Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY0544

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
09-11-2012
Zaaknummer
200.102.185/01 en 200.102.191/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling en financiële regeling voor de kinderen na scheiding. Hoofdverblijfplaats; zorgregeling en kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 4 juli 2012

Zaaknummer : 200.102.185/01 en 200.102.191/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 10-10621

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. M.M. van Wijk te Leiden,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. H.R. Carrière te Haarlem.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te 's-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 16 februari 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 18 november 2011 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De moeder heeft op 13 april 2012 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, ingediend.

De vader heeft op 11 juni 2012 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 4 juni 2012 een brief van 1 juni 2012 met bijlagen;

van de zijde van de moeder:

- op 25 april 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 14 juni 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan haar advocaat.

De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De advocaat van de vader heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

Na de zitting zijn, volgens afspraak ter zitting, de volgende stukken bij het hof ingekomen:

- van de zijde van de moeder op 18 juni 2012 een faxbericht van diezelfde datum met als bijlage de jaaropgave 2011 van de moeder.

Voorts is van de zijde van de moeder bij het hof ingekomen:

- een faxbericht van 18 juni 2012 met als bijlage een werkgeversverklaring van de moeder.

Van de zijde van de vader is bij het hof vervolgens ingekomen:

- een brief van 21 juni 2012.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is, voor zover thans van belang:

- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;

- bepaald dat de minderjarigen:

o [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] (hierna ook: [minderjarige 1]),

o [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] (hierna ook: [minderjarige 2]), en

o [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] (hierna ook: [minderjarige 3]), hierna gezamenlijk: de minderjarigen,

de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder;

- bepaald dat de minderjarigen bij de vader zullen zijn:

o de ene week van donderdag uit de buitenschoolse opvang tot vrijdag naar school;

o de andere week van donderdag uit de buitenschoolse opvang tot dinsdag 7.30 uur;

in de schoolvakanties van het schooljaar 2011/2012:

o Tweede Kerstdag tot de volgende ochtend 10.00 uur;

o 1 januari 2012 tot 7 januari 2012, 10.00 uur;

o 20 februari 2012 tot en met 26 februari 2012;

o 3 mei 2012 tot en met 6 mei 2012;

o de eerste drie weken van de zomervakantie 2012;

de schoolvakanties in de navolgende jaren worden door partijen in onderling overleg verdeeld, waarbij de minderjarigen in de zomervakantie in ieder geval drie aaneengesloten weken, om en om de eerste dan wel laatste drie weken van de zomervakantie, bij de vader verblijven, partijen zullen hiertoe om en om in oktober van het betreffende schooljaar een voorstel doen;

- bepaald dat telefonisch contact plaatsvindt tussen de minderjarigen en de ouder waar zij op dat moment niet verblijven indien zij langer dan vijf dagen bij de andere ouder zijn;

- bepaald dat de vader en de moeder met ingang van 18 november 2011 elkaar tweemaal per jaar, buiten aanwezigheid van de minderjarigen, informatie zullen verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van de minderjarigen alsmede over het vermogen van de minderjarigen en elkaar zullen consulteren, voor het overige zullen partijen waar nodig tussentijds per e-mail met elkaar overleggen en informatie uitwisselen;

- bepaald dat de vader, met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen aan de moeder zal betalen een bedrag van € 185,- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden vastgesteld, onder de voorwaarde dat het huwelijk wordt ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

- bepaald dat de vader aan de moeder wegens overbedeling ter zake van de personenauto dient te voldoen een bedrag van € 1.300,-.

