Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY3295

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
15-11-2012
Zaaknummer
200.086.511-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, afwijzing vordering opheffing conservatoir beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.086.511/01

Rolnummer rechtbank : 371733 / KG ZA 11-84

arrest van 11 september 2012

inzake

1. MUND & FESTER GMBH & CO KG,

gevestigd te Hamburg, Duitsland,

2. MANNHEIMER VERSICHERUNG AG,

gevestigd te Hamburg, Duitsland,

3. CONDOR ALLGEMEINE VERSICHERUNGS-AG,

gevestigd te Hamburg, Duitsland,

4. NEPTUNIA MARINE INS. LTD.,

gevestigd te Lugano, Zwitserland,

5. BAYERISCHER VERSICHERUNGSVERBAND,

gevestigd te München, Duitsland,

6. INTER ALLGEMEINE VERSICHERUNGS-AG, HAMBURG,

gevestigd te Hamburg, Duitsland,

7. SIGNAL IDUNA, NOVA ALLGEMEINE VERSICHERUNGSAG, HAMBURG,

gevestigd te Hamburg, Duitsland,

8. FEUERSOZIETAT, BERLIN-BRANDENBURG,

gevestigd te Berlijn, Duitsland,

9. SCHWARZMEER UND OSTSEE VERS. AG SOVAG,

gevestigd te Hamburg, Duitsland,

10. ALLIANZ MARINE & AVIATION VERSICHERUNGS-AKTIENGESELLSCHAFT,

gevestigd te Hamburg, Duitsland,

11. ACE INSURANCE S.A.-N.V.,

gevestigd te Hamburg, Duitsland,

12. GOTHAER ALLGEMEINE VERSICHERUNG AG,

gevestigd te Hamburg, Duitsland,

13. HAFTPFLICHTVERBAND DER DEUTSCHEN INDUSTRIE VAG,

gevestigd te Hamburg, Duitsland,

appellanten,

hierna te noemen: verzekeraars,

advocaat: mr. W.P. den Hertog te ’s-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde]

gevestigd te Sommelsdijk (gemeente Middelharnis),

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. E.B. van den Ouden te Oude Tonge.

Het geding

Bij dagvaarding van 27 maart 2011 zijn verzekeraars in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 14 maart 2011, gewezen in kort geding tussen [geïntimeerde] als eiseres en verzekeraars als gedaagden. Bij memorie van grieven hebben verzekeraars zes grieven tegen het vonnis aangevoerd, die [geïntimeerde] bij memorie van antwoord heeft bestreden. Hierop hebben verzekeraars nog een akte uitlaten na memorie van antwoord genomen, gevolgd door een antwoordakte van de zijde van [geïntimeerde]. Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de door de voorzieningenrechter onder 2.1 tot en met 2.7 vastgestelde feiten, nu daartegen in hoger beroep geen grieven zijn aangevoerd.

2. In dit kort geding heeft [geïntimeerde], kort en zakelijk weergegeven, op grond van artikel 705 Rv de opheffing gevorderd van het op 7 februari 2007 ten laste van haar onder de Rabobank gelegde conservatoir derdenbeslag, op straffe van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft de vordering toegewezen, op de grond dat het belang van verzekeraars bij handhaving van het beslag niet opweegt tegen het belang van [geïntimeerde] bij opheffing ervan. Hiertegen richt zich het hoger beroep.

3. Het hof ziet aanleiding de grieven gezamenlijk te behandelen, en overweegt - met inachtneming van de devolutieve werking van het appel - het volgende.

4. Verzekeraars hebben bij dagvaarding van 4 februari 2010 onder meer [geïntimeerde] gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam, tot betaling van een bedrag van circa 1,1 miljoen euro, met rente en kosten. Dit bedrag betreft schade aan opgeslagen goederen als gevolg van een brand in een gebouwencomplex te Middelharnis, waarvoor verzekeraars (onder meer) [geïntimeerde] aansprakelijk houden. Tot verhaal van hun vorderingen hebben verzekeraars conservatoir derdenbeslag gelegd onder Aegon Schadeverzekering N.V., zijnde de AVB-verzekeraar van [geïntimeerde], welk beslag doel heeft getroffen tot maximaal het verzekerde bedrag van € 500.000,-. Voorts hebben verzekeraars conservatoir derdenbeslag gelegd onder de Coöperatieve Rabobank Goeree-Overflakkee U.A. te Middelharnis, huisbankier van [geïntimeerde], welk beslag doel heeft getroffen tot een bedrag van in totaal € 66.359,97. [geïntimeerde] vordert in dit kort geding opheffing van dit laatste beslag.

5. De voorzieningenrechter heeft allereerst overwogen dat, gelet op de overgelegde stukken, voorshands niet valt uit te sluiten dat [geïntimeerde] ten opzichte van de verzekeraars aansprakelijk zal worden gehouden in de bodemprocedure. Voorts heeft zij geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat het beslag uit een oogpunt van zekerheidsverschaffing onnodig is gelegd. Het hof verenigt zich met hetgeen de voorzieningenrechter op deze punten heeft overwogen en beslist. Hieruit vloeit voort, zoals de voorzieningenrechter ook heeft geconcludeerd, dat het beslag in beginsel niet moet worden opgeheven.

