Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY4658

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-11-2012
Datum publicatie
30-11-2012
Zaaknummer
22-004503-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BS1692, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:772, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op 5 maart 1993 in Suriname schuldig gemaakt aan doodslag door na een ruzie tweemaal op zijn vader te schieten, als gevolg waarvan zijn vader is overleden.

Daarnaast heeft de verdachte zich met een ander schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en heeft hij gebruik gemaakt van vervalste geschriften.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest een passende en geboden reactie vormt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004503-11

Parketnummers: 09-754076-08 en 09-754055-11

Datum uitspraak: 30 november 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 september 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] (Suriname) op [dag] 1959,

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek

op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 16 november 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het bij dagvaarding met parketnummer 09-754076-08 onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het bij die dagvaarding onder 1 meer subsidiair, alsmede het bij dagvaarding met parketnummer 09-754055-11 onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is bij een tweetal inleidende dagvaardingen - waarvan de feiten, nu de zaken in eerste aanleg zijn gevoegd, door het hof zijn doorgenummerd -, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep, ten laste gelegd dat:

(parketnummer 09-754076-08)

1 primair:

hij op of omstreeks 5 maart 1993 te Paramaribo (Suriname) opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, genaamd [slachtoffer], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg meermalen, althans eenmaal met een (vuist)vuurwapen op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] geschoten (met als gevolg shock door bloedverlies als gevolg van perforatie van de long(en), althans ernstig letsel), tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

1 subsidiair:

hij op of omstreeks 05 maart 1993 te Paramaribo (Suriname) opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen, althans eenmaal met een (vuist)vuurwapen op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] geschoten (met als gevolg shock door bloedverlies als gevolg van perforatie van de long(en), althans ernstig letsel), tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag (al dan niet) werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

1 meer subsidiair:

hij op of omstreeks 05 maart 1993 te Paramaribo (Suriname) opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen, althans eenmaal met een (vuist)vuurwapen op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] geschoten (met als gevolg shock door bloedverlies als gevolg van perforatie van de long(en), althans ernstig letsel), tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

(parketnummer 09-754055-11:

2:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 augustus 2010 tot en met 14 september 2010 te Den Haag en/of Amsterdam, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen

-een arbeidsovereenkomst en/of

-een begeleidende brief bij voornoemde arbeids-overeenkomst d.d. 20 augustus 2011,

elk zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of vervalst en/of laten opmaken/vervalsen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) in voornoemde periode (telkens) valselijk

- immers opzettelijk in strijd met de waarheid -

- in die arbeidsovereenkomst (d.d. 20 augustus 2010) opgenomen/ingevuld en/of laten opnemen/invullen dat hij, verdachte, in dienst was van [bedrijf] te 's-Gravenhage en/of een dienstverband had voor de periode van 1 oktober 2010 t/m 30 september 2011 en/of in de functie van projectmanager ICT en/of voor 40 uur per week en/of tegen een brutoloon van 80 euro per uur en/of dat geschrift ondertekend met zijn/hun eigen handtekening(en) en/of zijn/hun eigen para(a)f(en) en/of voorzien van de naam van werkgever [naam werkgever] en/of dat geschrift ondertekend en/of laten ondertekenen met een handtekening die door moest gaan voor de handtekening van die [naam werkgever] en/of een paraaf die door moest gaan voor de handtekening van die [naam werkgever], zulks ter bevestiging van de juistheid van de inhoud van dat geschrift

en/of

- in die begeleidende brief (d.d. 20 augustus 2010) opgenomen/ingevuld en/of laten opnemen/invullen dat hij, verdachte, van de manager personeelszaken [naam werkgever] van [bedrijf] te 's-Gravenhage een arbeidscontract in tweevoud toegestuurd heeft gekregen en/of hij, verdachte, die exemplaren diende te ondertekenen en paraferen en/of te retourneren en/of dat geschrift ondertekend met een handtekening die door moest gaan voor de handtekening van die [naam werkgever], zulks ter bevestiging van de juistheid van de inhoud van dat geschrift,

zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s),

in die periode waarop dat/die geschrift(en) betrekking had(den) nimmer een arbeidsovereenkomst heeft/hebben gesloten en/of nimmer een dienstverband, althans het opgegeven dienstverband heeft/hebben gehad bij, althans nimmer de opgegeven (hoeveelheid) werkzaamheden heeft/hebben verricht en/of nimmer het/de opgegeven aantal(len) uren arbeid heeft/hebben verricht en/of niet een brutoloon van 80 euro per uur heeft/hebben verdiend en/of niet in de (gehele) opgegeven periode voornoemde werkzaamheden en/of uren arbeid heeft/hebben verricht voor/via/bij [bedrijf] te 's-Gravenhage en/of voornoemde [naam werkgever] niet, althans niet als manager personeelszaken, werkzaam is bij [bedrijf] te 's-Gravenhage,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken;

3:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 augustus 2010 tot en met 18 januari 2011 te Den Haag en/of Amsterdam, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meerdere malen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt van een of meer vals(e) en/of vervalst(e) geschrift(en), als ware dat/die geschrift(en) echt en onvervalst, te weten:

-een arbeidsovereenkomst en/of

-een begeleidende brief bij voornoemde arbeids-overeenkomst d.d. 20 augustus 2010,

elk zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs

van enig feit te dienen,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) opzettelijk voornoemd(e) geschrift(en) heeft/hebben ingeleverd en/of afgegeven en/of overgedragen en/of verzonden en/of getoond aan [naam advocatenkantoor], (ten einde het (fictieve) dienstverband tussen verdachte en [bedrijf] te 's-Gravenhage aan te tonen, zulks ten behoeve van het opheffen van het beslag op zijn, verdachtes huis en/of vervolgens langs die weg tot de verkoop van die woning te kunnen overgaan),

en bestaande die valsheid en/of vervalsing hierin dat, hij, verdachte en/of zijn mededader(s),

- in die arbeidsovereenkomst (d.d. 20 augustus 2010) opgenomen/ingevuld en/of laten opnemen/invullen dat hij, verdachte, in dienst was van [bedrijf] te 's-Gravenhage en/of een dienstverband had voor de periode van 1 oktober 2010 t/m 30 september 2011 en/of in de functie van projectmanager ICT en/of voor 40 uur per week en/of tegen een brutoloon van 80 euro per uur en/of dat geschrift ondertekend met zijn/hun eigen handtekening(en) en/of zijn/hun eigen para(a)f(en) en/of voorzien van de naam van werkgever [naam werkgever] en/of dat geschrift ondertekend en/of laten ondertekenen met een handtekening die door moest gaan voor de handtekening van die [naam werkgever] en/of een paraaf die door moest gaan voor de handtekening van die [naam werkgever], zulks ter bevestiging van de juistheid van de inhoud van dat geschrift

en/of

- in die begeleidende brief (d.d. 20 augustus 2010) opgenomen/ingevuld en/of laten opnemen/invullen dat hij, verdachte, van de manager personeelszaken [naam werkgever] van [bedrijf] te 's-Gravenhage een arbeidscontract in tweevoud toegestuurd heeft gekregen en/of hij, verdachte, die exemplaren diende te ondertekenen en paraferen en/of te retourneren en/of dat geschrift ondertekend met een handtekening die door moest gaan voor de handtekening van die [naam werkgever], zulks ter bevestiging van de juistheid van de inhoud van dat geschrift,

zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s),

in die periode waarop dat/die geschrift(en) betrekking had(den) nimmer een dienstverband heeft/hebben gehad bij, althans nimmer de opgegeven (hoeveelheid ) werkzaamheden heeft/hebben verricht en/of nimmer het/de opgegeven aantal(len) uren arbeid heeft/hebben verricht en/of niet een brutoloon van 80 euro per uur heeft/hebben verdiend en/of niet in de (gehele) opgegeven periode voornoemde werkzaamheden en/of uren arbeid heeft/hebben verricht voor/via/bij [bedrijf] te 's-Gravenhage en/of voornoemde [naam werkgever] niet althans niet als manager personeelszaken, werkzaam is bij [bedrijf] te 's-Gravenhage.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Naar het hof begrijpt heeft de verdediging blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2012 overgelegde pleitnotities het volgende verweer - zakelijk weergegeven - gevoerd:

Er is op basis van de beschikbaar zijnde stukken in deze zaak van de Nederlandse en Surinaamse autoriteiten sprake geweest van een overname van de strafvervolging door Nederland (afgeleide rechtsmacht), als bedoeld in artikel 4a van het Wetboek van Strafrecht.

In een dergelijk geval is artikel 552y van het Wetboek van Strafvordering van toepassing dat bepaalt dat een verzoek van een buitenlandse autoriteit tot het instellen van een strafvervolging aanstonds wordt afgewezen indien het recht tot strafvordering voor het feit waarvan overname wordt gevraagd naar Nederlands recht of naar het recht van de verzoekende staat is verjaard.

Op grond van artikel 96 van het Surinaamse Wetboek van Strafrecht vervalt het recht tot strafvordering door verjaring in 12 jaar voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan 3 jaar is gesteld, waaronder doodslag. Nu tussen het moment van veroordeling van de verdachte in Paramaribo, te weten 24 maart 1994, en het moment waarop de Surinaamse autoriteiten het verzoek hebben gedaan aan Nederland om de strafvervolging over te nemen, te weten 12 december 2007, meer dan 12 jaar zijn verstreken, zou het recht tot strafvordering ten aanzien van de doodslag ten tijde van de overname naar Surinaams recht zijn verjaard. Strafvervolging op grond van artikel 552y lid 1 onder c van het Wetboek van Strafvordering zou dan niet meer mogelijk zijn geweest en Nederland zou op die grond dus ook geen van het Surinaamse recht afgeleide rechtsmacht hebben, zoals bedoeld in artikel 4a van het Wetboek van Strafrecht. Dit zou ertoe moeten leiden

- aldus de raadsman - dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ter zake van de thans meer subsidiair ten laste gelegde doodslag. Indien het hof van oordeel is dat in plaats

van afgeleide rechtsmacht sprake is van originaire rechtsmacht, is de raadsman van mening dat dit een inbreuk oplevert op de beginselen van de behoorlijke strafrechtspleging, als gevolg waarvan het openbaar ministerie alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Nu de verdachte een Nederlander is die ervan wordt verdacht dat hij zich in het buitenland heeft schuldig gemaakt aan een feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het feit is begaan straf is gesteld, heeft Nederland op grond van artikel 5, lid 1 onder 2 van het Wetboek van Strafrecht (originaire) rechtsmacht. Dat de Nederlandse autoriteiten aanvankelijk het plan hadden om de strafvervolging van Suriname over te nemen en daartoe de procedure als bedoeld in artikel 552x e.v. van het Wetboek van Strafvordering hebben gevolgd, vormt hiervoor geen beletsel. Nederland had en heeft zelfstandig rechtsmacht en kon derhalve zelfstandig tot strafvervolging van de verdachte overgaan.

De overeenkomst tussen Suriname en Nederland betreffende uitlevering en rechtshulp in strafzaken noch het daarop betrekking hebbende protocol voorziet in een bepaling die het mogelijk maakt dat een op het tijdstip van ontvangst van het verzoek tot overname van strafvervolging ingetreden vervolgingsverjaring aan de kant van de verzoekende staat als exceptie kan worden ingeroepen wanneer de ontvangende staat zelf originaire rechtsmacht heeft. Gelet op het voorgaande is niet relevant of sprake is van verjaring van de ten laste gelegde doodslag naar Surinaams recht. Naar Nederlands recht is dit onderdeel van de tenlastelegging in ieder geval niet verjaard. Voorts valt niet in te zien dat het aannemen van originaire rechtsmacht in de onderhavige zaak strijd zou opleveren met de beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging, zoals de raadsman heeft aangevoerd. De omstandigheid dat een deel van het dossier bij een brand in 2001 in Suriname verloren is gegaan is betreurenswaardig, doch kan niet aan het openbaar ministerie worden verweten. Overigens is niet aannemelijk geworden dat hierbij belangrijk belastend en/of ontlastend materiaal is verbrand. Voorts hebben