De beschikking is, behalve ten aanzien van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. De moeder heeft ter zitting bij het hof onweersproken gesteld dat de echtscheidingsbeschikking op 31 januari 2012 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. Ter zitting bij het hof is afgesproken dat de moeder na de zitting alsnog haar jaaropgave 2011 in het geding mag brengen en dat de vader hierop nog zal mogen reageren. De moeder heeft bij de hiervoor genoemde fax van 18 juni 2012 haar jaaropgave 2011 aan het hof toegestuurd. Voorts heeft zij bij een opvolgende fax een werkgeversverklaring overgelegd, en daarbij gemotiveerd waarom zij dat heeft gedaan. De vader heeft hierop gereageerd en gesteld dat slechts verzocht is om de jaaropgave 2011 en bovendien de werkgeversverklaring niet aantoont dat het salaris dat blijkt uit de jaaropgave 2011 niet het bestendige salaris (inclusief overwerk) is. Het hof zal het tweede faxbericht van de moeder, met als bijlage de werkgeversverklaring, buiten beschouwing laten, nu de moeder door het hof slechts in de gelegenheid is gesteld om haar jaaropgave 2011 aan het hof te doen toekomen. Daarbij komt dat de moeder voorafgaand aan de mondelinge behandeling bij het hof alsmede ter zitting voldoende gelegenheid heeft gehad om stukken in het geding te brengen dan wel stellingen naar voren te brengen en de betreffende werkgeversverklaring blijkens de ondertekening reeds op 8 mei 2012 is opgesteld.

2. In geschil zijn de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling), de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: de kinderalimentatie), en de verrekening van de waarde van de auto.

3. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

primair

I. de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen te bepalen bij de vader, al dan niet na gelasting van een onderzoek door de raad;

II. de volgende zorgregeling vast te stellen: de minderjarigen verblijven de ene week van vrijdag 17.00 uur tot woensdag 17.00 uur bij de moeder en de andere week van maandag 7.30 uur tot woensdag 17.00 uur;

III. onder bekrachtiging van de door de rechtbank ten aanzien van de vakanties vastgestelde zorgregeling en de regeling voor telefonisch contact;

IV. het verzoek van de moeder om kinderalimentatie vast te stellen af te wijzen dan wel haar daarin niet-ontvankelijk te verklaren;

subsidiair indien en voor zover het hof het, al dan niet na onderzoek door de raad, niet in het belang van de minderjarigen acht hun hoofdverblijfplaats te wijzigen

V. de volgende zorgregeling voor de vader vast te stellen: de minderjarigen verblijven om de week een geheel weekeinde bij de vader van vrijdagavond 17.00 uur tot maandagochtend 7.30 uur en wekelijks van woensdagavond 17.00 uur tot vrijdagavond 17.00 uur;

VI. onder bekrachtiging van de door de rechtbank ten aanzien van de vakanties vastgestelde zorgregeling en de regeling voor telefonisch contact;

VII. het verzoek van de moeder om kinderalimentatie vast te stellen af te wijzen dan wel haar daarin niet-ontvankelijk te verklaren, of, subsidiair, het door de rechtbank vastgestelde bedrag voor de kinderalimentatie te wijzigen naar een bedrag van € 69,- per kind per maand;

en voorts, ten aanzien van de afwikkeling huwelijkse voorwaarden:

VIII. vast te stellen dat ten aanzien van de auto geen waarde verrekend dient te worden.

4. De moeder bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de primaire en de subsidiaire verzoeken van de vader af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt de moeder het hof de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt vast te stellen:

- de minderjarigen zijn bij de vader om de week een weekeinde van vrijdagmiddag uit school tot maandag naar school;

- de minderjarigen worden in de gelegenheid gesteld om op hun verjaardag te bellen met de andere ouder;

- de schoolvakanties worden bij helfte verdeeld, in die zin dat de minderjarigen in 2012 in de Kerstvakantie de eerste week bij de vader zijn alsmede Eerste Kerstdag van 10.00 uur tot de volgende ochtend 10.00 uur (in 2013 is dit weer omgekeerd in die zin dat de vader dan weer de tweede week van de Kerstvakantie de minderjarigen heeft alsmede Tweede Kerstdag van 10.00 uur tot de volgende ochtend 10.00 uur), alsmede een verdeling van de zomervakantie als volgt: de eerste twee weken zijn de minderjarigen bij de moeder, vervolgens twee weken bij de vader, dan weer een week bij de moeder en een week bij de vader;

- de minderjarigen worden in de vakanties die langer duren dan een week aaneengesloten bij een ouder minstens eenmaal in de gelegenheid gesteld om te bellen met de andere ouder.

5. De vader verzet zich daartegen en verzoekt het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidenteel appel, althans haar verzoeken in incidenteel appel af te wijzen.

