Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY0576

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
09-11-2012
Zaaknummer
200.087.746-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verklaring voor recht dat de vader, gelet op een met de moeder gesloten overeenkomst, niet langer gehouden was de moeder € 200,- per maand en per kind te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2013/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 25 juli 2012

Zaaknummer : 200.087.746/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 10-6144

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A.B. Sluijs te Leiden,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. R.Ch. Rombach te Voorschoten.

VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 14 december 2011 waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd.

Bij die beschikking heeft het hof geoordeeld dat tussen partijen vast staat dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: de kinderalimentatie) zoals vastgelegd in artikel 3.4 van het tussen partijen gesloten convenant, bedoeld is en door beide partijen beschouwd wordt als een bijdrage aan de moeder in de kosten van de voormalige echtelijke woning van partijen. Dit is gedaan om fiscale redenen. Voorts heeft het hof geoordeeld dat voorshands is vast komen te staan dat partijen op/rond 1 januari 2007 hebben afgesproken dat de vader niet gehouden is om nog langer een bijdrage in de woonlasten van de moeder te voldoen, zoals in het door partijen gesloten convenant in artikel 3.4 omschreven.

Het hof heeft de moeder in de gelegenheid gesteld tegen dit feitelijk vermoeden tegenbewijs te leveren en bepaald dat de moeder zich uiterlijk 4 januari 2012 dient uit te laten over de wijze waarop zij meent dit tegenbewijs te kunnen leveren. De verdere behandeling is pro forma aangehouden tot 28 januari 2012.

Bij faxbericht van 21 december 2011 heeft de moeder verzocht om uitstel te verlenen tot 25 januari 2012 teneinde zich te kunnen uitlaten over de wijze waarop zij tegenbewijs wil leveren.

Het hof heeft beide partijen op 23 december 2011 telefonisch laten weten dat het verzochte uitstel wordt verleend.

Bij faxbericht van 25 januari 2012 heeft de moeder het hof laten weten dat zij aanbiedt tegenbewijs te leveren middels schriftelijk bewijs (in het bijzonder e-mailcorrespondentie), alsmede middels feiten en/of omstandigheden teneinde voldoende aannemelijk te maken dat partijen op/rond 1 januari 2007 niet zijn overeengekomen dat de vader niet gehouden is nog langer kinderalimentatie te voldoen aan de moeder. De moeder heeft het hof verzocht om een – redelijke – termijn te geven om op de hiervoor vermelde wijze bewijs te leveren.

Bij brief van 8 februari 2012 heeft het hof partijen laten weten dat de moeder zich uiterlijk 29 februari 2012 dient uit te laten over de wijze waarop zij meent het tegenbewijs te kunnen leveren.

Bij brief van 15 februari 2012 heeft het hof partijen laten weten dat voornoemde termijn is verlengd tot 14 maart 2012.

Bij brief van 21 februari 2012, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, heeft de vader verzocht om geen verdere uitstellen toe te staan zonder uitdrukkelijk consent van zijn kant.

Op 13 maart 2012 is van de zijde van de moeder een brief met bijlagen ingekomen.

Bij faxbericht van 22 mei 2012 van de zijde van het hof is de advocaat van de vader in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 12 juni 2012 op voornoemde brief te reageren.

Van de zijde van de vader is op 11 juni 2012 een reactie met bijlage bij het hof ingekomen.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Aan het hof ligt voor het inleidende verzoek van de vader, gewijzigd bij akte houdende uitlating met producties en wijziging van eis van 25 mei 2011. Daarin verzoekt de vader een verklaring voor recht dat de vader met de moeder per 1 januari 2007 is overeengekomen dat hij vanaf die datum niet langer gehouden is de vaste bijdrage van € 200,- (het hof leest:) per maand per kind, als omschreven in artikel 3.4 van het echtscheidingsconvenant te voldoen en zijn onderhoudsbijdrage vanaf die datum uitsluitend nog zal bestaan uit de helft van de werkelijk gemaakte kosten, met uitzondering van de rechtstreekse kosten van verblijf bij ieder van partijen, een en ander onder veroordeling van de moeder in de kosten van deze procedure.