de verdachte en de verdediging in eerste aanleg alle gelegenheid gekregen om hun argumenten en verweren naar voren te brengen. Het hof is dan ook van oordeel dat het verweer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging dient te worden verworpen.

Ten aanzien van het recht op strafvervolging

Voor zover de raadsman al bedoeld heeft dat aan de verdachte in 1995 op het politiebureau in de Jan Hendrikstraat in Den Haag toezeggingen zijn gedaan dat hij niet vervolgd zou worden, althans dat hij niet gesignaleerd stond, in die zin dat een agente had gezegd dat hij zijn leven weer moest oppakken en dat ten gevolge van het hierdoor opgewekte vertrouwen

het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie is verspeeld, is het hof van oordeel dat alleen een concrete toezegging door een persoon die daartoe bevoegd is een gerechtvaardigd, in rechte te honoreren, vertrouwen kan oproepen. Het behoeft geen betoog dat daarvan geen sprake was. Derhalve is met genoemde opmerking niet het vervolgingsrecht van de autoriteiten verspeeld.

Het feit dat de verdachte reeds in Suriname is veroordeeld, vormt geen beletsel om verdachte in Nederland andermaal te vervolgen, omdat verdachte van de hem opgelegde gevangenisstraf van zestien jaren minder dan één jaar heeft uitgezeten (artikel 68 lid 2 sub 2 van het Wetboek van Strafrecht).

De omstandigheid dat de zaak in 2007 uitsluitend naar aanleiding van bemoeienis van [journalist] weer is opgepakt door de Nederlandse autoriteiten kan er naar het oordeel van het hof niet toe leiden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging zal worden verklaard.

Voorts kan al hetgeen de raadsman overigens heeft aangevoerd niet leiden tot die conclusie.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof volgt uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet dat de verdachte op zijn vader heeft geschoten als gevolg van een besluit waarover hij zich heeft kunnen beraden. Voorts is niet vast komente staan dat de verdachte zijn vader om het leven heeft gebracht met het oogmerk zijn polstasje te stelen. Derhalve is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder

1 primair ten laste gelegde moord en de onder 1 subsidiair ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag, zodat de verdachte daarvan - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, het standpunt van de raadsman en het vonnis waarvan beroep - behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en onder 2 en 3

ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(parketnummer 09-754076-08):

hij op 05 maart 1993 te Paramaribo (Suriname) opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen, met een (vuist)vuurwapen op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] geschoten (met als gevolg shock door bloedverlies als gevolg van perforatie van de long(en), tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

(parketnummer 09-754055-11):

2:

hij in de periode van 01 augustus 2010 tot en met 14 september 2010 te Den Haag en Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander

-een arbeidsovereenkomst en

-een begeleidende brief bij voornoemde arbeids-overeenkomst d.d. 20 augustus 2011,

elk zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst immers hebben hij, verdachte en zijn mededader in voornoemde periode telkens valselijk

- immers opzettelijk in strijd met de waarheid -

- in die arbeidsovereenkomst (d.d. 20 augustus 2010) opgenomen dat hij, verdachte, in dienst was van [bedrijf] te 's-Gravenhage en/of een dienstverband had voor de periode van 1 oktober 2010 t/m 30 september 2011 en in de functie van projectmanager ICT en voor 40 uur per week en tegen een brutoloon van 80 euro per uur en dat geschrift ondertekend met hun eigen handtekeningen en hun eigen parafen en voorzien van de naam van werkgever [naam werkgever] en dat geschrift ondertekend met een handtekening die door moest gaan voor de handtekening van die [naam werkgever] en een paraaf die door moest gaan voor de paraaf van die [naam werkgever], zulks ter bevestiging van de juistheid van de inhoud van dat geschrift

