Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY2796

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-10-2012
Datum publicatie
12-11-2012
Zaaknummer
BK-11/00441
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ9188, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proceskostenvergoeding. Vergoeding voor taxatierapport terecht vastgesteld op een bedrag van € 150. Belanghebbende heeft geen recht op een proceskostenvergoeding voor de aanwezigheid van de taxateur bij de hoorzitting in de bezwaarfase. Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de taxateur op de hoorzitting een relevante bijdrage heeft geleverd betreffende de onderhavige woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2676
Belastingblad 2013/10
V-N 2013/5.27.6
FutD 2012-2875
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-11/00441

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer 30 oktober 2012

in het geding tussen:

[X], wonende te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Gouda, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank

’s-Gravenhage (hierna: de rechtbank) van 1 juni 2011, nummer AWB 10/8053 WOZ, betreffende na te noemen beschikking en aanslag.

Beschikking, aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft bij beschikking als bedoeld in hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [Z] (hierna: de woning) vastgesteld op € 315.000. De waarde is vastgesteld naar de waardepeildatum 1 januari 2009 en de beschikking geldt voor het kalenderjaar 2010. Met de beschikking is aan belanghebbende in één geschrift een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2010 opgelegd.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar is de waarde verminderd tot € 295.000 en is de aanslag dienovereenkomstig verminderd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven voor zover dat betrekking heeft op de waarde van de woning en de aanslag, bepaald dat de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van het vernietigde besluit voor zover dat betrekking heeft op de vergoeding van de kosten van het bezwaar ten bedrage van € 591,90, de Inspecteur veroordeeld de kosten van het beroep ten bedrage van € 46,82 aan belanghebbende te voldoen en gelast dat de Inspecteur het griffierecht van € 41 aan belanghebbende vergoed.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 112. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van

7 augustus 2012, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Een door belanghebbende ingeschakelde taxateur heeft in de bezwaarfase, kort voor de hoorzitting, een taxatierapport ingediend.

3.2. De door belanghebbende ingeschakelde taxateur was aanwezig op de hoorzitting in de bezwaarfase.

3.3. Tijdens de hoorzitting is het bezwaar tegen de waardering van veertig objecten behandeld.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding vanwege de aanwezigheid van de taxateur bij de hoorzitting in de bezwaarfase. Tevens is de hoogte van de vergoeding voor de kosten van het taxatierapport in geschil.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar voor zover het de proceskostenvergoeding betreft en het toekennen van een proceskostenvergoeding voor het aanwezig zijn van de taxateur bij de hoorzitting in de bezwaarfase en een hogere vergoeding van de kosten van het taxatieverslag.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft – voor zover van belang – het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid.

“III  OVERWEGINGEN

3.1  Verweerder heeft bij beschikking van 28 februari 2010 (hierna: de beschikking) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [Z] (hierna: de woning), op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) op waardepeildatum 1 januari 2009 (hierna: de waardepeildatum) voor het kalenderjaar 2010 vastgesteld op € 315.000.

Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan eiser opgelegde aanslag onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 2010 (hierna: de aanslag).

 

3.2  Eiser heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. Daarbij heeft hij een taxatierapport (hierna: het taxatierapport) overgelegd. In zijn bezwaarschrift heeft eiser verzocht om vergoeding van de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt (hierna: vergoeding van bezwaarkosten). Tot de kosten die voor vergoeding in aanmerking komen, rekent eiser een proceskostenvergoeding van één punt volgens het geldende forfait en de kosten van het taxatierapport ten bedrage van € 380,80 (inclusief BTW).

 

3.3  Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard, de vastgestelde waarde van de woning verminderd tot € 295.000 en de aanslag verlaagd tot één, berekend naar een vastgestelde waarde van € 295.000. De vergoeding van bezwaarkosten heeft verweerder bij de uitspraak op bezwaar vastgesteld op € 345,73, te weten € 218,- voor beroepsmatige rechtsbijstand, € 121,83 voor kosten van een deskundige in verband met het opstellen van het taxatierapport en kosten van uittreksels tot een bedrag van € 5,90.