Regeling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag

Hoofdverblijfplaats

6. De vader stelt dat hij zich zorgen maakt over de leefomgeving van de minderjarigen. Volgens hem praat de moeder slecht over hem tegen de minderjarigen, komen de minderjarigen altijd in kapotte en te kleine kleding naar hem toe zodat hij noodgedwongen nieuwe kleding moet kopen voor hen en heeft de moeder een nieuwe relatie met een buurman waarover de minderjarigen niets tegen de vader mogen vertellen. De vader verzoekt het hof om een onderzoek door de raad te gelasten om te bepalen bij wie de minderjarigen beter kunnen verblijven. Verder verzoekt hij om de verblijfplaats van de minderjarigen te wijzigen en bij hem te bepalen en een zorgregeling vast te stellen tussen de moeder en de minderjarigen als door hem voorgesteld.

7. De vader diskwalificeert de moeder door te stellen dat hij voorbeelden heeft van de opvoedkundige onmacht van de moeder, aldus de moeder. De minderjarigen voelen zich goed en veilig bij de moeder en hebben geen belang bij het wijzigen van de hoofdverblijfplaats. Er is ook geen enkele grond aanwezig om de verblijfplaats te wijzigen. Ten aanzien van de stellingen omtrent de kleding van de minderjarigen betoogt de moeder dat de vader wel eens kleding aanschaft voor de minderjarigen, maar dat zij deze kleding vervolgens niet mogen meenemen naar de moeder. De moeder dient de minderjarigen te kleden zoals de vader wil en hun haar te kammen zoals hij dat wil. Hij laat zich hierbij volledig sturen door zijn nieuwe partner.

8. Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat beide ouders een grote betrokkenheid tonen op de minderjarigen. Feit is echter dat de nog jonge minderjarigen inmiddels ruim anderhalf jaar bij de moeder verblijven. Het gaat goed met de minderjarigen bij de moeder en er is ook overigens geen aanwijzing dat de moeder tekort zou schieten in de opvoeding en verzorging van de minderjarigen, terwijl de minderjarigen geregeld bij de vader verblijven. Het hof acht het van belang dat de continuïteit in het leven van de minderjarigen blijft bestaan in die zin dat hun hoofdverblijfplaats bij de moeder blijft, zodat er in dat opzicht voor hen rust en stabiliteit is. Het hof zal derhalve de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen. Het hof geeft partijen mee dat het in het belang van de minderjarigen is om hun strijd (over de kleding van de minderjarigen) te staken en, zoals zij zelf ter zitting desgevraagd hebben verklaard te zullen doen, hulp te zoeken om hun onderlinge communicatie te verbeteren.

Het hof ziet geen aanleiding om, zoals door de vader verzocht, een raadsonderzoek te gelasten.

Zorgregeling

9. De vader stelt zich op het standpunt dat zijn verzoek om een uitgebreidere zorgregeling ten onrechte door de rechtbank is afgewezen. De vastgestelde regeling doet geen recht aan het recht van de vader op gelijkwaardig ouderschap. Tijdens het huwelijk van partijen had de vader een even groot aandeel in de zorg voor de minderjarigen als de vrouw, zo niet een groter aandeel. Inmiddels is de situatie ten opzichte van de beslissing van de rechtbank bovendien gewijzigd wat betreft het aanvangstijdstip op donderdag. De vader haalt op donderdagmiddag de minderjarigen nu uit school, want de BSO voor de donderdag is opgezegd, hetgeen in onderling overleg tussen partijen is geregeld en een kostenbesparing oplevert van € 141,- per maand netto. Belangrijker is dat het de vader tevens de mogelijkheid biedt om meer en beter contact te hebben met de minderjarigen. De vader wenst dat de volgende zorgregeling wordt vastgesteld: de minderjarigen verblijven om de week een geheel weekeinde bij de vader van vrijdagavond 17.00 uur tot maandagochtend 7.30 uur en wekelijks van woensdagavond 17.00 uur tot vrijdagavond 17.00 uur. Met deze regeling krijgen de minderjarigen een vast ritme en zij zijn nooit langer dan vijf aaneengesloten dagen bij de andere ouder zodat de regeling ter zake van het telefonische contact als bedoeld in de beslissing van de rechtbank eventueel kan vervallen.

