Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY2203

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-08-2012
Datum publicatie
02-11-2012
Zaaknummer
200.090.086
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2223, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nalatenschap. Ouderlijke boedelverdeling. Verdeling, vaststelling van de omvang van de nalatenschap althans de aandelen en rol aangifte successie. Verjaring van artikel 3:100BW. Rechtsverwerking. Gerechtvaardigd vertrouwen. Onredelijke benadeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector civiel

Zaaknummer : 200.090.086

Zaaknummer Rechtbank : 969049/CV EXPL 09-9285

arrest van 21 augustus 2012

inzake

appellant sub 1,

wonende te A

en

appellante sub 2,

wonende te B,

beiden hierna te noemen: appellanten,

advocaat: mr. J.C. Moree te Rotterdam,

tegen

geïntimeerde,

wonende te C,

advocaat: mr. E.H. de Milliano-Machielse te Katwijk (ZH).

1. Het geding

Bij exploot van 28 juni 2011 zijn appellanten in hoger beroep gekomen van het vonnis van 8 april 2011 van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, tussen partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft voormeld.

Bij memorie van grieven hebben appellanten 3 grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde de grieven bestreden.

De partijen hebben hun procesdossier aan het hof overgelegd en hebben arrest gevraagd.

2. Feiten

1. Tegen de feiten zoals door de rechtbank vastgesteld in het bestreden vonnis is niet opgekomen, zodat het hof in dit hoger beroep van die feiten uitgaat.

2. Het hof gaat op basis van het bestreden vonnis en de overgelegde stukken onder meer uit van de volgende vaststaande feiten:

- [de moeder] (hierna te noemen: erflaatster) was in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd met [de vader] (hierna te noemen: de vader); uit dit huwelijk zijn appellanten geboren;

- erflaatster is op [in] augustus 2001 te [..] overleden; zij heeft bij uiterste wil van 21 augustus 1989 beschikt over haar nalatenschap, waarbij zij een ouderlijke boedelverdeling heeft gemaakt op grond van artikel 4:1167 BW (oud);

- uit de verklaring van erfrecht en toedeling van 22 november 2001 volgt dat appellanten hebben berust in de uiterste wil van erflaatster en dat zij afstand hebben gedaan van elk mogelijk recht de door erflaatster gemaakte verdeling te vernietigen;

- de vader is hertrouwd in de wettelijke gemeenschap van goederen met geïntimeerde; hij is [in] november 2005 overleden en heeft bij uiterste wil van 3 oktober 2005 beschikt over zijn nalatenschap. Bij dit door zijn overlijden onherroepelijk geworden testament heeft de vader tot zijn enige erfgenamen benoemd:geïntimeerde, zijn uit zijn eerste huwelijk geboren kinderen –appellanten- , zijn uit het huwelijk met geïntimeerde geboren kind en zijn stiefkinderen. Vader heeft de wettelijke verdeling op zijn nalatenschap van toepassing verklaard en zijn stiefkinderen in die verdeling betrokken.

3. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank – voor zover in dit hoger beroep van belang – geïntimeerde veroordeeld om aan ieder der appellanten te voldoen een bedrag van € 6.614,64 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van 23 september 2008 tot aan de dag der algehele voldoening. Het meer of anders gevorderde is afgewezen en de kosten van het geding zijn gecompenseerd.

3. Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

4. In het door appellanten overgelegde procesdossier in hoger beroep bevinden zich stukken die betrekking hebben op een andere procedure tussen partijen, te weten het leggen van conservatoir beslag op de onroerende zaak aan de [..], gemeente [..]. Die stukken zijn in eerste aanleg niet overgelegd en ook niet als producties aan de memorie van grieven gehecht. In de memorie wordt ook niet verwezen naar die stukken, anders dan dat melding wordt gemaakt van het feit dat bij exploit van 6 augustus 2008 beslag op voornoemde onroerende zaak is gelegd welk beslag voortduurt. De stukken maken derhalve geen deel uit van de processtukken in de onderhavige zaak, zodat het hof de door appellanten op de inventarislijst onder punt 1 genoemde stukken bij de beoordeling in deze zaak buiten beschouwing laat.

5. In geschil is de omvang van de rechten van appellanten in de nalatenschap van erflaatster en de vordering die zij uit dien hoofde hadden op vader en thans hebben op geïntimeerde, voor wier rekening als de echtgenote van de vader de voldoening van de nalatenschapsschulden komt.

6. Partijen zijn met betrekking tot de omvang en samenstelling van de nalatenschap van erflaatster slechts verdeeld omtrent de waarde van de onroerende zaak aan de [...] te [...], gemeente [...].

