Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY0819

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-10-2012
Datum publicatie
23-10-2012
Zaaknummer
200.090.170-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BP5387, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Internationaal privaatrecht, bevoegdheid. Geschil tussen Turkse luchtvaartmaatschappij en de republiek Kameroen. Vraag of Nederlandse rechter bevoegd is op grond van art. 8 Rv (forumkeuze) of artikel 9 Rv (forum necessitatis).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2013/103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

zaaknummer : 200.090.170/01

zaak-/rolnummer rechtbank : 359851 / HA ZA 10-660

Arrest van 2 oktober 2012

inzake:

de rechtspersoon naar Turks recht

TURISTIK HAVA TASIMACILIK A.S.,

h.o.d.n. Corendon Airlines,

gevestigd te Antalya, Turkije,

appellante,

hierna te noemen: Corendon,

advocaat: mr. J.G. Mahn te Amsterdam,

tegen

DE REPUBLIEK KAMEROEN,

zetelend te Yaoundé, Kameroen,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de republiek Kameroen,

advocaat: mr. P.V.F. Bos te ’s-Gravenhage.

Het verloop van het geding

1. Bij exploot van 25 maart 2011 is Corendon in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector civiel recht, van 16 februari 2011 (LJN BP5387). Bij memorie van grieven (met producties) heeft Corendon vijf grieven tegen genoemd vonnis aangevoerd, die de republiek Kameroen bij memorie van antwoord heeft bestreden. Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

2. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of niet voldoende betwist moet het volgende als vaststaand worden beschouwd:

(i) Tussen Corendon als lessor en Cameroon Airlines (gevestigd te Kameroen) als lessee is op 14 september 2007 een overeenkomst tot stand gekomen betreffende de lease van een vliegtuig in de periode 1 oktober 2007 tot 28 maart 2008 (hierna: de lease-overeenkomst). De huurprijs bedroeg in totaal USD 3.750.000,-. Deze overeenkomst bevat een forumkeuze voor de Nederlandse rechter en een rechtskeuze voor Nederlands recht.

(ii) Cameroon Airlines is in 2008 failliet verklaard dan wel een vereffeningstraject ingegaan.

(iii) Bij brief van 16 juni 2008 heeft Corendon zich gewend tot de republiek Kameroen met het verzoek om de nog openstaande schuld van Cameroon Airlines uit hoofde van de lease-overeenkomst te voldoen.

(iv) Tussen (de advocaten van) Corendon en (opvolgende ambassadeurs van) de republiek Kameroen hebben in Nederland twee gesprekken over deze kwestie plaatsgevonden.

3. Stellende dat de republiek Kameroen aansprakelijk is voor de nog openstaande schuld van Cameroon Airlines uit hoofde van de lease-overeenkomst, heeft Corendon in eerste aanleg gevorderd de republiek Kameroen te veroordelen tot betaling aan Corendon van USD 379.166,23 met rente en kosten. De republiek Kameroen heeft voor alle weren, bij incident, gevorderd dat de Nederlandse rechter zich onbevoegd verklaart. De rechtbank heeft het beroep op onbevoegdheid gehonoreerd en zich in het bestreden vonnis onbevoegd verklaard. Hiertegen richt zich het hoger beroep.

4. Het hof stelt volledigheidshalve voorop dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in deze zaak moet worden beoordeeld aan de hand van de regels van het commune internationaal privaatrecht.

Forumkeuze (artikel 8 Rv)

5. Grieven I en III betreffen de vraag of de republiek Kameroen is gebonden aan de forumkeuze in de lease-overeenkomst tussen Corendon en Cameroon Airlines, zodat de Nederlandse rechter op grond van artikel 8 Rv bevoegd is kennis te nemen van de vordering van Corendon. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

6. Volgens Corendon is de republiek Kameroen gebonden aan de forumkeuze in de lease-overeenkomst tussen haar en Cameroon Airlines. Corendon heeft in dit verband in eerste aanleg gesteld (i) dat de lease-overeenkomst materieel door de republiek Kameroen is aangegaan, (ii) dat sprake is van contractsovername door republiek Kameroen, en (iii) dat de republiek Kameroen de schulden van Cameroon Airlines heeft overgenomen en betalingstoezeggingen heeft gedaan.

7. Stelling (i) is door de rechtbank als onvoldoende onderbouwd gepasseerd (rechtsoverweging 3.4 van het bestreden vonnis). Hiertegen is geen grief gericht.

8. Ten aanzien van stelling (ii) overwoog de rechtbank dat de hiervoor vereiste akte ontbreekt (artikel 6:159 BW), en dat in de door Corendon overgelegde brieven noch de lease-overeenkomst noch de forumkeuze worden genoemd.