10. De moeder stelt dat de verhouding tussen haar en de vader de laatste tijd verder is verslechterd. De vader handelt volgens haar niet in het belang van de minderjarigen en betrekt hen bij zijn strijd tegen de moeder. Volgens de moeder is het onmogelijk om de zorg- en opvoedingstaken gelijk bij helfte te verdelen met de vader. Zij is van mening dat de huidige regeling niet werkt en dat een meer conservatieve, in de zin van beperkte, regeling op zijn plaats is.

11. Volgens de vader doet de door de moeder voorgestelde regeling geen enkel recht aan de zorg die hij tot op heden voor de minderjarigen heeft gehad en ook niet aan zijn rol als vader. De vader is van mening dat hij een ruime mate van zorg voor de minderjarigen dient te behouden, omdat dit altijd het geval is geweest. De door de moeder verzochte regeling wordt door hem niet in het belang van de minderjarigen geacht. Volgens de vader is het de moeder die elke keer zelf zorgt voor misverstanden en onduidelijke afspraken. Ook houdt zij zich niet aan de gemaakte afspraken. De vader stelt dat de moeder een verkeerde voorstelling van zaken geeft.

12. Het hof overweegt als volgt. Een uitgebreide zorgregeling zoals door de vader verzocht kan naar het oordeel van het hof alleen functioneren als sprake is van (goed) onderling overleg tussen de ouders. Daarvan is in dit geval geen sprake. Integendeel, de huidige communicatie tussen partijen is verre van optimaal. Gelet op de verstoorde verhouding tussen partijen, acht het hof een uitbreiding van de zorgregeling als door de vader voorgestaan op dit moment niet in het belang van de (nog jonge) minderjarigen. Nu echter onweersproken is komen vast te staan dat de vader inmiddels de minderjarigen op de donderdag uit school haalt in plaats van uit de buitenschoolse opvang, zal het hof de bestreden beschikking in die zin wijzigen/aanvullen.

Kinderalimentatie

Aandeel in de kosten van de minderjarigen (behoefte)

13. De vader is van mening dat de rechtbank bij de bepaling van de behoefte van de minderjarigen ten onrechte is uitgegaan van zijn inkomen bij [naam bedrijf 1] en zijn inkomen als chauffeur bij [naam bedrijf 2]. Hij stelt dat bij het bepalen van de behoefte moet worden uitgegaan van het netto gezinsinkomen per 1 september 2010. Op dat moment had de vader geen inkomsten meer uit zijn “bijbaantje” bij genoemd [bedrijf 2]. De rechtbank kan niet zijn uitgegaan van een jaaropgave 2010 van [naam bedrijf 2] omdat dit stuk door geen van partijen is overgelegd, wel is een jaaropgave van 2009 overgelegd.

De vader stelt het netto gezinsinkomen in september 2010 op € 3.570,- per maand.

De kosten van de drie minderjarigen samen bedragen dan € 1.005,-, aldus de vader.

14. De moeder betwist dat de vader op 1 september 2010 geen inkomen meer had uit zijn dienstverband bij [naam bedrijf 2]. Het gaat volgens de moeder om de welstand van partijen voorafgaand aan het uiteengaan. De vader werkte ieder jaar bij voor het [bedrijf 2].

15. Het hof overweegt als volgt. Partijen hebben ter zitting verklaard dat zij op 1 september 2010 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. Voor het bepalen van de behoefte van de minderjarigen neemt het hof het netto gezinsinkomen van partijen in aanmerking dat zij op 1 september 2010 hadden. De rechtbank is aan de zijde van de moeder uitgegaan van een netto inkomen van € 1.743,- per maand. Hiertegen hebben partijen niet gegriefd, dus dat inkomen staat vast.

Wat betreft het netto inkomen van de vader is in geschil of de inkomsten van het transportbedrijf [naam bedrijf 2] van de vader moeten worden opgeteld bij zijn, niet weersproken, netto inkomen van Stichting [naam bedrijf 1] van € 1.825,-, inclusief vakantiegeld.

