bij het UWV WERKbedrijf werden voorgedragen voor ontslag, financieel enigermate te compenseren. Het outplacement traject, dat ook aan [appellante] is aangeboden, is in het kader van het voorgaande te mager. Wat [appellante] betreft blijkt ook niet dat in het "outplacen" van [appellante] van de kant van Rucanor geld en energie zijn gestoken. Bij dat laatste is nog van belang dat [appellante] niet geweigerd heeft aan outplacement mee te werken, ze heeft het, om wat voor reden dan ook, enkel niet aangekaart. Ook de mogelijkheid om door middel van een vaststellingsovereenkomst de arbeidsovereenkomst met Rucanor eerder te beëindigen met uitbetaling van een vergoeding voor de ingekorte opzegtermijn kan niet als een passende vergoeding als [appellante] toekomt, worden beschouwd. Het moge zo zijn dat de WW-uitkering in dat geval eerder ingaat en dat dubbele betaling (van WW-uitkering en uitbetaling verkorting opzegtermijn) tot voordeel van de betreffende werknemer strekt, maar de WW-uitkering komt niet ten laste van Rucanor, bij werkloosheid van [appellante] heeft [appellante] daar sowieso recht op, geheel buiten Rucanor om, terwijl een eerder ingaan van die uitkering ook betekent dat die uitkering een maand eerder stopt. Voor [appellante], die geen andere baan gevonden heeft, zou een en ander een sigaar uit eigen doos betekend hebben.

De omstandigheid dat [appellante] (volgens Rucanor) aangegeven zou hebben in de loop van 2009 met haar werkzaamheden te willen stoppen, doet, zo al juist ([appellante] betwist een en ander gemotiveerd), aan de verschuldigdheid van een vergoeding niet af. Van enig concrete stap in die richting blijkt niets. Voor zover al van belang is bedoelde stelling onvoldoende onderbouwd. Het hebben van voornemens is niet hetzelfde als het realiseren daarvan.

10. Zoals hiervoor al is overwogen komt [appellante] een vergoeding toe als bedoeld in art. 7:681 BW. Het gaat daarbij om een redelijke vergoeding, niet om het vergoeden van gemis aan inkomen tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. Rekening houdend met de omstandigheden zoals hiervoor onder 3. en 9. zijn weergegeven en het gegeven dat [appellante] een WW-uitkering toekwam, begroot het hof de [appellante] toekomende vergoeding op € 4.200,--. Uit niets blijkt dat het voldoen van een bedrag als genoemd voor een werknemer als [appellante] tot het faillissement van Rucanor zou leiden of tot gevolg zou hebben dat er een andere werknemer extra voor ontslag zou moeten worden voorgedragen. Genoemd bedrag betreft geen aanzienlijk hoger bedrag dan het bedrag dat Rucanor bij de reorganisatie voor [appellante] gereserveerd had voor outplacement of opleiding.

Dat [appellante] de mogelijkheid gebruik te maken van outplacement niet heeft benut dan wel geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid op kosten van Rucanor een opleiding te volgen doet aan voorgaande niet af.

11. Tegen de gevorderde overlegging van een bruto/netto specificatie met betrekking tot de betaling van de schadevergoeding wegens kennelijk onredelijke opzegging als zodanig, heeft Rucanor geen verweer gevoerd, zodat deze vordering, nu een schadevergoeding wordt toegewezen, voor toewijzing gereed ligt, met dien verstande dat de termijn waarbinnen de afgifte dienst plaatst te vinden om reden van uitvoerbaarheid, zal worden gesteld op één maand na betekening (in plaats van twee dagen).

12. Voor zover grief II van [appellante] zich richt tegen de afwijzing van de buitengerechtelijke incassokosten, treft deze grief geen doel nu [appellante] in hoger beroep evenmin onvoldoende gespecificeerd aangeeft waaruit de, door Rucanor in eerste aanleg gemotiveerd bestreden, buitengerechtelijke incassokosten hebben bestaan. Hetgeen, gegeven die betwisting, wel van haar verlang had mogen worden. De vordering tot voldoening van buitengerechtelijke incassokosten dient derhalve, voor zover tegen deze afwijzing hiervan door de kantonrechter is gegriefd, ook in hoger beroep te worden afgewezen.

verder in het incidenteel appel

13. De tweede incidentele grief gaat op. Partijen zijn het er over eens dat Rucanor het dienstverband met [appellante] niet onregelmatig heeft opgezegd. De wettelijk voorgeschreven opzegtermijn (van twee maanden; verkorting in verband met de UWV- procedure) is in acht genomen. Voor het toekennen van een schadevergoeding als door de kantonrechter toegewezen, is geen valide grond aanwezig. De beslissing van de kantonrechter ter zake kan niet in stand blijven.

14. De eerste incidentele grief keert zich tegen hetgeen de kantonrechter heeft overwogen met betrekking tot niet-naleving door Rucanor van een door UWV WERKbedrijf gestelde voorwaarde aan de ontslagvergunning. Deze grief kan niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden nu deze kwestie niet van belang is bij de beoordeling van de vorderingen van [appellante].

in het principaal en het incidenteel appel

15. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de slotsom dat zowel de principale als de incidentele grief/grieven opgaan. Het vonnis van de kantonrechter dient dan ook te worden vernietigd.

verder nog in het principaal appel

16. Rucanor zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij, verwezen worden in de kosten van de eerste aanleg als ook in de kosten op het principaal appel gevallen.

verder nog in het incidenteel appel

17. Nu de incidentele grief doel treft dient [appellante] de kosten verband houdende met het incidenteel appel te dragen.

Beslissing:

Het hof:

in het principaal en het incidenteel appel

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter van 8 juli 2010;

in het principaal appel

opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt Rucanor om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellante] te betalen de somma van € 4.200,-- bruto, een en ander ten titel van schadevergoeding als bedoeld in art. 7:681 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2009;

- veroordeelt Rucanor tot verstrekking aan [appellante] van een bruto/netto specificatie van de betaling waartoe Rucanor hiervoor veroordeeld is, binnen één maand na betekening van het onderhavige arrest;

- veroordeelt Rucanor in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellante] tot op 8 juli 2010 begroot op de kosten zoals hieronder nader gespecificeerd :

exploot: € 85,98,

vastrecht: € 208,--,

salaris gemachtigde: € 800,--,

- veroordeelt Rucanor in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op de kosten zoals hieronder nader gespecificeerd :

exploot: € 87,93,

vastrecht: € 263,--,

salaris advocaat: € 3.474,--:

- bepaalt dat Rucanor, bij gebreke van tijdige betaling, de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is vanaf 14 dagen na dagtekening van dit vonnis;

- verklaart voormelde veroordeling (ook wat betreft de veroordeling in de proceskosten) uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

in het incidenteel appel

opnieuw recht doende:

- wijst de vordering van [appellante] ter zake van onregelmatige opzegging af;

- veroordeelt [appellante] in de kosten op het incidenteel appel gevallen, tot op heden aan de kant van Rucanor begroot op € 948,-- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.R. Mellema, J.W. van Rijkom en V. Disselkoen, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 december 2012 in aanwezigheid van de griffier.