Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY1246

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-10-2012
Datum publicatie
25-10-2012
Zaaknummer
22-003470-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2008:BD6483, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:289, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gerechtshof legt in hoger beroep 18 en 21 jaren gevangenisstraf op aan twee mannen die op 26 mei 2006 in Spijkenisse bij een ripdeal de twee bezitters van cocaïne hebben doodgeschoten. De verdachten waren toen 18 en 28 jaar oud. De misdaad vond plaats in het huis van één van de slachtoffers.

De rechtbank had in juni 2008 aan de verdachte 15 jaren opgelegd en zijn mededader vrijgesproken. Het hof vindt, anders dan de rechtbank, ook bewezen dat de mededader aan de ripdeal heeft meegedaan. Hij heeft het vuurwapen meegenomen en de slachtoffers doodgeschoten. Hij was al eerder voor geweldsdelicten veroordeeld. De verdachte heeft het initiatief voor de ripdeal genomen.

Het hoger beroep heeft erg lang geduurd vanwege vertraging in technisch tegenonderzoek naar de plaats waar een van de slachtoffers zou zijn doodgeschoten (woon- of badkamer). Het hof acht voor beide slachtoffers doodslag begaan met het oogmerk de cocaïne te kunnen stelen bewezen (gekwalificeerde doodslag). De verdachte is daarnaast schuldig bevonden aan de invoer en het aanwezig hebben van cocaïne. Toepassing van het minderjarigenstrafrecht voor de verdachte is afgewezen. Hij krijgt een gevangenisstraf van 18 jaar. Zijn mededader krijgt 21 jaar gevangenisstraf opgelegd.

Volgens de wet kan voor gekwalificeerde doodslag maximaal 30 jaar of een levenslange gevangenisstraf worden opgelegd. Het openbaar ministerie had in hoger beroep voor beide verdachten een gevangenisstraf van 22 jaar geëist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2013/89.6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003470-08

Parketnummer: 10-710084-06

Datum uitspraak: 25 oktober 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

Meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte 1],

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),

adres: [adres],

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond, De Schie, te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van:

- 20 december 2011 en 17 januari 2012;

- 21 en 28 februari 2012;

- 25 en 28 september 2012 en 11 oktober 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van (kort gezegd) medeplegen van de moord op het slachtoffer [slachtoffer 2], medeplegen van de gekwalificeerde doodslag op het slachtoffer [slachtoffer 1], diefstal met geweld in vereniging de dood ten gevolge hebbend en medeplegen van de opzettelijke invoer en het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne (een en ander zoals vermeld onder 1 en 2 van de ongewijzigde tenlastelegging) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist over de vorderingen van de benadeelde partijen als vermeld in het vonnis.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep op 28 september 2012 - ten laste gelegd dat:

(71 0084/06) (zaak "Duplo")

1.

hij in of omstreeks de periode van 26 mei 2006 tot en met 3 juni 2006 te Spijkenisse tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachte rade een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een vuurwapen, (een) kogel(s), althans een projectiel(en), in en/of door het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 26 mei 2006 tot en met 3 juni 2006 te Spijkenisse tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een vuurwapen, (een) kogel(s), althans een projectiel(en), in en/of door het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of

voorafgegaan van enig strafbaar feit te weten diefstal van verdovende middelen althans (een) goed(eren) van

zijn/hun gading, althans enig goed, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

[verdachte 2] in of omstreeks de periode van 26 mei 2006 tot en met 3 juni 2006 te Spijkenisse tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans alleen opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben die [verdachte 2] en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen. althans eenmaal, (telkens) met een vuurwapen (een) kogel(s) althans een projectiel(en in en/of door het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 26 mei 2006 tot en met 3 juni 2006 te Spijkenisse opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door:

-die [verdachte 2] naar de woning van die [slachtoffer 2] en/of de verblijfplaats van een zekere [slachtoffer 1] te brengen en/of

-die [slachtoffer 1] bij aankomst op te bellen en/of

-die [slachtoffer 1] te vragen de voordeur te openen, althans die [slachtoffer 1] ertoe te bewegen de voordeur te openen en/of

-na binnenkomst de voordeur te sluiten en/of

-die [verdachte 2] er niet van te weerhouden met een vuurwapen, (een) kogel(s), althans een projectiel(en), in en/of door het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] te schieten;

meest subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[verdachte 2] en in of omstreeks de periode van 26 mei 2006 tot en met 3 juni 2006 te Spijkenisse tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben die [verdachte 2] en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een vuurwapen, (een) kogel(s), althans een projectiel(en), in en/of door het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal van verdovende middelen, althans (een) goed(eren) van zijn/hun gading, althans enig goed, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 26 mei 2006 tot en met 3 juni 2006 te Spijkenisse opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door:

-die [verdachte 2] naar de woning van die [slachtoffer 2] en/of de verblijfplaats van een zekere [slachtoffer 1] te brengen en/of

-die [slachtoffer 1] bij aankomst op te bellen en/of

-die [slachtoffer 1] te vragen de voordeur te openen, althans die [slachtoffer 1] ertoe te bewegen de voordeur te openen en/of

-na binnenkomst de voordeur te sluiten en/of

-die [verdachte 2] er niet van te weerhouden met een vuurwapen, (een) kogel(s), althans een projectiel(en), in en/of door het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] te schieten;

2.

hij in of omstreeks de periode van 26 mei 2006 tot en met 3 juni 2006 te Spijkenisse tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachte rade een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een vuurwapen, (een) kogel(s), althans een projectiel(en), in en/of door het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 2] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 26 mei 2006 tot en met 3 juni 2006 te Spijkenisse tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een vuurwapen, (een) kogel(s), althans een projectiel(en), in en/of door het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 2] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal van verdovende middelen, althans (een) goed(eren) van zijn/hun gading, althans enig goed, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

[verdachte 2] in of omstreeks de periode van 26 mei 2006 tot en met 3 juni 2006 te Spijkenisse tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, een persoon

genaamd [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben die [verdachte 2] en/of (een of meer van)

zijn mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een vuurwapen, (een) kogel(s), althans een projectiel(en), in en/of door het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 2] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 26 mei 2006 tot en met 3 juni 2006 te Spijkenisse opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door:

-die [verdachte 2] naar de woning van die [slachtoffer 2] en/of de verblijfplaats van een zekere [slachtoffer 1] te brengen en/of

-die [slachtoffer 1] bij aankomst op te bellen en/of

-die [slachtoffer 1] te vragen de voordeur te openen, althans die [slachtoffer 1] ertoe te bewegen de voordeur te openen en/of

-na binnenkomst de voordeur te sluiten en/of

-die [verdachte 2] er niet van te weerhouden met met een vuurwapen, (een) kogel(s), althans een projectiel(en), in en/of door het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 2] te schieten;

meest subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[verdachte 2] in of omstreeks de periode van 26 mei 2006 tot en met 3 juni 2006 te Spijkenisse tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben die [verdachte 2] en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een vuurwapen, (een) kogel(s), althans een projectiel(en), in en/of door het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 2] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal van verdovende middelen, althans (een) goed(eren) van zijn/hun gading, althans enig goed, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 26 mei 2006 tbt en met 3 juni 2006 te Spijkenisse opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door:

-die [verdachte 2] naar de woning van die [slachtoffer 2] en/of de verblijfplaats van een zekere [slachtoffer 1] te brengen en/of

-die [slachtoffer 1] bij aankomst op te bellen en/of

-die [slachtoffer 1] te vragen de voordeur te openen, althans die [slachtoffer 1] ertoe te bewegen de voordeur te openen en/of

-na binnenkomst de voordeur te sluiten en/of

die [verdachte 2] er niet van te weerhouden met een vuurwapen (een) kogel(s) althans een projectiel(en) in en/of

door het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 2] te schieten;

3.

hij op of omstreeks de periode van 26 mei 2006 tot en met 3 juni 2006 te Spijkenisse tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft/hebben weggenomen een hoeveelheid verdovende middelen, althans (een) goed(eren) van zijn/hun gading, althans enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1], in elk geval aan (een) ander(en) dan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

en/of

met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijke te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid verdovende middelen, althans (een) goed(eren) van zijn/hun gading, althans enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] in elk geval aan (een) ander(en) dan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld (telkens) bestond(en) uit het meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een vuurwapen, (een) kogel(s), althans een projectiel(en), in en/of door het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] schieten, terwijl het feit de dood van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] tengevolge heeft gehad;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat [verdachte 2] op of omstreeks de periode van 26 mei 2006 tot en met 3 juni 2006 te Spijkenisse tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft/hebben weggenomen een hoeveelheid verdovende

middelen althans (een) goed(eren) van zijn/hun gading althans enig goed geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] in elk geval aan een ander dan die [verdachte 2] en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

dat [verdachte 2] op of omstreeks de periode van 26 mei 2006 tot en met 3 juni 2006 te Spijkenisse tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijke te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld E. J. [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid verdovende middelen althans (een) goed(eren) van zijn/hun gading, althans enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] in elk geval aan (een) ander(en) dan die [verdachte 2] en/of zijn mededader(s) welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een vuurwapen schieten op die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] terwijl het feit de dood van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] tengevolge heeft gehad;