Het hof overweegt hieromtrent dat uit de stukken, met name het door de vader bij brief van 4 juni 2012 overgelegde arbeidscontract voor bepaalde tijd, en het verhandelde ter zitting, is gebleken dat de vader op 23 mei 2008 in dienst is getreden bij [naam bedrijf 2] voor de duur van 1 jaar. Voorts is gebleken dat het [bedrijf 2] in februari 2010 failliet is gegaan. Het hof acht het dan ook aannemelijk dat de vader op het moment van uiteengaan van partijen geen inkomsten meer had uit de werkzaamheden van het [bedrijf 2]. De moeder heeft ter zitting weliswaar gesteld dat het [bedrijf 2] een doorstart heeft gemaakt onder een andere naam en dat de vader in juni 2011 nog heeft gewerkt voor het bedrijf, maar zij heeft hiervan geen stukken overgelegd, zodat het hof hieraan voorbij zal gaan. Ook heeft de moeder gesteld dat de vader extra verdiencapaciteit heeft die hij ook moet benutten. Het hof overweegt hieromtrent dat de vader slechts een beperkte tijd, namelijk in 2008, 2009 en kort in 2010, een inkomen heeft gehad uit zijn werkzaamheden bij het [bedrijf 2]. Gelet op deze korte periode en gezien de uitgebreide zorgregeling tussen hem en de minderjarigen, is het hof van oordeel dat niet van de vader verwacht mag worden dat hij, naast zijn werkzaamheden voor Stichting [naam bedrijf 1] en de zorgregeling, nog inkomsten verwerft uit een ander dienstverband.

Gelet op het voorgaande gaat het hof bij het bepalen van de behoefte van de minderjarigen uit van een netto gezinsinkomen van afgerond € 3.570,- per maand per 1 september 2010. Uitgaande van dit netto gezinsinkomen en zestien kinderbijslagpunten, bedraagt de behoefte van de drie minderjarigen, uitgaande van de tabel eigen aandeel bijdrage kosten kinderen uit het Tremarapport (bijlage juli 2010), € 1.033,- per maand. Het hof gaat daarvan uit.

Kosten kinderopvang

16. De vader is van mening dat niet zomaar kan worden uitgegaan van de door de moeder opgevoerde, niet onderbouwde netto kinderopvangkosten als zijnde behoefte verhogend. Dit kan alleen als de kinderopvangkosten noodzakelijkerwijs na de echtscheiding worden gemaakt. Volgens de vader zijn de kosten niet behoefteverhogend omdat de kosten voor kinderopvang al ten tijde van het huwelijk werden gemaakt. Verder zijn de kosten inmiddels lager omdat de donderdag BSO is komen te vervallen, de minderjarigen zijn dan bij de vader. Wel is de niet vergoede medicatie van [naam] van € 40,- per maand behoefteverhogend maar komt deels voor de rekening van de vader. De totale behoefte bedraagt dan volgens de vader € 1.045,- per maand.

17. De kosten voor kinderopvang zijn door de moeder gemaakt om haar in staat te stellen eigen inkomen te genereren. Deze kosten zijn volgens de moeder wel behoefteverhogend.

18. Nu gebleken is dat de kosten van de kinderopvang worden gemaakt teneinde de moeder in de gelegenheid te stellen in haar eigen levensonderhoud te voorzien, zal het hof bij de bepaling van de behoefte rekening houden met deze kosten.

De rechtbank heeft de netto kosten voor de kinderopvang vastgesteld op € 201,46 per maand. Partijen hebben dit bedrag in hoger beroep niet weersproken. Wel heeft de vader gesteld dat hij inmiddels de kinderopvang voor de donderdag heeft opgezegd, hetgeen een kostenbesparing oplevert van € 141,- per maand netto. De moeder heeft dit bedrag niet weersproken.

Gezien het voorgaande, zal het hof bij de berekening van de behoefte een netto bedrag van afgerond € 60,- per maand (€ 201,46 - € 141,-) aan kosten voor de kinderopvang optellen. Verder houdt het hof, net als de rechtbank, bij de bepaling van de behoefte rekening met de kosten van de niet vergoede medicatie van [naam] van € 40,- per maand, zodat de totale behoefte van de drie minderjarigen (€ 1.033,- + € 100,- =) € 1.133,- per maand bedraagt.