9. In hoger beroep klaagt Corendon dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van contractsovername. Het ontbreken van een akte betekent niet per definitie dat geen sprake van contractsovername kan zijn, aldus Corendon. Volgens Corendon hebben de ambassadeurs van de republiek Kameroen tijdens gesprekken erkend dat de republiek Kameroen aansprakelijk is voor de schuld aan Corendon en hebben zij de mondelinge toezegging gedaan om de verplichting van Cameroon Airlines na te komen, hetgeen dient te worden beschouwd als acceptatie van de lease-overeenkomst en als eerste blijk van meewerking/uitvoering door onder meer een deelbetaling aan te kondigen. Deze toezegging is door (de advocaten van) Corendon schriftelijk bevestigd en nimmer door de republiek Kameroen betwist, aldus Corendon.

10. Het hof overweegt als volgt. In hoger beroep is het oordeel dat in dit verband Nederlands recht van toepassing is, niet bestreden. Het hof gaat hier dus uit van toepasselijkheid van Nederlands recht. Artikel 6:159 BW vereist voor contractsovername een overeenkomst en een akte tussen de overdragende en de overnemende partij. Het bestaan van een dergelijke overeenkomst en een dergelijke akte is in casu gesteld noch gebleken. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat contractsovername niet kan worden aangenomen. In zoverre falen de grieven dus.

11. Ten aanzien van stelling (iii) – die ten betoge strekt dat de republiek Kameroen de schulden van Cameroon Airlines heeft overgenomen en betalingstoezeggingen heeft gedaan – oordeelde de rechtbank dat dit niet zonder meer meebrengt dat de republiek Kameroen gebonden is geraakt aan de forumkeuze. In hoger beroep bestrijdt Corendon dit oordeel.

12. Corendon heeft niet gesteld dat sprake is van een (overeenkomst tussen Cameroon Airlines en de republiek Kameroen tot) schuldoverneming waarbij de republiek Kameroen de schuld van Cameroon Airlines heeft overgenomen (zoals naar Nederlands recht bekend in artikel 6:155 e.v. BW) uit hoofde waarvan zij de republiek Kameroen heeft aangesproken. Het hof begrijpt de stellingen van Corendon aldus dat sprake is van een betalingstoezegging door (de ambassadeurs van) de republiek Kameroen aan Corendon ter zake van de schuld van Cameroon Airlines. Naar het oordeel van het hof brengt een dergelijke toezegging niet (zonder meer) mee dat de republiek Kameroen gebonden is aan de forumkeuze die is overeengekomen door Corendon en Cameroon Airlines. Dat wordt niet anders indien de stelling van Corendon dat de overeenkomst tijdens de gesprekken op de ambassade uitvoerig is besproken, juist zou zijn. Het bewijsaanbod van Corendon in par. 63 van de memorie van grieven is dus niet relevant, en wordt gepasseerd.

13. Voor zover Corendon in dit verband bedoelt te stellen dat de betalingstoezegging een aparte overeenkomst tussen Corendon en de republiek Kameroen is, overweegt het hof dat niet is gesteld of gebleken dat in die overeenkomst een forumkeuze voor de Nederlandse rechter is overeengekomen. Voorts overweegt het hof – ambtshalve – dat in dit verband ook geen bevoegdheid kan worden ontleent aan artikel 6 onder a Rv (vgl. HvJ EG 4 maart 1982 (38/81), Jur. 1982, 825, NJ 1983, 508; Effer/Kantner). Corendon heeft immers niet gesteld dat de verbintenis die aan haar eis ten grondslag ligt (betaling) in Nederland moet worden uitgevoerd.

14. Een en ander leidt tot de conclusie dat de Nederlandse rechter geen bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 8 Rv. Tot dat oordeel kwam ook de rechtbank. De daartegen gerichte grieven falen.

Forum necessitatis (artikel 9 Rv)

15. Grieven II, III en IV hebben betrekking op de vraag of de Nederlandse rechter bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 9 onder b en/of c Rv. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

16. Op grond van artikel 9 onder b Rv is de Nederlandse rechter, indien hij geen bevoegdheid kan ontlenen aan artikelen 2 tot en met 8 Rv, niettemin bevoegd indien een gerechtelijke procedure buiten Nederland onmogelijk blijkt. Te denken valt daarbij aan juridische onmogelijkheid (bijvoorbeeld geen bevoegde rechter) of feitelijke onmogelijkheid (bijvoorbeeld oorlog, natuurrampen, geen rechterlijke macht aanwezig).

17. De rechtbank overwoog dat het beroep van Corendon op deze bevoegdheidsgrond reeds strandt omdat zij niet heeft weersproken dat in deze zaak kan worden geprocedeerd voor de Kameroense rechter.

18. Corendon heeft deze overweging in hoger beroep bestreden. Volgens haar is het feitelijk onmogelijk om een juridische procedure in Kameroen te voeren voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Naar het oordeel van het hof levert dat evenwel geen onmogelijkheid als bedoeld in artikel 9 onder b Rv op. Dit wordt niet anders wanneer het een zaak tegen de staat (de republiek Kameroen) betreft of wanneer – zoals Corendon stelt – de Kameroense rechter niet in staat is (Nederlands of Kameroenees) recht naar behoren toe te passen. Voor het overige geldt dat geen feiten zijn gesteld of gebleken die een onmogelijkheid als bedoeld in artikel 9 onder b Rv zouden kunnen opleveren. Voorts merkt het hof op dat Corendon (ook in hoger beroep) niet heeft bestreden dat in deze zaak wel kan worden geprocedeerd voor de Kameroense rechter. Corendons stelling dat de rechter in Kameroen niet onafhankelijk en onpartijdig is, kan wel een rol spelen in het kader van artikel 9 onder c Rv. Dit komt hierna aan de orde.

