Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY0581

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
09-11-2012
Zaaknummer
200.109.335-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling; vraag of formele gebreken rond het indienen van het (juiste) plan van aanpak dienen te leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking waarbij de ondertoezichtstelling is uitgesproken; verwijzing naar artikel 3 lid 1 IVRK.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 5 september 2012

Zaaknummer : 200.109.335/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 12-784

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. R.E. Gout de Kreek te Spijkenisse,

tegen

de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Diemen,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de WSS.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 3 juli 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 15 mei 2012 van de kinderrechter in de rechtbank te Rotterdam.

De WSS heeft op 1 augustus 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 8 augustus 2012 een brief van 7 augustus 2012 met bijlagen.

De raad heeft bij brief van 18 juli 2012 aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

De zaak is op 15 augustus 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader;

- mevrouw F. de Rouw en mevrouw S.H.M. van de Capelle namens Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de ondertoezichtstelling van de minderjarige [X], geboren [in] 2007 te [woonplaats] (hierna verder: de minderjarige), verlengd tot 20 augustus 2012. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

Onder meer staat het volgende vast:

De moeder is alleen met het gezag over de minderjarige belast. De minderjarige is sinds 20 mei 2011 onder toezicht gesteld. De minderjarige verblijft bij zijn ouders.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de periode van 20 mei 2012 tot 20 augustus 2012.

2. De moeder verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog de WSS niet-ontvankelijk te verklaren in haar verlengingsverzoek, althans het verlengingsverzoek van de WSS af te wijzen, dan wel een zodanige uitspraak te doen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, kosten rechtens.

3. De WSS verweert zich daartegen en verzoekt het hof het door de moeder ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank de ondertoezichtstelling ten onrechte heeft verlengd. De moeder stelt dat de rechtbank de WSS niet-ontvankelijk had moeten verklaren in haar verzoek, althans het verzoek had moeten afwijzen. De moeder voert daartoe aan dat ten tijde van de mondelinge behandeling van het verlengingsverzoek geen plan van aanpak aanwezig was; dat over het plan van aanpak geen overleg is gepleegd met de ouders; en dat de moeder geen handtekening onder het plan van aanpak heeft gezet.

5. De WSS verweert zich daartegen als volgt. Destijds was per ongeluk het oude plan van aanpak ingediend. Het nieuwe plan van aanpak heeft de WSS echter op verzoek van de rechtbank de dag na de zitting alsnog aangeleverd. Het klopt dat het plan als geheel niet met de ouders was besproken, maar in delen is het plan in de loop van de tijd wel degelijk steeds met de ouders besproken. Voorts geldt dat het plan in de laatste fase niet meer besproken is met de ouders doordat het maken van een afspraak met de ouders niet lukte. Er is veel weerstand bij de ouders. De samenwerking met de ouders verloopt zeer moeizaam, omdat de ouders afhoudend zijn ten opzichte van de hulpverlening.

6. Het hof overweegt als volgt. Vooreerst stelt het hof vast dat het in deze zaak gaat om een formeel bezwaar tegen de bestreden beschikking. De ondertoezichtstelling op zichzelf staat thans niet ter discussie.

Ingevolge artikel 1:265 lid 2 BW juncto artikel 13 lid 3 Wet op de Jeugdzorg dient de WSS (namens Jeugdzorg) bij het indienen van een verzoekschrift tot (verlenging van een) ondertoezichtstelling, dan wel onverwijld na de oproep, een plan van aanpak te zenden aan de kinderrechter welk plan van aanpak pas vastgesteld wordt na overleg met de (wettelijke vertegenwoordiger van de) cliënt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat weliswaar niet het juiste plan (het oude plan), maar wel een plan van aanpak met het verzoekschrift is meegezonden en dat vervolgens, een dag na de mondelinge behandeling, het juiste plan is ingediend. In ieder geval is daardoor een plan van aanpak ingediend voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan. Voorts is het hof gebleken dat het plan als geheel niet met de ouders is besproken, maar dat het plan wel, zoals onweersproken gesteld, in delen na overleg met de ouders is vastgesteld. Het ondertekenen van het plan van aanpak door een wettelijke vertegenwoordiger is geen vereiste op grond van de wet, zodat het hof hier verder niet op in zal gaan. Onder bovengenoemde omstandigheden is het hof van oordeel dat weliswaar het handelen van de WSS niet de schoonheidsprijs verdient, maar dat onvoldoende aanleiding bestaat om het verzoek om voormelde redenen niet-ontvankelijk te verklaren. Dit geldt temeer nu de ouders zelf ook een aandeel hebben in het ontbreken van een eindoverleg met betrekking tot het plan, zoals door de WSS onweersproken is gesteld. Het kan niet zo zijn dat ouders door geen medewerking te verlenen aan het vaststellen van het plan van aanpak op die wijze een niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek kunnen bewerkstelligen.

Daarbij overweegt het hof nog als volgt. Hoewel van procespartijen verwacht mag worden dat zij zich houden aan de regels en voorschriften zoals die in de wet en het procesreglement zijn vastgelegd, vormen in zaken waar het minderjarigen betreft ingevolge artikel 3 lid 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), de belangen van de minderjarigen de eerste overweging bij alle maatregelen betreffende het kind. Gelet op het feit dat de kinderrechter een ondertoezichtstelling van de minderjarige noodzakelijk heeft geacht, is het niet in het belang van de minderjarige om de WSS vanwege een inmiddels hersteld formeel verzuim niet-ontvankelijk te verklaren in haar verlengingsverzoek.

7. Uit het voorgaande volgt dat het beroep van de moeder wordt verworpen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Haan-Boerdijk, Husson en Van Wijk, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 september 2012.