en

- in die begeleidende brief (d.d. 20 augustus 2010) opgenomen dat hij, verdachte, van de manager personeelszaken [naam werkgever] van [bedrijf] te 's-Gravenhage een arbeidscontract in tweevoud toegestuurd heeft gekregen en hij, verdachte, die exemplaren diende te ondertekenen en paraferen en te retourneren en dat geschrift ondertekend met een handtekening die door moest gaan voor de handtekening van die [naam werkgever], zulks ter bevestiging van de juistheid van de inhoud van dat geschrift,

zulks terwijl hij, verdachte en zijn mededader,

in die periode waarop die geschriften betrekking hadden nimmer een arbeidsovereenkomst hebben gesloten en nimmer een dienstverband hebben gehad bij [bedrijf] te 's-Gravenhage en voornoemde [naam werkgever] niet werkzaam is bij [bedrijf] te 's-Gravenhage,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken;

3:

hij in de periode van 01 augustus 2010 tot en met 18 januari 2011 te Den Haag en Amsterdam, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van vervalste geschriften, als ware die geschriften echt en onvervalst, te weten:

-een arbeidsovereenkomst en

-een begeleidende brief bij voornoemde arbeids-overeenkomst d.d. 20 augustus 2010,

elk zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte opzettelijk voornoemd(e) geschrift(en) heeft verzonden aan [naam advocatenkantoor], (ten einde het (fictieve) dienstverband tussen verdachte en [bedrijf] te 's-Gravenhage aan te tonen, zulks ten behoeve van het opheffen van het beslag op zijn, verdachtes huis en vervolgens langs die weg tot

de verkoop van die woning te kunnen overgaan),

en bestaande die vervalsing hierin dat, hij, verdachte,

- in die arbeidsovereenkomst (d.d. 20 augustus 2010) ingevuld dat hij, verdachte, in dienst was van [bedrijf] te 's-Gravenhage en een dienstverband had voor de periode van 1 oktober 2010 t/m 30 september 2011 en in de functie van projectmanager ICT en voor 40 uur per week en tegen een brutoloon van 80 euro per uur en dat geschrift ondertekend met zijn eigen handtekeningen en zijn eigen parafen en voorzien van de naam van werkgever [naam werkgever] en dat geschrift ondertekend met een handtekening die door moest gaan voor de handtekening van die [naam werkgever] en een paraaf die door moest gaan voor de handtekening van die [naam werkgever], zulks ter bevestiging van de juistheid van de inhoud van dat geschrift

en

- in die begeleidende brief (d.d. 20 augustus 2010) ingevuld dat hij, verdachte, van de manager personeelszaken [naam werkgever] van [bedrijf] te 's-Gravenhage een arbeidscontract in tweevoud toegestuurd heeft gekregen en hij, verdachte, die exemplaren diende te ondertekenen en paraferen en te retourneren en dat geschrift ondertekend met een handtekening die door moest gaan voor de paraaf van die [naam werkgever], zulks ter bevestiging van de juistheid van de inhoud van dat geschrift,

zulks terwijl hij, verdachte,

in die periode waarop die geschriften betrekking hadden nimmer een dienstverband heeft gehad bij [bedrijf] te 's-Gravenhage en voornoemde [naam werkgever] niet werkzaam is bij [bedrijf] te 's-Gravenhage.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverwegingen en bespreking van het gevoerde verweer

Ten aanzien van het opzet

De verdachte heeft aangevoerd dat achter de auto een worsteling tussen hem en zijn vader, [slachtoffer], heeft plaatsgevonden. Toen de verdachte even achterom keek naar [persoon X] die nog in de auto zat, zou zijn vader hebben geprobeerd om het vuurwapen uit zijn handen te pakken. Tijdens de worsteling zou het wapen zijn afgegaan en de vader daardoor zijn geraakt. Aldus zou het opzet op de dood van de vader van de verdachte hebben ontbroken, aldus de verdachte en zijn raadsman.