2. Het hof heeft in voornoemde tussenbeschikking geoordeeld dat voorshands is vast komen te staan dat partijen op/rond 1 januari 2007 hebben afgesproken dat de vader niet gehouden is om nog langer een bijdrage in de woonlasten van de moeder te voldoen, zoals in het door partijen gesloten convenant in artikel 3.4 omschreven. Het hof heeft de moeder in de gelegenheid gesteld tegen deze vaststelling tegenbewijs te leveren.

3. De moeder verzet zich in haar brief van 13 maart 2012 – kort weergegeven – tegen de wijze waarop dit hof het onderhavige geschil heeft beperkt tot de vraag of er in januari 2007 wel of niet een afspraak tussen partijen is gemaakt over het wel of niet beëindigen van de kinderalimentatie, door de vader te betalen.

Voorts verzet de moeder zich tegen de omgekeerde bewijslast - het hof leest: de door het hof toegepaste constructie van het feitelijk vermoeden -, namelijk om aannemelijk te maken dat geen afspraak is gemaakt waaruit zou voortvloeien dat de vader niet langer behoeft bij te dragen in de kinderalimentatie.

De moeder gaat voorts in op de door haar overgelegde stukken die zij heeft overgelegd ter uitvoering van haar bewijsopdracht. Tot slot doet de moeder een nieuw verzoek.

4. De vader heeft de stellingen van de moeder gemotiveerd betwist.

5. Het hof overweegt als volgt. In eerste aanleg en in hoger beroep is de centrale vraag geweest of door de tussen partijen gesloten overeenkomst, zoals door de vader gesteld en door moeder betwist, met ingang van 1 januari 2007 een einde is gekomen aan de verplichting van de vader om een bedrag van € 200,- per maand per kind te betalen.

6. In hoger beroep heeft de moeder op 13 maart 2012, als tegenbewijs tegen de aanname dat een einde is gekomen aan de verplichting van de vader om € 200,- per maand per kind voor de minderjarigen aan de moeder te betalen, (een selectie van) e-mailberichten tussen partijen over met name de jaren 2008 tot en met 2010 overgelegd. Uit de door de moeder overgelegde brief en evenmin uit de bijlagen blijkt naar het oordeel van het hof in geen enkel opzicht dat door de moeder op enig tijdstip, anders dan waarover het hof reeds heeft geoordeeld, enig voorbehoud is gemaakt ten aanzien van het niet langer maandelijks betalen van enig bedrag door de man. Hetgeen de moeder overigens heeft aangevoerd is niet relevant. Behalve door het overleggen van de brief en bijlagen heeft de moeder geen ander bewijs aangeboden of geleverd.

7. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de moeder geen tegenbewijs heeft geleverd en mitsdien staat vast, dat partijen op/rond 1 januari 2007 inderdaad hebben afgesproken dat de vader niet gehouden is om nog langer een bijdrage in de woonlasten van de moeder te voldoen, zoals in het door partijen gesloten convenant in artikel 3.4 omschreven. Door deze tussen partijen gesloten overeenkomst is naar het oordeel van het hof derhalve indertijd een einde gekomen aan de verplichting van de vader om een bedrag van € 200,- per maand per kind aan de moeder te betalen. De overige opmerkingen van de moeder – wat daar ook van zij – behoeven geen bespreking meer. Hetzelfde geldt voor de nieuwe verzoeken van de moeder, gedaan per brief van 13 maart 2012, die overigens als tardief hebben te gelden.

8. Het hof zal de door de vader bij akte van wijziging van eis bij de rechtbank verzochte verklaring voor recht alsnog afgeven. Dit brengt tevens mee dat het hof de overige verzoeken van de moeder in hoger beroep zal afwijzen.

Proceskosten

9. Voor zover de vader heeft verzocht om de moeder te veroordelen in de kosten in beide instanties dan wel in de kosten van de procedure bij het hof, zal het hof, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure, de proceskosten compenseren.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart voor recht dat de vader met de moeder per 1 januari 2007 is overeengekomen dat hij vanaf die datum niet langer gehouden is de vaste bijdrage van € 200,- per maand per kind, als omschreven in artikel 3.4 van het echtscheidingsconvenant, te voldoen en zijn onderhoudsbijdrage vanaf die datum uitsluitend nog zal bestaan uit de helft van de werkelijk gemaakte kosten, met uitzondering van de rechtstreekse kosten van verblijf bij ieder van partijen.

compenseert de proceskosten in beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Kamminga en Zander, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juli 2012.