6. De voorzieningenrechter heeft vervolgens de belangen van partijen afgewogen, en is op grond daarvan tot het oordeel gekomen dat het beslag moest worden opgeheven. De voorzieningenrechter heeft voldoende aannemelijk geacht dat het bedrag van € 66.359,97 wezenlijk is voor de bedrijfsvoering van [geïntimeerde]. Zij heeft daarbij overwogen dat [geïntimeerde] daarvan weliswaar geen stukken heeft overgelegd, maar dat het gelet op de huidige marktomstandigheden voldoende aannemelijk is dat eigen liquide middelen voor [geïntimeerde] de mogelijkheid bieden om beter in te kopen en een ruimere marge te creëren, terwijl uit de door [geïntimeerde] overgelegde brief van de Rabobank blijkt dat die niet tot kredietverlening bereid is.

7. Het hof is, anders dan de voorzieningenrechter, van oordeel dat [geïntimeerde] onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden heeft onderbouwd dat zij zonder opheffing van het beslag niet de voor haar bedrijfsvoering benodigde financiering kan verkrijgen, en dat de vrijgave van het onder het beslag vallende bedrag van € 66.359,97 essentieel is voor het voortbestaan van haar bedrijf. De enkele brief van de Rabobank van 7 februari 2011 dat zij geen medewerking kunnen verlenen aan het financieringsverzoek van [geïntimeerde], is hiervoor naar het oordeel van het hof onvoldoende, mede gelet op de (niet nader toegelichte) zin in deze brief dat met [geïntimeerde] telefonisch verdere mogelijkheden zijn besproken. [geïntimeerde] heeft haar (volgens haar penibele) financiële positie in hoger beroep op geen enkele wijze nader toegelicht of (met stukken) onderbouwd. Dit had gelet op de grieven die door verzekeraars in hoger beroep naar voren zijn gebracht wel van haar verwacht mogen worden. De stelling van [geïntimeerde] dat zij ter zitting op vragen van de voorzieningenrechter opening van zaken heeft gegeven over de financiële positie van het bedrijf, waaraan zij heeft toegevoegd dat zij bewust geen stukken heeft overgelegd uit vrees dat zij opnieuw met beslagen geconfronteerd zou worden, bevat geen feitelijke gegevens op basis waarvan het hof kan concluderen dat aan de zijde van [geïntimeerde] sprake is van een penibele financiële situatie. Door partijen is geen proces-verbaal overgelegd van de zitting bij de voorzieningenrechter waaruit het hof kan opmaken wat er toen is besproken, en evenmin blijkt dit uit het bestreden vonnis, terwijl partijen hierover in hoger beroep van mening verschillen. Het enkele feit dat de economische crisis ook thans nog altijd aanwezig is, en dat zeker de bouw- en aannemingssector daar onder lijdt, is tot slot evenmin voldoende om aan te nemen dat het bedrag van € 66.359,97 essentieel is voor het voortbestaan van het bedrijf van [geïntimeerde]. Verzekeraars hebben aangevoerd dat in de loodgietersbranche waarin [geïntimeerde] werkzaam is nog altijd voldoende werk is, hetgeen [geïntimeerde] niet (gemotiveerd) heeft weersproken. Dat het beslag [geïntimeerde] hindert in haar bedrijfsvoering is aannemelijk, maar niet voldoende voor het opheffen van een op zichzelf terecht gelegd beslag. De enkele stelling dat toewijzing van de volledige vordering van verzekeraars van circa 1,1 miljoen euro (met rente en kosten) onherroepelijk tot een faillissement zal leiden van [geïntimeerde], maakt de belangenafweging tot slot niet anders.

8. Het aanbod van [geïntimeerde] in haar memorie van antwoord om alsnog inzage in haar financiële positie te verstrekken teneinde de noodzaak voor opheffing duidelijk te maken, wordt gepasseerd. [geïntimeerde] had dit in haar memorie van antwoord kunnen en moeten doen, zeker nu het hier gaat om een kort geding dat zich naar zijn aard niet leent voor bewijslevering of het overleggen van nadere stukken.

9. Gelet op het bovenstaande is het hof, anders dan de voorzieningenrechter, van oordeel dat de vorderingen van [geïntimeerde] tot opheffing van het beslag moeten worden afgewezen. De grieven behoeven voor het overige geen bespreking meer. Dit betekent dat het vonnis van de voorzieningenrechter zal worden vernietigd, en dat het hof de vorderingen alsnog zal afwijzen. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 14 maart 2011,

en opnieuw rechtdoende:

- wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van verzekeraars tot op 14 maart 2011 begroot op € 568,- aan verschotten en € 816,- aan salaris advocaat;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van verzekeraars tot op heden begroot op € 649,- aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.J.M.E. Arpeau, J.M.T. van der Hoeven-Oud en J.J. Roos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 september 2012 in aanwezigheid van de griffier.