De verdachte heeft dit tijdens de terechtzitting in Suriname ook al verklaard, hetgeen blijkt uit de door de raadsman ter terechtzitting in eerste aanleg overgelegde krantenartikelen over die terechtzitting in 1993.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte heeft destijds bij de politie in Suriname vrij uitgebreid en gedetailleerd verklaard. Ook nadat hij overleg had gehad met zijn raadsman, verklaart hij niet over een worsteling buiten de auto bij gelegenheid waarvan het vuurwapen ongewild af zou zijn gegaan.

Voorts is het hof van oordeel dat noch de door de Surinaamse politie in 1993 gehoorde getuigen, noch de door de Nederlandse politie en de rechter-commissaris in 2008 en 2010 gehoorde getuigen de lezing van de verdachte bevestigen.

Evenmin ondersteunt de inhoud van het obductierapport van patholoog-anatoom prof.dr. M.A. Vrede d.d. 8 maart 1993 de lezing van de verdachte. Vrede is voorts op 9 juli 2008 door de politie geconfronteerd met het door hem destijds opgemaakte obductieverslag. Hij heeft toen verklaard dat indien hij aan de schotwond tekenen had waargenomen die erop duidden dat er van dichtbij was geschoten of als op de handen van het slachtoffer kruitresten zouden zijn waargenomen, hij dat in het rapport zou hebben vermeld.

Nu dit niet in het obductieverslag is vermeld, gaat het hof er - evenals de rechtbank - vanuit dat de schotwonden van enige afstand zijn toegebracht.

Op grond van het vorenstaande concludeert het hof dat de stelling van de verdachte, dat buiten de auto een worsteling heeft plaatsgevonden tussen hem en zijn vader waarbij de fatale schoten zijn gevallen onvoldoende steun vindt in het dossier. Die stelling is dan ook onvoldoende aannemelijk geworden, zodat het hof daaraan voorbij zal gaan.

De verdachte heeft door het vuurwapen van zijn vader af te pakken, zijn vinger op de trekker te houden en het vuurwapen kennelijk op zijn vader te richten en de trekker op een gegeven moment over te halen, terwijl zijn vader op korte afstand van hem vandaan stond naar het oordeel van het hof tenminste de aanmerkelijke kans aanvaard dat het vuurwapen zou afgaan en dat zijn vader zou overlijden. In die zin heeft hij het (voorwaardelijk) opzet gehad op de dood van zijn vader en heeft hij zich naar het oordeel van het hof schuldig gemaakt aan doodslag.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van valsheid in geschrift.

het in de zaak met parketnummer 09-754055-11 onder 3 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid,

van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer nu hij zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door zijn vader. Weliswaar was de eerste noodweersituatie (te weten een worsteling in de auto waarbij de verdachte zijn vader een vuurwapen waarmee deze hem had bedreigd afhandig had weten te maken) geëindigd, maar de verdachte stond nog te trillen op zijn benen en zag bij de poging van zijn vader om weer in het bezit te komen van het wapen geen andere mogelijkheid dan het wapen vast te blijven houden, zelfs tot het niveau dat daarmee twee kogels zijn afgevuurd. Dat is hem in rechte niet aan te rekenen. Derhalve dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof is van oordeel dat er ten tijde van de fatale schoten geen sprake was van een situatie waarin de verdachte zich tegen zijn vader zou moeten verdedigen.

De verdachte was gewapend, zijn vader niet. Het slachtoffer stond op enige afstand van de verdachte. Uit de verklaringen van getuigen komt naar voren dat het slachtoffer zich als het ware had overgegeven, zijn handen omhoog hield en, zoals door verdachte bevestigd, zelfs riep " schiet maar, schiet maar" .