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld (telkens) bestond(en) uit

het meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een vuurwapen, (een) kogel(s), althans een projectiel(en), in en/of door het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] schieten, terwijl het feit de dood van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] tengevolge heeft gehad;

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 26 mei 2006 tot en met 3 juni 2006 te Spijkenisse opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door:

-die [verdachte 2] naar de woning van die [slachtoffer 2] en/of de verblijfplaats van die [slachtoffer 1] te brengen en/of

-die [slachtoffer 1] bij aankomst op te bellen en/of

-die [slachtoffer 1] te vragen de voordeur te openen, althans die [slachtoffer 1] ertoe te bewegen de voordeur te openen en/of

-na binnenkomst de voordeur te sluiten en/of

-die [verdachte 2] er niet van te weerhouden met een vuurwapen, (een) kogel(s), althans een projectiel(en), in en/of door het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] te schieten;

4.

hij in of omstreeks in de periode van 01 mei 2006 tot en met 31 mei 2006 te Amsterdam en/of Spijkenisse, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 3 à 4 kilo, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft verdachte opzettelijk drugs met zich meegevoerd (in zijn bagage en/of op zijn lichaam);

en/of

hij in of omstreeks de periode van 01 mei 2006 tot en met 3 juni 2006 te Amsterdam en/of Spijkenisse en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3 à 4 kilo, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Vordering advocaten-generaal

De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren, met aftrek van voorarrest. Zij hebben daarnaast geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de [benadeelde partij 1] tot een bedrag van EUR 11.151,92 (waarvan EUR 10.000,-- immateriële schadevergoeding) en tot toewijzing van de vordering van de [benadeelde partij 2] tot een bedrag van EUR 10.000,-- (immateriële schadevergoeding), met niet-ontvankelijkverklaring van beide benadeelde partijen voor het overige.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring en een andere straf dan de rechtbank.

Overweging over het verrichte deskundigenonderzoek

De rechtbank is er op grond van het in eerste aanleg door onder meer de deskundigen Kubat en Van der Scheer van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) uitgevoerde pathologisch en bloedspoorpatroon-onderzoek vanuit gegaan dat het slachtoffer [slachtoffer 2] in de badkamer moet zijn doodgeschoten.

Het hof heeft de zaak verwezen naar de rechter-commissaris, waarna nader (forensisch medisch en bloedspoorpatroon-) onderzoek is verricht door de deskundigen Eikelenboom en Eikelenboom-Schieveld, beiden van Independant Forensic Services (hierna: IFS), die kort gezegd hebben geconcludeerd dat er meer steun is voor de hypothese dat het fatale schot ten aanzien van genoemd slachtoffer in de woonkamer heeft plaatsgevonden.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2012 zijn zowel de deskundigen Kubat en Van der Scheer, als de deskundigen Eikelenboom en Eikelenboom-Schieveld over hun rapportages gehoord. Alle deskundigen zijn in grote lijnen gebleven bij de in hun eigen rapportages vermelde conclusies en hebben deze nader onderbouwd.

Het hof is van oordeel dat op basis van de door de verscheidene deskundigen aangedragen argumenten niet met voldoende zekerheid een uitspraak kan worden gedaan over de vraag waar in de woning het slachtoffer [slachtoffer 2] het fatale schot heeft gekregen. In de kern ging het erom of de, onder het hoofd van [slachtoffer 2] aangetroffen, aanzienlijke hoeveelheid hersenmassa al dan niet als vervloeid moet worden aangemerkt en of de al dan niet vervloeide hersenen als gevolg van het schot met de kogel zijn uitgetreden dan wel als gevolg van de werking van de zwaartekracht op de hersenen, ter plaatse van het kogelgat in de schedel.