7. Appellanten vorderen dat het hof bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis ten aanzien van de door appellanten destijds ingestelde vorderingen sub I en III zal vernietigen en, met eventuele aanvulling en verbetering van gronden en in aanmerking nemend het door appellanten in de memorie van grieven onder sub 11 gestelde opnieuw rechtdoende, de vorderingen van ieder van beide appellanten te stellen op de door geïntimeerde binnen twee weken na de betekening van het in deze te wijzen arrest te betalen hoofdsom van € 28.558,80 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2008 tot aan de dag van algehele betaling, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van de procedures in beide instanties, waaronder begrepen beslagkosten, onroerende zaak, althans in het huidig stadium kosten rechtens.

8. Geïntimeerde verzet zich daartegen en concludeert dat het hof het hoger beroep van appellanten niet-ontvankelijk zal verklaren ten aanzien van de proceskosten in eerste aanleg alsmede beslagkosten en voor het overige aan appellanten hun vorderingen zal ontzeggen met bekrachtiging van het vonnis a quo, zo nodig met verbetering van gronden, met veroordeling van appellanten in de kosten van de appelprocedure.

Verdeling en verjaring

9. Appellanten stellen zich op het standpunt dat juist is dat de verdeling van de nalatenschap van erflaatster tot stand is gekomen. Waar het appellanten echter om gaat is de vaststelling van de omvang van de nalatenschap althans van hun erfdeel, zijnde de uitwerking van de in de uiterste wil van erflaatster neergelegde ouderlijke boedelverdeling, en niet de vernietiging daarvan, op welke vordering geen wettelijke verjaringsbepaling van toepassing is. Appellanten stellen en bieden te bewijzen aan dat zij op geen enkele wijze betrokken zijn geweest bij de door hun vader destijds ingevulde en ingediende aangifte successierechten nalatenschap van erflaatster. Er is volgens appellanten geen sprake geweest van wilsovereenstemming met betrekking tot de uitwerking van de in het testament vermelde verdeling, zodat er geen situatie is ontstaan die vergelijkbaar is met de in artikel 4:15 BW geregelde gevallen en waarop artikel 3:100 BW noch een andere wettelijke verjarings- of vervaltermijn van toepassing is.

10. Geïntimeerde stelt dat het niet mogelijk is om, zoals appellanten doen, een splitsing aan te brengen tussen verdelen van de nalatenschap en het bepalen van de omvang van de nalatenschap om onder de verjaring van artikel 3:100 BW uit te komen. Er zijn tussen appellanten en de vader cijfers over tafel gegaan, en geen van de appellanten heeft jegens de vader kenbaar gemaakt dat zij het aan hun toegerekende deel te gering achtten en daarom niet met de waardevaststelling zoals door de vader gedaan akkoord gingen. Deze waardevaststelling is onlosmakelijk verbonden met de verdeling en kan daarom niet meer daarvan worden afgesplitst om de verjaringstermijn van artikel 3:100 BW te ontwijken. Geïntimeerde stelt voorts dat de erfgenamen van erflaatster naderhand overeenstemming hebben gekregen over de omvang van de nalatenschap op basis van de aangifte waardoor de waardebepaling als in de aangifte successie bindend is. Door het inroepen van de wilsrechten zonder tegelijk de kwestie van de omvang aan te kaarten, hebben appellanten de schijn gewekt dat in hun visie de verdeling had plaatsgevonden alsmede dat de omvang van hun erfdelen was vastgesteld. Deze schijn dient hun te worden toegerekend, zodat thans geen herberekening meer gevorderd kan worden. Daarnaast beroept geïntimeerde zich op verwerking van recht, nu appellanten bij het huwelijk van hun vader met geïntimeerde niet met hem een gesprek zijn aangegaan over de nalatenschap van hun moeder, maar hebben volstaan met het inschakelen van een notaris en het vermijden van ieder contact met hun vader.

11. Het hof overweegt als volgt. Erflaatster had een ouderlijke boedelverdeling gemaakt. Daardoor stond bij het overlijden van erflaatster terstond vast van welke goederen iedere erfgenaam eigenaar is. Een contractuele verdeling tussen de erfgenamen was daardoor niet meer nodig. De nalatenschap was immers al verdeeld door erflaatster. De door erflaatster gemaakte verdeling hield in dat de goederen van haar nalatenschap werden verkregen door vader onder de verplichting de schulden van de nalatenschap voor zijn rekening te nemen. Appellanten hebben door deze verdeling een vordering wegens onderbedeling gekregen op vader ter grootte van hun erfdeel, welke vordering - voor zover hier van belang -eerst opeisbaar werd bij overlijden van vader. Aangezien haar nalatenschap reeds door erflaatster was verdeeld bij de door haar gemaakte ouderlijke boedelverdeling, heeft er geen verdeling plaats gevonden. Er behoefden slechts aanvullende boedelwerkzaamheden te worden verricht, zoals aangifte voor destijds het successierecht en mogelijk vaststelling erfdelen kinderen, maar geen verdeling.

