Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY0465

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
09-11-2012
Zaaknummer
200.101.939-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing gezag. Hoger beroep is niet ontvankelijk. Het appelschrift bevat weliswaar een grief maar deze is te onbepaald. De gronden waarop de moeder de beschikking wil doen vernietigen ontbreken nagenoeg volledig. Ter zitting wordt nog onderzocht of er aanleiding is de moeder toch ontvankelijk te achten. Het hof concludeert dat geen sprake is van één van de uitzonderingen op het bestaande beroepsgrondenstelsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 1 augustus 2012, geminuteerd op 8 augustus 2012

Zaaknummer : 200.101.939/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 11-2737

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat voorheen mr. L.A. Middelkoop te Rotterdam,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [belanghebbende 1],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de vader van [minderjarige 1],

2. [belanghebbende 2],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de vader van [minderjarige 2 en 3],

3. [belanghebbende 3 en 4],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 4],

4. [belanghebbende 5]

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de pleegmoeder van [minderjarige 1],

5. de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

kantoorhoudende te Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 10 februari 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 16 november 2011 van de rechtbank Rotterdam. Op 5 april 2012 heeft de moeder een nadere onderbouwing van haar beroepschrift bij het hof ingediend.

De raad heeft op 13 maart 2012 een verweerschrift ingediend en op 30 juli 2012 een verweerschrift ten aanzien van de nadere onderbouwing van de moeder.

Jeugdzorg heeft op 22 maart 2012 een verweerschrift ingediend en op 27 juli 2012 een verweerschrift ten aanzien van de nadere onderbouwing van de moeder.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 3 mei 2012 een brief van diezelfde datum met bijlage;

- op 18 juni 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen;

De zaak is op 1 augustus 2012 mondeling behandeld. De behandeling heeft zich geconcentreerd op de vraag of het beroep ontvankelijk te achten is.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw A. Timmers en mevrouw A. van Veen namens de raad;

- de vader van [minderjarige 2 en 3];

- de pleegmoeder van [minderjarige 1];

- de pleegzorgbegeleidster van de pleegouders van [minderjarige 4], mevrouw E. Brouwer;

- Mevrouw S. Groeneboom en mevrouw W.J. Lamers namens Jeugdzorg.

De vader van [minderjarige 1], en de pleegouders van [minderjarige 4] zijn hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij de beschikking is de moeder ontheven van het gezag over de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] (hierna ook te noemen: [minderjarige 1]),

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] (hierna ook te noemen: [minderjarige 2]),

- [minderjarige 3] geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] (hierna ook te noemen: [minderjarige 3] en

- [minderjarige 4], geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] (hierna ook te noemen: [minderjarige 4]), hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen.

Verder is Jeugdzorg benoemd tot voogdes over [minderjarige 1] en [minderjarige 4]. De moeder is veroordeeld aan de voogdes rekening en verantwoording te doen van het gevoerde bewind over het vermogen van de minderjarigen. Voorts is vastgesteld dat de vader van [minderjarige 2 en 3] ingevolge de ontheffing van de moeder van het gezag over [minderjarige 2 en 3] en het bepaalde in artikel 1:274, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek voortaan alleen het gezag over [minderjarige 2 en 3] uitoefent. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ontheffing van de moeder van het gezag over de minderjarigen.

2. De moeder verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek strekkende tot ontheffing van het ouderlijk gezag af te wijzen.

3. De raad bestrijdt het beroep en verzoekt het hof het door de moeder ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het ingestelde hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Jeugdzorg bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

ONTVANKELIJKHEID

5. De moeder heeft in haar beroepschrift, ingekomen bij het hof op 10 februari 2012, de volgende nog met nadere gronden te onderbouwen en nog aan te vullen grief naar voren gebracht:

“Ten onrechte heeft de rechtbank Rotterdam de moeder van het ouderlijk gezag ontheven, terwijl niet, althans onvoldoende, is gebleken dat de moeder ongeschikt of onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarigen te vervullen.”