Ieders aandeel in de kosten van de minderjarigen

19. De vader stelt dat ook de moeder dient bij te dragen in de kosten van de minderjarigen. De moeder zou volgens de vader € 690,- per maand moeten bijdragen en de vader € 355,- per maand.

20. Het hof overweegt als volgt. Wettelijk uitgangspunt is dat beide ouders onderhoudsplichtig zijn jegens hun kind(eren) en naar rato van hun draagkracht dienen te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kind(eren).

De moeder heeft niet betwist dat zij kan bijdragen in de kosten van de minderjarigen. Verder heeft de moeder de in hoger beroep overgelegde berekeningen van de vader van haar draagkracht, zijnde € 768,- per maand, en die van hem, zijnde € 395,- per maand, niet weersproken. Gelet hierop en nu de moeder heeft nagelaten om, naast haar jaaropgave 2011, recente gegevens in het geding te brengen, met name betreffende haar lasten, en ook heeft nagelaten in haar verweerschrift of ter zitting in te gaan op de stellingen van de vader omtrent de verdeling van de behoefte over partijen, zal het hof bij de berekening van ieders aandeel in de kosten van de minderjarigen uitgaan van door de vader vastgestelde draagkracht, in het licht van de hiervoor vastgestelde totale behoefte van € 1.133,- per maand. Het aandeel van de vader bedraagt dan (395:1.163 x1.133 =) € 385,- per maand en het aandeel van de moeder bedraagt dan (768:1.163x1.133 = ) € 748,- per maand.

21. Gezien bovenstaande berekening van ieders aandeel in de kosten van de minderjarigen en gelet op de bestaande zorgregeling, waarbij de vader een groot gedeelte van de tijd de zorg voor de minderjarigen heeft en nu niet betwist is dat hij wel eens zaken als kleding betaalt, gaat het hof ervan uit dat de vader zijn aandeel in de kosten van de minderjarigen, zijnde € 385,- per maand aan de minderjarigen besteedt in de tijd die zij bij hem doorbrengen. Het hof gaat ervan uit dat de moeder gezien haar aandeel lasten als schoolgeld, contributies voor sportvereningen en de kosten voor de kinderopvang voor haar rekening neemt. Het hof zal dan ook geen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen aan de vader opleggen de bestreden beschikking vernietigen en het inleidende verzoek van de moeder alsnog afwijzen.

22. Gezien het consumptieve karakter van de kinderalimentatie zal het hof bepalen dat hetgeen de vader inmiddels aan de moeder heeft betaald niet behoeft te worden terugbetaald.

Auto

23. De vader betoogt dat de rechtbank ten onrechte zelf de waarde van de auto heeft bepaald. De moeder heeft de waarde gesteld op tussen de € 2.000,- en € 3.000,- maar heeft dit niet met stukken onderbouwd. Volgens de vader dient de waarde op nihil te worden gesteld.

24. De vader heeft de auto zonder overleg met de moeder verkocht en heeft er volgens de moeder dus zelf voor gekozen het risico te lopen de auto voor een te laag bedrag te verkopen. De vader heeft daarnaast geen bewijs geleverd van het feit dat de auto minder waard was dan waarvan de rechtbank is uitgegaan. De moeder is het eens met de waardering van de rechtbank.

25. Gezien de door de vader als productie 10 bij brief van 4 juni 2012 overgelegde e-mailwisseling en factuur van 21 april 2011 van [X] Occasions, ziet het hof aanleiding om de waarde van de auto te bepalen op € 150,-.

26. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen en de verrekening ten aanzien van de personenauto betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het inleidend verzoek van de moeder ten aanzien van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen alsnog af;

bepaalt dat hetgeen de vader tot op heden aan kinderalimentatie heeft betaald door de moeder niet behoeft te worden terugbetaald;

veroordeelt de vader om aan de moeder terzake van overbedeling te betalen een bedrag van € 75,-;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover het de vastgestelde zorgregeling tussen de vader en de minderjarigen betreft en, in aanvulling/wijziging daarop:

bepaalt dat de minderjarigen bij de vader zullen zijn:

- de ene week van donderdag uit school tot vrijdag naar school;

- de andere week van donderdag uit school tot dinsdag 7.30 uur;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Husson en Kamminga, bijgestaan door

mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2012.