Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY3597

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
20-11-2012
Zaaknummer
200.065.388-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsovereenkomst, bewijs opzegging, verzekerd belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.065.388/01

Zaaknummer rechtbank : 293429 / HA ZA 07-2550

arrest van 31 juli 2012

inzake

V.O.F. Grizzly,

gevestigd te Vlaardingen,

en haar vennoten:

[appellant sub 2],

wonende te [woonplaats], en

[appellante sub 3],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen gezamenlijk: Grizzly c.s. en afzonderlijk respectievelijk de vof, [appellant sub 2] en [appellante sub 3],

advocaat: mr. A.P. Hovinga te Rotterdam,

tegen

AON Nederland C.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Aon,

advocaat: mr. M.L. Louisse te Amsterdam.

Het geding

Bij exploot van 28 april 2010 zijn Grizzly c.s. in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 3 februari 2010. Bij memorie van grieven hebben Grizzly c.s. twee grieven aangevoerd Bij memorie van antwoord heeft Aon de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het vonnis van 28 mei 2008 onder 2.1 tot en met 2.12 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1. [appellant sub 2] heeft op 10 september 2004 telefonisch een voorlopige (casco)dekking gevraagd bij [X] van Aon vanwege de mogelijke aankoop van een binnenvaartschip genaamd Grizzly, toen nog in eigendom van Jantra (een Belgische BVBA). Op 15 september 2004 heeft [appellant sub 2] ter zake een “aanvraagformulier binnenvaartverzekering” ondertekend. Op 21 september 2004 heeft Jantra aan [appellant sub 2] meegedeeld dat het schip door omstandigheden nog niet geleverd kon worden. [appellant sub 2] heeft vervolgens tot 19 februari 2004 als zetschipper op de Grizzly gevaren. Van 19 februari 2005 tot en met 21 juli 2005 heeft het schip aan de ketting gelegen ten gevolge van een door de Belastingdienst gelegd beslag. Op 22 juli 2005 heeft de vof de Grizzly van de curator gekocht.

2.2. De polis van de cascoverzekering is opgemaakt op 11 januari 2005. De vof heeft die polis in maart 2005 ontvangen. De premie bedroeg per jaar € 12.600,00 voor casco/machinerieën en € 500,00 voor inboedel.

2.3. Aon heeft bij brief van 18 september 2006 en bij brief van 21 november 2006 de vof gesommeerd tot betaling van € 8.439,09 aan premies. [appellant sub 2] heeft niet betaald.

2.4. Op 4 mei 2007 heeft Aon Grizzly c.s. ter zake gedagvaard.

2.5. In het vonnis van 4 juli 2007 heeft de rechtbank Grizzly c.s. bij verstek hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 8.439,09 vermeerderd met wettelijke rente en tot betaling van de proceskosten en de nakosten in de procedure. Grizzly c.s. zijn daartegen in verzet gekomen. In het vonnis van 3 februari 2010 heeft de rechtbank het vonnis van 4 juli 2007 bevestigd.

3. Het hof stelt evenals de rechtbank voorop dat partijen in essentie verdeeld zijn over de vraag of de vof in de periode van september 2004 tot 19 februari 2005 verzekeringspremies verschuldigd was aan Aon. Niet in geschil is dat er tussen Aon en de rechtsvoorgangster van de vof op 10 september 2004 een overeenkomst tot stand is gekomen, waarbij een voorlopige (casco)dekking is overeengekomen . Daaruit vloeit voort dat de vof in beginsel verplicht is de op grond van de overeenkomst verschuldigde premie aan Aon te voldoen. Of de vof in de periode van september 2004 tot 19 februari 2005 verzekeringspremies verschuldigd was aan Aon is allereerst afhankelijk van de vraag of deze voorlopige dekking is geannuleerd zoals door Grizzly c.s. is aangevoerd. De bewijslast daarvoor ligt bij Grizzly c.s.

4. [appellant sub 2] heeft ten bewijze van de opzegging van de voorlopige dekking tijdens het getuigenverhoor op 25 mei 2009 verklaard dat hij in oktober 2004 telefonisch aan AON heeft doorgegeven dat de aankoop van de Grizzly voorlopig niet door zou gaan en dat alles werd afgeblazen. Daarnaast zijn [getuige sub 2], [getuige sub 3] en [getuige sub 4] als getuigen gehoord.