Het hof merkt op dat er - gelet op haar expertise en ervaring, alsmede de door haar feitelijk uitgevoerde obductie op [slachtoffer 2] - sterke aanwijzingen zijn voor de gegrondheid van het standpunt van de deskundige Kubat, te weten dat de hersenen niet waren vervloeid en zijn uitgetreden als gevolg van het dodelijke schot. Tegelijkertijd kan het hof - gelet op de gemotiveerde betwisting door de deskundige Eikelenboom-Schieveld - niet voldoende uitsluiten dat de (al dan niet in enige mate vervloeide) hersendelen zijn uitgetreden door de werking van de zwaartekracht. Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de deskundige Kubat, die heeft verklaard vele jaren ervaring te hebben met secties, heeft aangegeven dat het aangetroffen fenomeen niet eerder door haar is gezien en, in relatie tot de betrekkelijke omvang van het kogelgat, ook niet in de literatuur is beschreven.

Het hof laat de vraag waar in de woning het slachtoffer [slachtoffer 2] het fatale schot heeft gekregen bij zijn oordeel over de zaak onbeantwoord en sluit derhalve niet uit dat dat in de woonkamer is gebeurd, zoals door de verdachte [verdachte 1] is verklaard.

Anders dan de advocaten-generaal ziet het hof onvoldoende grond voor het geheel terzijde stellen van de rapportages en verklaringen van de deskundigen Eikelenboom en Eikelenboom-Schieveld. Het daartoe strekkende verzoek van de advocaten-generaal wordt afgewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3, eerste cumulatief/alternatief en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 26 mei 2006 tot en met 3 juni 2006 te Spijkenisse tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader opzettelijk met een vuurwapen een kogel door het hoofd van die [slachtoffer 1] geschoten tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd van enig strafbaar feit te weten diefstal van verdovende middelen en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden;

2.

hij in de periode van 26 mei 2006 tot en met 3 juni 2006 te Spijkenisse tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader opzettelijk met een vuurwapen een kogel door het hoofd van die [slachtoffer 2] geschoten, tengevolge waarvan

voomoemde [slachtoffer 2] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd of vergezeld van enig strafbaar feit te weten diefstal van verdovende middelen en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken;

3.

hij in de periode van 26 mei 2006 tot en met 3 juni 2006 te Spijkenisse tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid verdovende middelen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1], in elk geval aan (een) ander(en) dan verdachte en/of zijn mededader, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken

welk geweld (telkens) bestond uit

het (telkens) met een vuurwapen een kogel door het hoofd van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] schieten, terwijl het feit de dood van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] tengevolge heeft gehad;

4.

hij op 19 mei 2006 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst 1

en

hij in de periode van 19 mei 2006 tot en met 3 juni 2006 te Spijkenisse en elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De voor het bewijs gebruikte tapgesprekken bieden steun aan:

a) de verklaringen omtrent

* de aankomst van [verdachte 1] op Schiphol op 17 mei 2006;

* het ophalen door [verdachte 1] van de slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] van Schiphol op 19 mei 2006;

* de zoektocht naar alcohol van 96% vanaf 19 mei 2006;

* de bewerkingen die [slachtoffer 1] aan het rubber moest verrichten;

* de moeizame voortgang van dit proces;

* de problemen die ontstonden tussen [verdachte 1] en [slachtoffer 1] over zijn verdiensten;

* de plannen van [verdachte 1] om de cocaïne ter waarde van EUR 100.000,-- "op te halen";

* dat [verdachte 2] geschoten heeft en alles gepakt en gehouden heeft.

b) het feit dat het daadwerkelijk om verdovende middelen (cocaïne) ging.

Nadere bewijsoverweging feiten 1 tot en met 3

Het hof is op grond van de voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte en zijn medeverdachte [verdachte 2] de bewezen verklaarde feiten 1 tot en met 3 tezamen en in vereniging hebben begaan.

Medeplegen

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat [verdachte 1] en [verdachte 2] zich samen in het (internationale) drugscircuit bevonden en dat zij in cocaïne handelden. [verdachte 2] heeft op aangeven van [verdachte 1] ook daadwerkelijk in deze handel geïnvesteerd.

Toen [verdachte 1] naar zijn zin te lang moest wachten op betaling voor zijn werkzaamheden door [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], heeft hij besloten tot een zogenaamde "ripdeal". Hij wilde hen beroven van cocaïne met - volgens hem - een waarde van 100.000 euro. [verdachte 1] wist dat die cocaïne zich in de woning van [slachtoffer 2] bevond. Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat het de partij cocaïne, verpakt in rubber, betrof die [slachtoffer 2] op 19 mei 2006 in Nederland had ingevoerd. [verdachte 1] heeft aan [verdachte 2] verteld over zijn plan en hem benaderd voor een daarvoor benodigd vuurwapen.