Het bedrag van € 5,90 is tussen partijen niet in geschil.

 

3.4  In geschil is de hoogte van de wegingsfactor bij de door verweerder toegekende vergoeding van de bezwaarkosten voor beroepsmatige rechtsbijstand, de hoogte van de door verweerder aan eiser toegekende vergoeding voor het opstellen van een taxatierapport en het al dan niet toekennen van een vergoeding van de kosten van een deskundige voor het verschijnen op de hoorzitting.

 

3.5  Met betrekking tot de te hanteren wegingsfactor overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder is uitgegaan van een wegingsfactor 0,5.

Op de kostenvergoeding in bezwaar is het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) van toepassing. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit dient voor de vaststelling van de hoogte van de kosten te worden uitgegaan van het tarief dat is opgenomen in de bijlage bij het Besluit (hierna: de bijlage). Het tarief wordt bepaald doordat in de bijlage aan diverse proceshandelingen verschillende punten zijn toegekend (onderdeel A), waarvan de waarde (onderdeel B) moet worden vermenigvuldigd met een wegingsfactor (onderdeel C). De wegingsfactor wordt bepaald naar gelang het gewicht van de zaak. Het gewicht van de zaak wordt bepaald door het belang en de ingewikkeldheid van de zaak. De hoogte van het financiële belang kan een factor zijn, maar is niet doorslaggevend. In onderdeel C1 van de bijlage worden de verschillende wegingsfactoren voor het gewicht van een zaak weergegeven, die kunnen oplopen van 0,25 (zeer licht) tot 2 (zeer zwaar). Bij een zaak van gemiddeld gewicht bedraagt de wegingsfactor 1. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat een zaak in de bezwaarfase in beginsel een wegingsfactor 1 (gemiddeld) heeft tenzij er duidelijk redenen zijn om hier vanaf te wijken. Beoordeeld naar belang en ingewikkeldheid van de onderhavige zaak en de omvang van de in het kader van de verleende rechtsbijstand verrichte werkzaamheden acht de rechtbank geen redenen aanwezig om van dat uitgangspunt af te wijken. Gelet op wat hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank aanleiding de wegingsfactor in de onderhavige procedure op

1 te stellen.

 

3.6  Met betrekking tot de vergoeding van de kosten van een deskundige overweegt de rechtbank als volgt. Vaststaat dat verweerder bij de uitspraak op bezwaar aan eiser een vergoeding voor de kosten van het taxatierapport heeft toegekend. Verweerder is hierbij uitgegaan van een bedrag van € 40,61 per uur en van drie uren, derhalve € 121,83. De rechtbank beperkt zich tot de vraag of verweerder bij de uitspraak op bezwaar de voor de taxatiekosten toegekende vergoeding op een te laag bedrag heeft vastgesteld. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

 

3.7  Het bedrag van de kosten van een deskundigenverslag wordt ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het Besluit, gelezen in samenhang met artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn, vastgesteld op ten hoogste

€ 81,23.

 

3.8  De rechtbank is van oordeel dat de uitgevoerde taxatiewerkzaamheden betrekkelijk eenvoudig en zeker niet van wetenschappelijke of bijzondere aard waren. Mitsdien volstaat een uurtarief van € 50 (inclusief BTW). Voorts bevat het taxatierapport alleen algemene informatie over de vergelijkingsobjecten en bevat het geen analyse van verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning en evenmin van de gevolgen die deze verschillen hebben voor de herleiding van de vastgestelde waarde van de woning uit verkoopprijzen van vergelijkingsobjecten. Op grond hiervan acht de rechtbank aannemelijk dat het opstellen van het rapport maximaal drie uur in beslag heeft genomen, zoals verweerder heeft bepleit. Aan eiser dient derhalve een bedrag van € 150 (inclusief BTW) voor de kosten van het taxatierapport te worden toegekend.