19. Op grond van artikel 9 onder c Rv is de Nederlandse rechter, indien hij geen bevoegdheid kan ontlenen aan artikelen 2 tot en met 8 Rv, niettemin bevoegd indien een zaak die bij dagvaarding moet worden ingeleid (i) voldoende met de rechtssfeer van Nederland is verbonden en (ii) het onaanvaardbaar is van de eiser te vergen dat hij de zaak aan het oordeel van een rechter van een vreemde staat onderwerpt.

20. Ten aanzien van het eerste vereiste oordeelde de rechtbank dat de onderhavige zaak onvoldoende met de Nederlandse rechtssfeer is verbonden nu (a) de republiek Kameroen geen partij is geworden bij de lease-overeenkomst, zodat de in die overeenkomst opgenomen rechtskeuze voor Nederlands recht de onderhavige zaak niet verbindt met de Nederlandse rechtssfeer, (b) als onweersproken vaststaat dat de lease-overeenkomst tot stand is gekomen en is uitgevoerd buiten Nederland en (c) als onweersproken vaststaat dat het Nederlandse kantoor van Corendon hierbij op geen enkele wijze betrokken is geweest.

21. Corendon heeft de overwegingen (b) en (c) in hoger beroep niet bestreden, overweging (a) wel. Volgens Corendon is de onderhavige zaak voldoende met de Nederlandse rechtssfeer verbonden omdat de republiek Kameroen partij is geworden bij de lease-overeenkomst en deze overeenkomst een forumkeuze voor de Nederlandse rechter bevat alsmede een rechtskeuze voor Nederlands recht. Dat was ten tijde van de totstandkoming van de lease-overeenkomst (tussen Corendon en Cameroon Airlines, in 2007) een bewuste keuze omdat Corendon geen vertrouwen had in het Kameroense recht en omdat Corendon voornemens was zich ook in Nederland te vestigen, hetgeen zij in april 2010 heeft gedaan. Daarnaast zijn de afspraken tussen de (advocaten van) Corendon en de republiek Kameroen in Nederland overeengekomen, aldus Corendon.

22. Naar het oordeel van het hof is de onderhavige zaak onvoldoende met de Nederlandse rechtssfeer is verbonden. Het hof verenigt zich met de desbetreffende, hiervoor in rechtsoverweging 20 weergegeven overwegingen van de rechtbank. Nu niet kan worden aangenomen dat de republiek Kameroen partij is geworden bij de lease-overeenkomst, kunnen de in die overeenkomst opgenomen forum- en rechtskeuze de onderhavige zaak niet verbinden met de Nederlandse rechtssfeer. Dat Corendon sinds april 2010 een vestiging in Nederland heeft, verbindt de zaak evenmin met de Nederlandse rechtssfeer, nu de inleidende dagvaarding is betekend op 11 november 2009 (vgl. HR 19 maart 2004, NJ 2004, 295) en Corendon bovendien niet heeft betwist dat deze vestiging op geen enkele wijze betrokken is geweest. Het enkele voornemen in 2007 om zich te vestigen in Nederland, is onvoldoende om deze zaak te verbinden met de Nederlandse rechtssfeer. De enkele omstandigheid dat tussen Corendon en de republiek Kameroen in Nederland twee gesprekken zijn gevoerd en daarbij afspraken zouden zijn gemaakt (hetgeen de republiek Kameroen betwist) brengt naar het oordeel van het hof niet mee dat de onderhavige zaak voldoende met de Nederlandse rechtssfeer is verbonden.

23. Nu niet is voldaan aan het eerste vereiste van artikel 9 onder c Rv, kan in het midden blijven of is voldaan aan het tweede vereiste.

24. Een en ander leidt tot de conclusie dat de Nederlandse rechter geen bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 9 Rv. Tot dat oordeel kwam ook de rechtbank. De daartegen gerichte grieven falen.

Slotsom

25. De Nederlandse rechter kan geen bevoegdheid ontlenen aan artikel 8 of 9 Rv, noch – zo overweegt het hof ambtshalve – aan enige andere commune bevoegdheidsgrond. De slotsom is dat de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard. De grieven I tot en met IV falen, en daarmee is ook het lot van grief V betreffende de proceskostenveroordeling bezegeld. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen en Corendon veroordelen in de proceskosten in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 februari 2011;

- veroordeelt Corendon in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de republiek Kameroen tot op heden begroot op € 4.713,- aan griffierechten en € 3.263,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, M.Y. Bonneur en S.J. Schaafsma, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 oktober 2012 in aanwezigheid van de griffier.