Er is overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde en ter zake van het onder

1 meer subsidiair en 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

8 jaren met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op 5 maart 1993 in Suriname schuldig gemaakt aan doodslag door na een ruzie tweemaal op zijn vader te schieten, als gevolg waarvan zijn vader is overleden. Door zijn handelwijze heeft de verdachte zijn vader van zijn grootste rechtsgoed, het leven, beroofd. Dit is een zeer ernstig feit, waardoor de rechtsorde in ernstige mate is geschokt en aan de nabestaanden van het slachtoffer onzegbaar leed is aangedaan.

Daarnaast heeft de verdachte zich met een ander schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en heeft hij gebruik gemaakt van vervalste geschriften.

Verdachte heeft samen met een ander valse handtekeningen en parafen gezet op een arbeidsovereenkomst en begeleidende brief, teneinde deze in handen te stellen van zijn toenmalige raadsman, mr. [naam advocaat], met het doel het beslag op zijn huis op te heffen, zodat hij het huis kon verkopen. Door aldus te handelen heeft de verdachte niet alleen zijn toenmalige raadsman benadeeld, maar ook het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van dergelijke geschriften moet kunnen worden gesteld beschaamd.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft het hof voorts

de volgende omstandigheden in aanmerking genomen:

- Na zijn aanhouding op 6 maart 1993 in Suriname heeft de verdachte bijna een jaar aldaar in detentie gezeten onder omstandigheden die - zo begrijpt het hof - veel zwaarder zijn dan tijdens een detentie in Nederland.

- De verdachte heeft sinds zijn ontsnapping uit de gevangenis in Suriname in 1994 in onzekerheid gezeten over zijn berechting. Die onzekerheid is voornamelijk veroorzaakt door de inactieve houding van zowel de Surinaamse als de Nederlandse autoriteiten. Al met al heeft het ruim 17 jaar geduurd voordat de verdachte is berecht.

-In 1997 is door de toenmalige minister van justitie Sorgdrager getracht om de zaak in Nederland te doen berechten, maar dit is niet gelukt omdat het procesdossier niet door Suriname aan Nederland werd overgedragen. Enkel de omstandigheid dat [journalist] in 2007 aandacht aan de zaak heeft gegeven heeft ervoor gezorgd dat de zaak weer werd opgepakt door de Nederlandse en de Surinaamse autoriteiten. De verdachte heeft naar aanleiding van die publiciteit zijn baan opgezegd, met alle financiële problemen van dien.

-De hele gebeurtenis rondom de dood van zijn vader is voortdurend van invloed geweest op het functioneren van de verdachte. Blijkens het rapport van de reclassering d.d. 29 maart 2011 had hij een continue angst voor ontmaskering, hetgeen heeft geleid tot een teruggetrokken en onzeker bestaan.

Ten aanzien van de vraag of de redelijke termijn is overschreden overweegt het hof dat de verdachte weliswaar materieel reeds in 1997 een vermoeden kon hebben dat er een vervolging tegen hem zou worden ingesteld, maar dat in de onderhavige zaak de termijn formeel is gestart bij de aanhouding van de verdachte in Nederland op 1 mei 2008.

Onder meer als gevolg van het op verzoek van de verdediging horen van vele getuigen in Nederland en Suriname is het vonnis in eerste aanleg pas gewezen op 12 september 2011. Het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet leiden tot de conclusie dat de redelijke termijn is overschreden.

Gelet op de ernst van het feit is in beginsel de door de advocaat-generaal gevorderde en in eerste aanleg opgelegde straf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest passend en geboden. Het hof zal daarop echter een jaar in mindering brengen wegens de door de verdachte reeds ondergane gevangenisstraf in Suriname. Voorts zal het hof gelet op het aanzienlijke tijdsverloop en de daarmee gepaard gaande onzekerheid bij de verdachte zoals hierboven beschreven daarop nog eens twee jaren in mindering brengen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur

van 5 jaren met aftrek van voorarrest een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 5, 47, 57, 225 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 meer subsidiair en onder 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. C.G.M. van Rijnberk, mr. M. Moussault en mr. W.J. van Boven, in bijzijn van de griffier mr. C.E. Koppelaars.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 november 2012.