 

3.9  Met betrekking tot de gevraagde vergoeding van de kosten voor het verschijnen ter hoorzitting door de taxateur, overweegt de rechtbank als volgt.

Eiser doet hierbij een beroep op artikel 7:8 van de Awb juncto artikel 1, aanhef en onderdeel b, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het Besluit.

 

3.10  Naar het oordeel van de rechtbank is het uitgebrachte taxatierapport het uitgangs-punt van de inbreng van de taxateur als deskundige. Die kosten dienen te worden vergoed. Van een aanvullende vergoeding vanwege de aanwezigheid van de taxateur op de hoorzitting kan alleen dan sprake zijn, indien er gebleken is van een relevante aanvulling op het reeds uitgebrachte rapport.

Niet gebleken is dat de taxateur als deskundige aanwezig was, nu uit de gedingstukken niet is gebleken van een bevraging aan de taxateur of van een door hem gegeven toelichting, waarbij hij als relevante aanvulling op het reeds uitgebrachte taxatierapport zijn standpunt als deskundige heeft uitgebracht. De ter zitting genoemde inbreng van de taxateur leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De inbreng betrof naar de rechtbank begrijpt een algemene toelichting enerzijds en de beschikbaarheid voor vragen van de zijde van de hoorcommissie anderzijds, in de situatie dat op de hoorzitting de daags daarvoor toegezonden 40 taxatierapporten, van de in totaal te bespreken zaken, mee waren genomen naar de hoorzitting. Concreet kon van de zijde van de gemachtigde evenwel niet worden aangegeven op welke zaken feitelijk vragen zijn beantwoord door de taxateur. Of de aard van die bevraging aansluit bij de rol van een deskundige valt dan ook niet te beoordelen. Of op de voorliggende zaak sprake is van de aanwezigheid van de taxateur als deskundige kan dan ook niet worden vastgesteld.

 

3.11  Gelet op het vorenoverwoge zijn de te vergoeden proceskosten, toe te rekenen aan de bezwaarfase, als volgt:

- voor de in de bezwaarfase verleende beroepsmatige verleende rechtsbijstand: 1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van een hoorzitting met een waarde van € 218 per punt en met een wegingsfactor 1, derhalve € 436,

- voor het taxatierapport € 150, inclusief BTW,

- kosten kadastrale uittreksels € 5,90,

Totaal te vergoeden: € 591,90.

 

3.12  Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard. De rechtbank vindt voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met het beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit voor door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 46,82 ( 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 0,5 en een factor van 1,5 vanwege het aantal samenhangende zaken van 4 of meer, in totaal een bedrag van € 655,50. Een viertiende gedeelte dient aan de onderhavige zaak te worden toegerekend, dat wil zeggen € 46,82.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.1. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte de vergoeding voor het taxatierapport heeft gematigd omdat er geen analyse in zou zitten en niet duidelijk zou zijn op welke wijze met verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning rekening is gehouden.

7.1.2. De Inspecteur heeft zich daartegenover op het standpunt gesteld dat de rechtbank de vergoeding voor het taxatieverslag terecht op een bedrag van € 150 heeft vastgesteld.

7.2. Het Hof overweegt als volgt. De kosten van een deskundige die aan belanghebbende verslag heeft uitgebracht of die door belanghebbende is meegebracht komen op grond van artikel 1, onderdeel b, Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor vergoeding in aanmerking. Voor het bepalen van de hoogte van de vergoeding is op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel b van het Besluit, het Besluit tarieven in strafzaken van toepassing.

7.3.1. De werkzaamheden van de taxateur worden aangemerkt als zijnde van bijzondere aard als bedoeld in artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken. Ten aanzien van de vergoeding geldt dat deze wordt vastgesteld tot een tarief van ten hoogste € 81,23 exclusief BTW per uur, al naar gelang de werkzaamheden in meer of mindere mate van bijzondere aard zijn.