5. Grief 1 bestaat uit drie onderdelen. Onderdeel 1a is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Grizzly c.s. niet in het bewijs geslaagd zijn; onderdeel 1b tegen het oordeel van de rechtbank dat de getuige [getuige sub 4] een totaal andere gang van zaken beschrijft en onderdeel 1c tegen het oordeel van de rechtbank dat de getuigenverklaringen van de overige getuigen de verklaring van [appellant sub 2] inhoudelijk in onvoldoende mate ondersteunen.

6. Grizzly c.s. voeren daartoe aan dat het bewijs draaide om de vraag of [appellant sub 2] de voorlopige dekking telefonisch heeft opgezegd. Dit wordt door alle getuigen verklaard. De verschillen in de getuigenverklaringen betreffen de locatie waar het telefoongesprek heeft plaatsgevonden, de persoon die het telefoongesprek heeft gevoerd en de personen die bij het telefoongesprek aanwezig waren. Deze verschillen zijn volgens Grizzly c.s. niet relevant in verband met de kernvraag of de verzekering is opgezegd.

7. Het hof oordeelt als volgt. Aan de verklaring van [appellant sub 2] kan, als partijgetuigenverklaring, slechts bewijs ten voordele van die partij kan worden ontleend, indien aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken.

8. De getuigenverklaringen bevatten verschillende tegenstrijdigheden. Deze betreffen de omstandigheden (locatie en aanwezige personen) waaronder het telefoongesprek plaats gevonden zou hebben, de wijze waarop het gesprek tot stand is gekomen, de persoon die het gesprek gevoerd zou hebben, maar ook de inhoud van het gesprek. Dit zijn geen ondergeschikte punten. Weliswaar verklaren alle getuigen, op [getuige sub 4] na, dat het telefoongesprek is gevoerd om de voorlopige dekking te beëindigen hetgeen inderdaad de kernvraag is, maar de tegenstrijdigheden in de getuigenverklaringen zijn zodanig van omvang en karakter dat dit afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen. Het hof oordeelt derhalve dat de getuigenverklaringen de verklaring van [appellant sub 2] onvoldoende kunnen ondersteunen. Daaruit volgt dat Grizzly c.s. niet zijn geslaagd in het bewijs dat de voorlopige dekking was beëindigd. Gezien het voorgaande slaagt grief 1 op geen van de drie onderdelen.

9. Grief 2 houdt in dat de rechter ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over het door [appellant sub 2] opgeworpen probleem met betrekking tot het verzekerbaar belang.

10. Grizzly c.s. voeren daartoe aan dat [appellant sub 2] in de periode van 21 september 2004 tot 19 februari 2005 geen eigenaar was van het schip, maar als zetschipper met het schip voer. [appellant sub 2] had met Jantra, die nog steeds eigenaar was, een overeenkomst gesloten die bepaalde dat iedere aansprakelijkheid van [appellant sub 2] was uitgesloten. Daarom is er geen sprake van enig belang van [appellant sub 2] bij het vaartuig en derhalve zien Grizzly c.s. niet waarom zij gehouden zouden zijn de verzekeringspremie te betalen.

11. Het hof verwerpt de grief. Het enkele feit dat vof in de betreffende periode nog geen eigenaar was van het schip, is onvoldoende om te concluderen dat er evenmin sprake was van enig verzekerd belang. Grizzly c.s. hebben het ontbreken van enig belang bij het vaartuig niet aannemelijk gemaakt. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [appellant sub 2] als zetschipper op de Grizzly voer, dat hij het vaartuig wilde kopen en uiteindelijk ook heeft gekocht en dat hij de afwezigheid van elke aansprakelijkheid voor schade aan het schip niet heeft aangetond. Daar komt bij dat [appellant sub 2] in zijn e-mail aan AON van 4 april 2006 zelf aangeeft dat zijn belangen bij het schip vervielen in februari 2005, toen het schip aan de ketting werd gelegd, waaruit het hof afleidt dat [appellant sub 2] op dat moment ook zelf uitging van een belang bij het schip in de periode van september 2004 tot februari 2005.

12. Het hof gaat aan het door [appellant sub 2] gedane bewijsaanbod voorbij, omdat niet is aangegeven op welke (relevante) feiten dit aanbod ziet.

Slotsom

13. Het voorgaande voert tot de slotsom dat de grieven falen. Het bestreden vonnis zal dan ook worden bekrachtigd. Grizzly c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beslissing

Het hof :

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 februari 2010;

- veroordeelt Grizzly c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Aon begroot op € 420,00 voor griffierecht en op € 632,00 voor salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Th. van der Hoeven-Oud, M.M. Olthof en R. van der Vlist en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 juli 2012 in aanwezigheid van de griffier.