Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY2014

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-09-2012
Datum publicatie
01-11-2012
Zaaknummer
22-000665-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft in de periode van 4 september 2009 tot en met 25 september 2009 meermalen ontuchtige handelingen gepleegd met het destijds 15-jarige slachtoffer dat hij kende van de reddingsbrigade.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000665-12

Parketnummer: 11-710092-11

Datum uitspraak: 17 september 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 2 februari 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1979,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 3 september 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, met de bijzondere voorwaarde als nader in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten laste gelegd dat:

1:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 04 september 2009 tot en met 25 september 2009 te Dordrecht en/of Susteren, gemeente Echt-Susteren, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met [benadeelde partij](geboren op [geboortejaar] 1993), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het meermalen, althans eenmaal,

- (tong)zoenen van die [benadeelde partij] en/of

- strelen en/of betasten van de billen en/of borsten en/of (binnenkant van de) bovenbe(e)n(en) van die [benadeelde partij].

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

De hoorverplichting ex artikel 167a Sv

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde pleitnota, primair het verweer gevoerd - kort en zakelijk weergegeven - dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard omdat het niet heeft voldaan aan zijn in artikel 167a Sv neergelegde verplichting om de (minderjarige) aangeefster zo mogelijk in de gelegenheid te stellen om haar mening over het gepleegde feit kenbaar te maken.

Het hof overweegt dat blijkens HR 18 november 2008 (LJN: BF1183) slechts plaats is voor de door de raadsman beoogde sanctie indien het openbaar ministerie bij zijn op artikel 167, tweede lid, Sv gegronde afweging of in het gegeven geval van vervolging moet worden afgezien op gronden aan het algemeen belang ontleend, de mening van de minderjarige niet heeft betrokken en door dit na te laten zodanig in strijd heeft gehandeld met de jegens de minderjarige te betrachten zorgvuldigheid, dat dit in de omstandigheden van het geval moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar-ministerie. In het geval voldoende duidelijk is gebleken dat het minderjarige slachtoffer geen bezwaar heeft tegen vervolging van de verdachte, bestaat voor niet-ontvankelijkheid geen grond, aldus de Hoge Raad.

Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie uit het gegeven dat aangeefster - nadat haar door de politie in een informatief gesprek onder meer kenbaar is gemaakt dat aangifte tot een strafzaak kan leiden - aangifte heeft gedaan en daarin kenbaar heeft gemaakt dat zij wil dat de verdachte stopt met zijn gedrag, heeft kunnen afleiden dat aangeefster geen bezwaar had tegen de vervolging van de verdachte. Derhalve heeft het openbaar ministerie aan de jegens aangeefster te betrachten zorgvuldigheid voldaan, zodat het beroep op niet-ontvankelijkheid niet kan slagen.

Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Salduz-verweer

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte - overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota - betoogd dat de verklaring van de verdachte zoals afgelegd op 29 november 2010 dient te worden uitgesloten van het bewijs. Voor de onderbouwing van dit verweer verwijst het hof kortheidshalve naar hetgeen daaromtrent in de pleitnota is vermeld.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Vooropgesteld zij dat het inmiddels vaste jurisprudentie is dat de Salduz-norm niet zonder meer geldt voor niet aangehouden verdachten. Slechts in bijzondere omstandigheden kan dit anders zijn.

De verdachte is op 19 november 2010 telefonisch uitgenodigd om op 29 november 2010 voor een verhoor te verschijnen op het politiebureau te Sliedrecht. Deze telefonische afspraak is per e-mail van 19 november 2010 bevestigd. De email houdt onder meer in: "tegen u is aangifte gedaan van aanranding, gepleegd te Dordrecht, op en/of tussen 4 en 25 september 2009".

Blijkens de op 1 april 2010 in werking getreden Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor (Staatscourant 2010, 4003) had de verdachte in de e-mail ook gewezen moeten worden op de mogelijkheid om, voor eigen rekening, voorafgaand aan het verhoor een raadsman te raadplegen. Dit is in strijd met de genoemde Aanwijzing niet gebeurd.

Het hof is van oordeel dat bovengenoemd gebrek echter niet dient te leiden tot de conclusie dat sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden dat moet worden afgeweken van het uitgangspunt dat de Salduz-norm niet geldt voor niet-aangehouden verdachten. Daarbij heeft het hof mede gelet op het feit dat de verdachte wel van te voren in kennis is gesteld van de verdenking en dat hij 10 dagen de tijd heeft gehad om zijn procespositie te bepalen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:

hij in de periode van 04 september 2009 tot en met 25 september 2009 te Dordrecht en Susteren, in elk geval in Nederland, meermalen (telkens) met [benadeelde partij](geboren op 16 december 1993), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het

- tongzoenen van die [benadeelde partij] en

- strelen van de borsten en binnenkant van het bovenbeen van die [benadeelde partij].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met de algemene en bijzondere voorwaarde als nader in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft in de periode van 4 september 2009 tot en met 25 september 2009 meermalen ontuchtige handelingen gepleegd met het destijds 15-jarige slachtoffer dat hij kende van de reddingsbrigade. Door aldus te handelen heeft de verdachte de strafrechtelijke grenzen van respectvolle bejegening van de andere sekse overschreden.

Bij de keuze van strafsoort en strafmaat heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte niet meer werkzaam is bij de reddingsbrigade.

In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiƫle Documentatie d.d. 20 augustus 2012 niet eerder wegens het plegen van strafbare feiten is veroordeeld.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler, mr. C.J. van der Wilt en mr. C.M.P. Flint-Van Noort, in bijzijn van de griffier mr. N.R. Achterberg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 september 2012.

Mr. C.M.P. Flint-Van Noort is buiten staat dit arrest te ondertekenen.