Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY3640

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
200.107.737-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

KG; ontruiming woning wegens aanhoudende overlast

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.107.737/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : 399373 / KG ZA 12-268

arrest d.d. 4 december 2012

inzake

1. [Naam],

2. [Naam],

beiden wonende te Rotterdam,

appellanten,

hierna respectievelijk te noemen: [appellant 1] en [appellant 2] en gezamenlijk [appellanten],

advocaat: mr. N. Schuerman te Rotterdam,

tegen

Stichting Havensteder,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Havensteder,

advocaat: mr. C.P. van den Berg te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 25 mei 2012 is [appellanten] in hoger beroep gekomen van een door de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam, sector civiel recht tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 8 mei 2012. In het exploot heeft [appellanten] twee grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord (met producties) heeft Havensteder de grieven bestreden.

Op 6 juli 2012 hebben partijen hun zaak doen bepleiten. Partijen hebben vervolgens getracht hun geschil op te lossen conform de ter zitting overeengekomen afspraken, zoals neergelegd in het van de pleitzitting opgemaakte proces-verbaal. Bij brief van 28 september 2012 heeft Havensteder aan het hof bericht dat partijen niet tot een aanvaardbare oplossing zijn gekomen en heeft verzocht (conform afspraak) een comparitie van partijen te gelasten. Deze comparitie heeft op 5 november 2012 plaatsgevonden. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn door partijen niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende.

Tussen Havensteder als verhuurder en [appellanten] als huurder bestaat sinds 1 februari 2010 een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd met betrekking tot de woonruimte aan de […] te […] (verder: de woning). [appellanten] bewoont de woning samen met zijn drie kinderen van respectievelijk 9, 7 en 2 jaar oud.

3. In de woonkamer en de keuken van de woning ligt laminaat met een zachte ondervloer die geluidstechnisch voldoet. De slaapkamers van de woning zijn slechts voorzien van zeil zonder zachte ondervloer.

4. Bij het bestreden vonnis is [appellanten] veroordeeld tot - zakelijk weergegeven - ontruiming van de woning binnen vier weken in verband met aanhoudende overlast. De voorzieningenrechter overwoog daartoe dat de verwachting gerechtvaardigd is dat de rechter in een bodemprocedure een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst zal toewijzen, omdat voorshands in voldoende mate is komen vast te staan dat sinds medio juli 2010 sprake is van aanhoudende en ernstige geluidsoverlast, zowel overdag als tot aan het begin van de nacht, veroorzaakt door [appellanten] en/of zijn drie minderjarige kinderen. Met betrekking tot die overlastklachten is - zo overwoog de voorzieningenrechter - geregeld contact geweest met [appellanten] en zijn - op initiatief van Havensteder - bemiddelings- en/of hulpverleningstrajecten in gang gezet. Dit heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. De voorzieningenrechter achtte meer in het bijzonder aannemelijk dat de overlast in overwegende mate is veroorzaakt door de kinderen van [appellanten] die stampen en/of bonken op de vloer en/of tegen de muren van de woning en rennend in de woning voetbal spelen, welke vorm van overlast nog eens wordt versterkt door de zich in (de slaapkamers van) de woning bevindende slecht geïsoleerde vloeren. Voorts achtte de voorzieningenrechter aannemelijk dat de overlast (mede) is veroorzaakt door hard geschreeuw en/of gekrijs van [appellanten] en/of zijn kinderen en dat [appellant 1] zich (in het verleden) jegens direct omwonenden en een medewerker van Havensteder intimiderend, agressief en zelfs bedreigend heeft gedragen.

5. Bij exploot van 13 juni 2012 heeft Havensteder de ontruiming aangezegd op 12 juli 2012.

6. In hoger beroep vordert [appellanten] vernietiging van het bestreden vonnis, en afwijzing van de inleidende vorderingen van Havensteder. De grieven van [appellanten] zijn gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat Havensteden haar spoedeisend belang bij haar vordering voldoende aannemelijk heeft gemaakt (de eerste klachten dateren immers van juli 2010, van toenemende overlast is niet gebleken en de recente klachten over overlast komen van slechts één omwonende) en tegen het oordeel dat de verwachting gerechtvaardigd is dat de rechter in een bodemprocedure de ontbinding zal toewijzen. [appellanten] betwist niet alleen de ernst van de overlast, maar meent tevens dat de gevolgen van een ontruiming voor hem zo ingrijpend zijn, dat de ernst van de situatie deze gevolgen niet rechtvaardigt. Hij wijst er daarbij met name op dat i) door een ontruiming zijn drie minderjarige kinderen worden getroffen, ii) [appellant 2] zwanger is van een tweeling en iii) [appellant 1] suïcidaal en getraumatiseerd is door de oorlogssituatie in zijn land van herkomst.