[verdachte 2] is vanwege de cocaïne die volgens [verdachte 1] in de woning lag en - naar het hof waarschijnlijk acht - omdat hij de investering die hij had gedaan (eindelijk) terug wilde zelf met [verdachte 1] meegegaan naar de woning van [slachtoffer 2]. [verdachte 2] was daarbij voorzien van een vuurwapen en [verdachte 1] was daarvan op de hoogte.

In de woning heeft [verdachte 2] eerst [slachtoffer 1] en op enig moment daarna ook [slachtoffer 2] doodgeschoten. [verdachte 1] en [verdachte 2] hebben gezamenlijk in de woning naar cocaïne gezocht en deze meegenomen. [verdachte 2] heeft de cocaïne, die zich nog in rubber bevond, later verwerkt. Uit de opmerking van [verdachte 1] in het als bewijsmiddel 29 weergegeven tapgesprek dat [verdachte 2] alles heeft gepakt en alles heeft gehouden, leidt het hof af dat het daarbij gaat om de uit de woning van [slachtoffer 2] weggenomen cocaïne en dat [verdachte 1] daar boos over was.

(Voorwaardelijk) opzet

Het hof leidt uit het voorgaande af dat het ging om een ripdeal/een beroving van twee (internationale) drugshandelaren van een hoeveelheid cocaïne met een aanzienlijke waarde waarbij er ernstig rekening mee moest worden gehouden dat [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich daartegen zouden verzetten.

Naar het oordeel van het hof is in dit samenstel van feiten en omstandigheden de kans als aanmerkelijk te kwalificeren dat:

a) het wapen van [verdachte 2] geladen zou zijn, en

b) het geladen wapen door [verdachte 2] daadwerkelijk zou (moeten) worden gebruikt en dat daarbij dodelijke slachtoffers zouden kunnen vallen.

De verdachte [verdachte 1] had wetenschap van die aanmerkelijke kans en heeft deze ook welbewust aanvaard, door zijn initiatief voor de ripdeal, door [verdachte 2] te benaderen voor een vuurwapen en door deel te nemen aan de uitvoering van het plan voor de beroving.

Het hof acht op grond van het voorgaande bewezen dat [verdachte 2] opzet heeft gehad op de dood van de beide slachtoffers en [verdachte 1] voorwaardelijk opzet.

Nadere bewijsoverweging feit 4

Anders dan de raadslieden is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat het door de verdachte en zijn medeverdachten ingevoerde materiaal cocaïne betrof, nu de verdachte zelf heeft verklaard dat hij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hielp met het knippen van grote stukken rubber, waar drugs uit konden werden gehaald en dat hij met 'drugs' cocaïne bedoelt. Ook ten aanzien van de door de verdachte en zijn mededaders ingevoerde partij rubber heeft hij zelf verklaard dat daar cocaïne in zat. De medeverdachte [verdachte 2] heeft bovendien verklaard dat het bij de partij rubber die [verdachte 1] op 26 mei 2006 bij zich had en die [verdachte 2] moest versnipperen, ging om cocaïne; [verdachte 1] zei tegen [verdachte 2] dat het cocaïne was. [verdachte 2] heeft ook verklaard dat hij het rubber proefde en dat het zijn mond helemaal verdoofde, zoals het effect van coke is.

Zoals reeds is overwogen gaat het hof ervan uit dat dit de partij cocaïne, verpakt in rubber, betrof die [slachtoffer 2] op 19 mei 2006 in Nederland had ingevoerd welke partij diezelfde dag door [verdachte 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naar de woning van [slachtoffer 2] is vervoerd.

Vrijspraak moord

Het hof acht niet bewezen dat de verdachte en zijn medeverdachte de beide slachtoffers met voorbedachten rade van het leven hebben beroofd.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen/genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Het hof is op grond van de voormelde bewijsmiddelen van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat sprake is geweest van een dergelijke situatie. Het overweegt daartoe dat:

- niet in voldoende mate valt uit te sluiten dat de medeverdachte [verdachte 2] ten aanzien van beide slachtoffers heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Het dossier bevat weliswaar voldoende bewijs omtrent de voorgenomen beroving, maar geen gegevens over een door de verdachte en/of zijn medeverdachte van tevoren genomen besluit de slachtoffers daarbij tevens van het leven te beroven. Het enkele feit dat de medeverdachte [verdachte 2] een wapen heeft meegenomen en gebruikt en dat [verdachte 1] daarvan op de hoogte was en welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het vuurwapen door de medeverdachte [verdachte 2] zou worden gebruikt, duidt - evenmin als het enkele schieten - niet zonder meer op voorbedachte raad;

