Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY1876

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-09-2012
Datum publicatie
01-11-2012
Zaaknummer
22-000858-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000858-12

Parketnummer: 09-925846-11

Datum uitspraak: 13 september 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 6 februari 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortejaar] 1965,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 30 augustus 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 november 2011 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een spijkerbroek, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Zeeman (filiaal Theresiastraat), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet in alle opzichten verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 10 november 2011 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een spijkerbroek, toebehorende aan winkelbedrijf Zeeman (filiaal Theresiastraat).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Gevoerde verweren

De raadsman heeft een tweetal verweren gevoerd.

1. De raadsman betoogt - zakelijk weergegeven - dat artikel 2 Politiewet de politie verplicht tot het preventief optreden, opdat voorkomen wordt dat strafbare feiten worden gepleegd.

Derhalve had de politie de verdachte niet het strafbare feit moeten laten consumeren in de winkel door hem het goed te laten stelen. Nu de politie dit heeft nagelaten, dient het proces-verbaal van bevindingen opgesteld naar aanleiding van de diefstal in de winkel buiten beschouwing te worden gelaten, gelet op het bepaalde in artikel 359a Wetboek van Strafvordering. In de visie van de raadsman dient dit tot vrijspraak van het aan verdachte ten laste gelegde te leiden.

2. De raadsman betoogt - zakelijk weergegeven - dat de verdachte geen rechtsmiddel heeft tegen de beslissing van de rechter-commissaris die de inverzekeringstelling rechtmatig acht. Het openbaar ministerie heeft in dit verband wel een rechtsmiddel. Dit is in strijd met het bepaalde in artikel 6 EVRM besloten liggende beginsel van 'equality of arms' en artikel 13 EVRM.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Ten aanzien van het eerste verweer overweegt het hof dat artikel 2 van de Politiewet, noch enige andere rechtsregel de politie verplicht in te grijpen in een zaak als in casu aan de orde, indien het vermoeden bestaat dat een strafbaar feit zal worden begaan. Derhalve is geen sprake van een vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Het verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van het tweede verweer overweegt het hof als volgt.

Op grond van artikel 59a van het Wetboek van Strafvordering wordt een verdachte uiterlijk binnen 3 dagen en 15 uren voor de rechter-commissaris geleid ter toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling. Indien de rechter-commissaris de inverzekering onrechtmatig acht, beveelt hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte (artikel 59a, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering). Tegen deze beschikking van de rechter-commissaris kan de officier van justitie ingevolge het bepaalde in artikel 59c van het Wetboek van Strafvordering hoger beroep in stellen bij de rechtbank. De verdachte heeft geen mogelijkheid direct hoger beroep in te stellen bij de rechtbank indien de rechter-commissaris de inverzekeringstelling rechtmatig acht. Tegen dit onderscheid in het rechtsmiddelenregime richt zich het verweer.

Het hof stelt voorop onder verwijzing naar HR 30 januari 1996, NJ 1996, 288 dat het Wetboek van Strafvordering velerlei beschikkingen kent. Deze hebben betrekking op onderwerpen van onderling verschillende aard. Bij de vraag tegen welke beschikkingen al dan niet hoger beroep en/of beroep in cassatie moet kunnen worden ingesteld door de verdachte en/of het openbaar ministerie zijn verschillende keuzes denkbaar, waarbij uiteenlopende belangen van praktische en meer principiële aard zijn betrokken en die moeten voldoen aan de eisen die aan een samenhangend stelsel kunnen worden gesteld. Daarvan uitgaande moet - daargelaten of er wat betreft de toepassing van het hierboven uiteengezette rechtsmiddelenregime sprake is van strijd met artikelen 6 en 13 EVRM en/of met evengemeld beginsel - worden aangenomen dat het openstellen voor de verdachte van hoger beroep, als in het verweer bepleit, valt buiten de rechtsvormende taak van de rechter en aan de wetgever moet worden overgelaten.

Voorts heeft de raadsman niet aangegeven welke rechtsgevolgen de raadsman aan deze wettelijke ongelijkheid in rechtsmiddelenregime wenst te verbinden.

Het verweer wordt verworpen.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Dergelijke feiten brengen naast overlast doorgaans ergernis en financiële schade voor de benadeelde met zich mee.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 augustus 2012, waaruit blijkt dat de verdachte vele malen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht,

mr. M.I. Veldt-Foglia en mr. P.J. Wurzer, in bijzijn van de griffier mr. M.C. Zuidweg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 september 2012.