7.3.2. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 juli 2012, nr. 11/04133, LJN-nummer: BX0919, onder meer het volgende overwogen ten aanzien van het al dan van bijzondere aard zijn van taxatiewerkzaamheden:

“3.3.6. De mate waarin dergelijke werkzaamheden van bijzondere aard zijn, wordt vooral bepaald door de aard van de te taxeren onroerende zaak. Naarmate de taxatie van een object naar haar aard complexer is, kan toepassing van een hoger uurtarief gerechtvaardigd zijn. Toepassing van het maximale uurtarief komt eerst in aanmerking indien het object van dien aard is dat de taxatie daarvan zeer complex is.”

7.3.3. Het door de rechtbank vastgestelde uurtarief van € 50 per uur inclusief BTW acht het Hof, gelet op de aard van het object, passend voor de mate waarin het taxatierapport van bijzondere aard is. Ook is het Hof van oordeel dat de rechtbank terecht drie uren in aanmerking heeft genomen bij het vaststellen van de hoogte van de vergoeding. Het Hof acht aannemelijk dat een redelijk eenvoudige taxatie als de onderhavige binnen dit tijdsbestek moet kunnen plaatsvinden

7.4.1. Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van de kosten van de taxateur voor het verschijnen op de hoorzitting. Belanghebbende stelt dat de taxateur een zeer wezenlijke inbreng in de hoorzitting had. Doordat de Inspecteur geen hoorverslag heeft gemaakt kon ter zitting bij de rechtbank niet meer gereproduceerd worden bij welke dossiers de taxateur een wezenlijke inbreng op de hoorzitting had. De gevolgen daarvan dienen voor rekening van de Inspecteur te blijven, aldus belanghebbende. Ter zitting heeft belanghebbende zich nader op het standpunt gesteld dat de taxateur vijf tot tien minuten aan elk dossier afzonderlijk heeft besteed op de hoorzitting en dat hij op basis van het Besluit tarieven in strafzaken dan recht heeft op een half uur vergoeding voor zijn aanwezigheid.

7.4.2. De Inspecteur stelt dat de taxateur vooral een algemene toelichting heeft gegeven op de taxatierapporten. Inhoudelijk is er volgens hem verder niets toegevoegd aan het taxatierapport van deze woning. Voorts stelt hij dat met belanghebbende destijds is overeengekomen dat geen afzonderlijk hoorverslag zou worden opgemaakt.

7.5. Het Hof is van oordeel dat de kosten van de aanwezigheid van de taxateur bij een hoorzitting waarbij de waarde van de woning in geschil is in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen, indien belanghebbende feiten en/of omstandigheden stelt – en bij betwisting aannemelijk maakt - dat de taxateur een relevante bijdrage heeft geleverd op de hoorzitting. In het onderhavige geval, waarin meerdere zaken tegelijkertijd besproken zijn op de hoorzitting, zal belanghebbende aannemelijk dienen te maken dat aldaar ook aan deze specifieke woning door de taxateur aandacht is besteed. Een begin van bewijs had kunnen worden geleverd door bijvoorbeeld aantekeningen van hetgeen is besproken over te leggen. Ook het overleggen van een hoorverslag met eventuele reacties hierop, had duidelijkheid kunnen verschaffen over de objecten die besproken zijn op de hoorzitting. Het Hof hecht geloof aan de verklaring van de Inspecteur dat overeengekomen is met belanghebbende om geen afzonderlijk hoorverslag op te maken. Onder deze omstandigheid kan het niet maken van een hoorverslag de Inspecteur niet worden teruggeworpen. Het is de verantwoordelijkheid van elke partij om zelf aantekeningen te maken van hetgeen gezegd of voorgevallen is, al was het maar als controlemiddel op een schriftelijke vastlegging van de hoorzitting. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de taxateur op de hoorzitting een relevante bijdrage heeft geleverd betreffende de onderhavige woning. Het Hof kent dan ook geen vergoeding toe voor de aanwezigheid van de taxateur op de hoorzitting.

7.6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hoger beroep ongegrond. Beslist dient te worden als hierna vermeld.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

 

 

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, A.N. Labohm en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.H.R. Massmann. De beslissing is op 30 oktober 2012 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.