- het hof, zoals reeds is overwogen, niet in voldoende mate kan uitsluiten dat de medeverdachte [verdachte 2] het slachtoffer [slachtoffer 2] reeds in de woonkamer heeft gedood, vlak nadat hij [slachtoffer 1] had doodgeschoten. In dat geval moet de tijdspanne tussen de verschillende schoten, mede gelet op de (als bewijsmiddel 16 weergegeven) verklaring op dit punt van [verdachte 1], dermate kort zijn geweest, dat ook ten aanzien van het slachtoffer [slachtoffer 2] geen voorbedachte raad kan worden bewezen.

Nu het hof de verdachte [verdachte 1] als medepleger van de feiten 1 tot en met 3 aanmerkt, geldt het voorgaande ook voor hem.

Gelet op het vorenstaande zal de verdachte worden vrijgesproken van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde.

Vrijspraak van het onder 3, tweede en derde cumulatief/alternatief ten laste gelegde

Het hof acht voorts niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3, tweede en derde cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij ook daarvan zal worden vrijgesproken.

Verzoeken

Voorwaardelijke verzoeken tot nader technisch onderzoek

De - op bladzijden 25 tot en met 28 van de pleitnota van de raadslieden vermelde - verzoeken tot het doen verrichten van nader onderzoek worden afgewezen.

De verzoeken houden ofwel verband met de wens van de verdediging dat door dit nadere onderzoek wordt aangetoond dat de verdachte de waarheid spreekt over de betrokkenheid van de medeverdachte [verdachte 2] bij de feiten, ofwel met de wens dat wordt aangetoond dat het slachtoffer [slachtoffer 2] in de woonkamer is doodgeschoten.

Nu het hof de verklaring van de verdachte met betrekking tot de rol van medeverdachte [verdachte 2] als bewijsmiddel heeft aanvaard en het hof voorts niet heeft uitgesloten dat het slachtoffer [slachtoffer 2] daadwerkelijk in de woonkamer is doodgeschoten, zoals de verdachte heeft verklaard, is het gevraagde nadere onderzoek niet noodzakelijk.

Verzoek tot een persoonlijkheidsonderzoek [verdachte 2]

De raadslieden hebben verzocht - in geval het hof voornemens is de verdachte te veroordelen - gedragskundig onderzoek te laten verrichten naar de geestelijke gesteldheid van [verdachte 2] ten tijde van het delict, nu hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij momenteel bij een psychiater in behandeling is en dat hij is afgekeurd omdat hij niet stabiel genoeg is om te werken.

Het hof acht een dergelijk onderzoek niet noodzakelijk, nu het hof - mede gelet op de onderbouwing - niet inziet waarom het onderzoek van belang zou zijn voor enige in de zaak van de verdachte [verdachte 1] te nemen beslissing.

Verzoek tot toepassing minderjarigenstrafrecht dan wel nader onderzoek naar verdachtes ontwikkelingsleeftijd

De raadslieden hebben het hof primair verzocht, in geval van strafoplegging, toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht en zij hebben daarbij verwezen naar prof. Derksen (het hof begrijpt: het briefrapport van prof. dr. J.J.L. Derksen van 25 januari 2010, betreffende een psychologisch onderzoek betreffende de verdachte, dat als productie 3 bij de pleitaantekeningen is gevoegd). Subsidiair hebben de raadslieden verzocht een nader onderzoek te doen uitvoeren naar de ontwikkelingsleeftijd van de verdachte.

Het hof stelt voorop dat het bepaalde in artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht de rechter de mogelijkheid - niet de verplichting - geeft, in afwijking van de algemene regel dat op de personen van achttien jaar tot eenentwintig jaar het volwassenenstrafrecht van toepassing is, het minderjarigenstrafrecht toe te passen wanneer hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

Het primair gedane verzoek wordt afgewezen, nu gelet op het verhandelde ter terechtzitting het hof in de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, waaronder de initiërende rol die de verdachte daarbij heeft gehad - een en ander zoals hieronder in de strafmotivering nader wordt overwogen - geen aanknopingspunt vindt voor toepassing van het minderjarigenstrafrecht. Het briefrapport van prof. Derksen dat in de kern inhoudt dat de verdachte een kwetsbare persoonlijkheidsopbouw heeft en een (veel jongere) psychologische leeftijd dan zijn kalender leeftijd, maakt 's hofs oordeel niet anders.