7. Op 6 juli 2012 zijn partijen ter zitting overeengekomen dat Havensteder zal zoeken naar een passende, gelijkwaardige vervangende woonruimte voor [appellanten], waarvoor [appellanten] een zogenoemd laatste kanscontract zal worden aangeboden. Bij brief van 28 september 2012 heeft Havensteder aan het hof doen weten dat partijen niet tot een oplossing zijn gekomen. Havensteder heeft [appellanten] na de zitting van 6 juli 2012 twee woningen aangeboden, maar beide zijn afgewezen door [appellanten]. Verder heeft Havensteder gemeld dat zij na 6 juli 2012 nieuwe overlastmeldingen heeft ontvangen.

6. Het hof overweegt als volgt.

Met de voorzieningenrechter en met overneming van de door de voorzieningenrechter gebezigde overwegingen is het hof van oordeel dat in voldoende mate is komen vast te staan dat [appellanten] in zodanige mate tekort schiet in zijn verplichting zich als goed huurder te gedragen zonder dat uitzicht bestaat op structurele verbetering van de situatie, dat van Havensteder (die de verplichting heeft de overige huurders het rustig woongenot te verschaffen) niet langer kan worden verlangd de huurovereenkomst met [appellanten] voort te zetten. De vordering is gelet op de aard en ernst van de klachten voldoende spoedeisend. Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft Havensteder voldoende oog gehad voor de belangen van [appellanten], maar toont [appellant 1] onvoldoende inzicht in de ernst van de ontstane situatie en zijn verantwoordelijkheid daarin.

7. Havensteder is niet alleen - zoals de voorzieningenrechter al heeft overwogen – met [appellanten] bemiddelende gesprekken aangegaan en heeft hulpverleningsinstanties ingeschakeld, maar heeft uiteindelijk ook [appellanten] passende vervangende woonruimte aangeboden. De omstandigheid dat [appellant 1] liever direct verhuist naar een ruimere woning, die meer voldoet aan de woonwensen van hem en zijn gezin met (binnenkort) vijf kinderen, is geen reden om de door Havensteder aangeboden woning als niet passend te kwalificeren. Van Havensteder kan niet worden verwacht dat zij met voorbij gaan aan wachtlijsten voor dergelijke gewilde woningen, aan [appellanten] een door hen gewenste woning aanbiedt.

8. Gelet op het bovenstaande acht het hof de verwachting gerechtvaardigd dat de rechter in een bodemprocedure een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst zal toewijzen. De toewijzing van de ontruimingsvordering kan dus in stand blijven. In de persoonlijke omstandigheden van het geval, te weten de aanwezigheid van drie minderjarige kinderen en een tweeling op komst, ziet het hof wel aanleiding voor (opnieuw) een ruime ontruimingstermijn. Dit betekent dat het hof het bestreden vonnis slechts zal vernietigen voor wat betreft het tijdstip van de ontruiming.

8. [appellanten] zal als de in overwegende mate in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam, sector civiel recht, van 8 mei 2012, voorzover daarbij [appellanten] is veroordeeld uiterlijk binnen vier weken na betekening van dit vonnis de woning te ontruimen,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt [appellanten] om uiterlijk binnen twee maanden na betekening van dit arrest de woning te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Havensteder zijn en de sleutels af te geven aan Havensteder;

- bekrachtigt het vonnis voor het overige;

- veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Havensteder tot op heden begroot op € 666,-- aan griffierecht en € 2.682,-- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.J.H van Meegen, M.J. van der Ven en E.M. Dousma-Valk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 december 2012 in aanwezigheid van de griffier.