Anders dan geïntimeerde meent, zijn de erfgenamen bij de vaststelling van hun onderbedelingsvorderingen in hun onderlinge verhouding niet gebonden aan de waardering voor het successierecht. De hogere werkelijke waarde moet bij het tweede overlijden (van vader) in aanmerking worden genomen, tenzij de vaststelling van de civielrechtelijke vorderingen al heeft plaats gevonden. De aangegeven waarden voor de heffing van het successierecht binden de erfgenamen niet. Voor zover er al tussen vader en appellanten overeenstemming was over de aan te geven waarden, was dat slechts voor de heffing van het successierecht. Dat nadien, zoals geïntimeerde stelt, overeenstemming tot stand is gekomen over de omvang van de nalatenschap op basis van de aangifte – het hof neemt aan dat geïntimeerde bedoelt voor de berekening van de vordering van appellanten op vader - is het hof uit de overgelegde stukken niet gebleken. Het enkele inroepen van de wilsrechten door appellanten bij gelegenheid van het hertrouwen van vader zonder tegelijk met de vader over de omvang van de nalatenschap te praten is hiertoe naar het oordeel van het hof onvoldoende. Een berekening van de omvang van de vordering was toen niet aan de orde omdat de vorderingen van appellanten blijkens het testament van erflaatster niet opeisbaar werden door het hertrouwen van vader. Ter zijde merkt het hof nog op, dat een regeling als die van de wilsrechten ontbrak onder het voor 1 januari 2003 toepasselijke recht. Ook de door geïntimeerde gestelde hulp door appellante sub 2 aan de vader bij de financiële administratie na het overlijden van erflaatster, wat daar ook van zij, is geen vaststelling van de hoogte van de onderbedelingsvorderingen.. Het beroep van geïntimeerde op rechtsverwerking kan niet slagen. De vorderingen van appellanten op vader zijn eerst door zijn overlijden opeisbaar geworden op 28 november 2005. Het door geïntimeerde gestelde voor een beroep op rechtsverwerking is naar het oordeel van het hof ontoereikend. Van de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden op grond waarvan vader en thans geïntimeerde het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat appellanten bij de berekening van hun vordering niet zouden uitgaan van een hogere (werkelijke) waarde dan de fiscale is niet gebleken. Evenmin is gebleken dat geïntimeerde in haar positie onredelijk benadeeld wordt. De vordering wordt immers gedragen door alle erfgenamen van vader..

12. Het vorenstaande leidt ertoe dat er naar het oordeel van het hof geen sprake kan zijn van verjaring van de vordering van appellanten. De omvang van de nalatenschap van erflaatster dient derhalve te worden vastgesteld. Partijen twisten dienaangaande slechts over de waarde van de onroerende zaak de [...] te [...], gemeente [...].

Waarde onroerende zaak

13. Appellanten stellen dat de waarde van de onroerende zaak op het moment van overlijden van erflaatster € 185.000,- bedroeg. Geïntimeerde is het niet eens met de waardevaststelling zoals appellanten die voorstaan, aangezien er sprake is van erfpacht met betrekking tot de onroerende zaak en niet van volle en vrjje eigendom.

14. Het hof overweegt als volgt. Voor de waarde van de onroerende zaak de [...] te [...], gemeente [...], dient te worden uitgegaan van de waarde van de onroerende zaak op het moment van overlijden van erflaatster. Op dat tijdstip zijn de vorderingen van appellanten ontstaan. Op basis van de door partijen in het geding gebrachte stukken kan het hof de waarde van de onroerende zaak in het vrije economische verkeer op die datum niet vaststellen. Onder de waarde in het vrije economische verkeer verstaat het hof de waarde die voor de onroerende zaak kan worden verkregen vrij van huur en bewoning, indien de woning onder de meest gunstige omstandigheden aan een derde wordt verkocht. Het hof wenst nader te worden geïnformeerd omtrent deze waarde door een deskundige. Partijen dienen zich bij akte uit te laten over de vraag of er 1 of 3 deskundigen moeten worden benoemd voor de waardering van de onroerende zaak en voorts dienen zij aan te geven of zij overeenstemming hebben weten te bereiken over de te benoemen deskundige.

15. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen houdt zij iedere verdere beslissing aan.

4. Beslissing

Het hof:

bepaalt dat partijen ter rolle van 16 oktober 2012 zich bij akte dienen uit te laten omtrent hetgeen het hof in rechtsoverweging 14 heeft gesteld;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Lückers, Labohm en Stollenwerck, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 augustus 2012 in aanwezigheid van de griffier.