Het vorengaande brengt tevens met zich mee dat het hof nadere voorlichting over de persoonlijkheid van de verdachte niet noodzakelijk acht.

Het subsidiaire verzoek wordt derhalve eveneens afgewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van doodslag, gevolgd of vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, voorafgegaan en/of vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee verenigde personen en terwijl het feit de dood tengevolge heeft.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

De voortgezette handeling van:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder A van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Hij is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

De verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan doodslag op twee slachtoffers en bij hen vervolgens cocaïne weggenomen, door de slachtoffers - in het huis van een van hen - op te zoeken en vervolgens door het hoofd te schieten. De verdachte, die destijds bijna 19 jaar oud was, heeft zich met een ander schuldig gemaakt aan de levensberoving van twee personen, binnen het internationale drugscircuit. De verdachte heeft het initiatief genomen om de slachtoffers te beroven van de cocaïne met gebruikmaking van een vuurwapen. Daartoe heeft de verdachte zijn mededader benaderd, die hij al langer kende en met wie hij drugshandel dreef. Ook ten aanzien van de drughandel had de verdachte de medeverdachte benaderd om in die handel te investeren. Na het doden van de slachtoffers hebben verdachte en zijn mededader de ontzielde lichamen deels ontkleed in de badkamer achtergelaten. Zij hebben de cocaïnebuit meegenomen. De verdachte is vrijwel direct naar Mexico vertrokken.

De verdachte en zijn mededader hebben aan de beide slachtoffers hun kostbaarste bezit, het leven, ontnomen. Feiten als deze dragen een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter. Daarnaast is aan de nabestaanden een verschrikkelijk en onherstelbaar leed aangedaan. Voorts brengen feiten als de onderhavige gevoelens van onrust, angst en onveiligheid in de samenleving teweeg.

Het hof heeft geconstateerd dat de verdachte nauwelijks authentiek of invoelbaar zijn spijt heeft betuigd. Ook heeft hij weinig inzicht getoond in het verwerpelijke van zijn handelen noch werkelijk begrip voor het leed dat hij anderen heeft aangedaan.

Daarnaast heeft de verdachte zich met anderen schuldig gemaakt aan het opzettelijk invoeren en aanwezig hebben van harddrugs. Het in het maatschappelijke verkeer brengen van harddrugs brengt doorgaans grote schade toe aan onder meer de volksgezondheid. De verdachte heeft ook hiervoor geen enkel oog gehad en was slechts uit op eigen financieel gewin.

Het hof is - mede vanuit een oogpunt van vergelding - van oordeel dat als reactie op dergelijke feiten een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden is. Daarbij merkt het hof op dat de wetgever op gekwalificeerde doodslag hetzelfde strafmaximum heeft gesteld als op moord. Voor beide delicten zijn - met inwerkingtreding op 1 februari 2006 - de strafmaxima verhoogd.

Bij het bepalen van de duur van de straf heeft het hof acht geslagen op rechterlijke uitspraken met betrekking tot feiten (moord of gekwalificeerde doodslag en invoer/bezit harddrugs) die met het onderhavige geval vergelijkbaar zijn.

Als bijzondere omstandigheid die in dit geval strafverhogend werkt heeft het hof in aanmerking genomen dat - als reeds overwogen - de verdachte het initiatief tot de ripdeal heeft genomen en zijn mededader heeft benaderd voor een vuurwapen.

In strafverlichtende zin weegt het hof mee dat de verdachte sinds zijn eerste verhoor openheid van zaken heeft gegeven en uitgebreid heeft verklaard. Ook heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte ten tijde van de feiten nog jong was en dat hij blijkens het uittreksel uit het Justitiële documentatieregister niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een gevangenisstraf van 19 jaren een passende en geboden reactie vormt.

Het hof constateert echter - met de advocaten-generaal en de raadslieden - dat de behandeling in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het openbaar ministerie heeft op 30 juni 2008 hoger beroep tegen het bestreden vonnis ingesteld en de verdachte op 7 juli 2008. De zaak is door het hof op 12 maart 2009 verwezen naar de rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam voor het laten uitvoeren van de door de raadsvrouw verzochte contra-expertise. Op 9 augustus 2010 zijn in dat verband door de rechter-commissaris twee deskundigen benoemd. Het deskundigenrapport van R. Eikelenboom is gedateerd 3 januari 2012 en dat van S.J.M. Eikelenboom-Schieveld 18 januari 2012. Het arrest van het hof is 25 oktober 2012 uitgesproken.

Het hof stelt vast dat sprake is van een ernstige overschrijding van de redelijke termijn.

Hoewel het verzoek tot contra-expertise aan de zijde van de verdediging is gedaan, kan naar het oordeel van het hof de aanzienlijke termijn, van bijna anderhalf jaar, die is verstreken tussen de verwijzing naar de rechter-commissaris en de benoeming van de deskundigen door de rechter-commissaris, niet ten laste van de verdachte komen. De vertraging die is gelegen in het doen uitvoeren van de contra-expertise - het heeft bijna anderhalf jaar geduurd voor die rapportage gereed was - komt in beginsel wel ten laste van de verdachte, doch in dit geval niet voor meer dan één jaar.

Voor het overige is die tijd verstreken deels door communicatieperikelen tussen de rechter-commissaris en de ten behoeve van de contra-expertise benoemde deskundigen en deels door herhaalde verzoeken van deze deskundigen om (nieuwe/andere) stukken.

Het hof zal de overschrijding van de bedoelde termijn verdisconteren in de strafmaat. Gezien de complexiteit van de zaak en met name gezien de ernst van de feiten, meent het hof dat een beperking van de duur van de overwogen gevangenisstraf met één jaar passend is.

Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2], weduwe van het slachtoffer [slachtoffer 1], zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van - in ieder geval -geleden materiële schade als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde, ter zake van onkosten vervoer stoffelijk overschot, representatiekosten en juridisch advies en loonderving. Tevens is morele schade begroot. Daarnaast heeft de benadeelde partij aangegeven de vordering gedeeltelijk te verminderen.

In hoger beroep is deze vordering in vooromschreven zin aan de orde.

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,--, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar oordeel van het hof is - in ieder geval - toereikend vast te stellen dat tot het gevorderde bedrag van € 3.050,48 materiële schade is geleden, te weten de kosten voor het overbrengen van het stoffelijk overschot van het slachtoffer. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag - hoofdelijk - worden toegewezen. Voor het overige levert de behandeling van de vordering tot vergoeding van materiële schade een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De vordering kan in zoverre uitsluitend bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Voor zover de benadeelde partij heeft beoogd immateriële schade te vorderen overweegt het hof dat voor een vergoeding van immateriële schade aan nabestaanden de wet in beginsel geen ruimte biedt. Dit is alleen anders indien kan worden vastgesteld dat sprake is van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een algemeen erkend en vastgesteld ziektebeeld. Daarvoor ziet het hof voorshands geen aanknopingspunten. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de immaterieel geleden schade. De vordering kan in zoverre uitsluitend bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Een en ander brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 3.050,48 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [benadeelde partij 2].

Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1], zoon van het slachtoffer [slachtoffer 2], zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 28.675,96 (waarvan € 10.000,-- immateriële schade).

In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot genoemd totaalbedrag.

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot vergoeding van de materiële schade tot een bedrag van € 575,96 en de immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,--, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 575,96, materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag - hoofdelijk - worden toegewezen. Voor het overige levert de behandeling van de vordering tot vergoeding van materiële schade - die voor een deel ziet op de goederen die zich in de woning van het slachtoffer [slachtoffer 2] bevonden - een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De vordering kan in zoverre uitsluitend bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Voor een vergoeding van de immateriële schade aan nabestaanden biedt de wet, zoals reeds is overwogen, in beginsel geen ruimte. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de immateriële geleden schade. De vordering kan in zoverre uitsluitend bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Een en ander brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 575,96 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [benadeelde partij 1].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 56, 57 288 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2 en 10 van de Opiumwet, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3, tweede en derde cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 eerste cumulatief/alternatief en 4 ten laste gelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezen verklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, waaronder de tijd die de verdachte in Mexico in uitleveringsdetentie heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van

EUR 3.050,48 (drieduizendenvijftig euro en achtenveertig eurocent) aan materiële schade

en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 2], een bedrag te betalen van

EUR 3.050,48 (drieduizendenvijftig euro en achtenveertig eurocent) aan materiële schade

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 2] niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van

EUR 575,96 (vijfhonderdvijfenzeventig euro en zesennegentig eurocent) aan materiële schade

en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in zijn vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van

575,96 (vijfhonderdvijfenzeventig euro en zesennegentig cent) aan materiële schade,

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 (elf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 1] niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten, mr. A.J.M. Kaptein en mr. R.C. Langeler, in bijzijn van de griffier mr. W.R. van Hattum.Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 oktober 2012.