6. De raad heeft in het verweerschrift van 13 maart 2012 primair geconcludeerd tot niet- ontvankelijkheid van de moeder. De raad stelt dat, nu de grief onvoldoende is gemotiveerd, het voor de raad onvoldoende duidelijk is waartegen verweer gevoerd dient te worden. Subsidiair, voor het geval het hof de moeder ontvankelijk verklaart in het hoger beroep, voert de raad verweer door in algemene zin naar het uitgebrachte raadsrapport te verwijzen en naar de bestreden beschikking.

7. Het hof heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 1 augustus 2012 de (advocaat van de) moeder gewezen op de uitvoerig gemotiveerde bestreden beschikking en gevraagd wat maakt dat de moeder in het appelschrift niet heeft uiteengezet wat haar bezwaren zijn tegen de overwegingen van de kinderrechter. Het antwoord hierop was dat omstandigheden gelegen in de persoonlijke sfeer van de moeder en de advocaat hebben veroorzaakt dat het beroepschrift summier is gebleven. Het hof stelt vast dat de raad zich tegen de algemene grief die het appelschrift bevat niet behoorlijk heeft kunnen verweren en in zoverre met recht een beroep op de niet-ontvankelijkheid heeft gedaan. De door de (advocaat van de) moeder beschreven omstandigheden van persoonlijke aard zijn, zeer bijzondere omstandigheden wellicht daargelaten, voor haar risico. Van zeer bijzondere omstandigheden, die een uitzondering zouden rechtvaardigen, is niet gebleken.

8. In haar aanvullende beroepschrift, ingekomen bij het hof op 5 april 2012, derhalve na het verstrijken van de appeltermijn, heeft de moeder haar beroepschrift aangevuld en de gronden van haar beroep nader uitgewerkt.

9. De raad heeft, bij aanvullend verweerschrift, ingekomen op 30 juli 2012, primair verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep en subsidiair inhoudelijk verweer gevoerd.

10. Het hof overweegt als volgt. Als grieven dienen te worden aangemerkt alle gronden die appellant aanvoert om te betogen dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd. Ingevolge artikel 359 juncto artikel 278 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering behoort het beroepschrift de gronden te bevatten waarop het berust. Deze regel brengt mee dat de geïntimeerde bij het inrichten van zijn of haar verweer in beginsel ervan mag uitgaan dat de omvang van de rechtsstrijd in appel door het beroepschrift is vastgelegd. Daaruit volgt dat de rechter in beginsel geen acht behoort te slaan op grieven die in een later stadium dan in het beroepschrift worden aangevoerd.

11. Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard:

1) de wederpartij stemt ondubbelzinnig in dat de nieuwe grieven/gronden alsnog in de rechtsstrijd in hoger beroep worden betrokken;

2) onverkorte toepassing van de regel komt in strijd met de eisen van een goede procesorde, waarbij met name te denken valt aan (a) een rechterlijke fout, b) onvoorziene ontwikkelingen van feitelijke of juridische aard nadat van grieven is gediend, of c) een aan geïntimeerde toe te rekenen verkeerde voorstelling van zaken bij appellant;

3) de aard en de inhoud van het geschil brengen mee dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of zodanige verandering of vermeerdering van eis kan plaatsvinden.

12. De raad verzet zich in hoger beroep uitdrukkelijk tegen het in behandeling nemen van het op 5 april 2012 bij het hof ingekomen aanvullend beroepschrift. Er is dus geen sprake van een ondubbelzinnige instemming van de raad met de aanvulling van de grief tegen de bestreden beschikking. Het hof heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 1 augustus 2012 nog onderzocht of de uitzonderingen genoemd onder 2. of 3. zich in casu voordoen. Daarvan is niet gebleken. Met name is niet gebleken dat de situatie ten tijde van de beroepstermijn zodanig was dat er (inhoudelijk) nog geen gronden konden worden aangevoerd, terwijl ook nadien geen sprake is geweest van zodanige veranderingen die meebrengen dat (slechts) door aanvulling van de beroepsgrond een juiste beoordeling van de zaak zou kunnen plaatsvinden. Gelet hierop en gelet op hetgeen hiervoor onder 10. en 11. is overwogen zal het hof op de in het aanvullende beroepschrift geformuleerde grieven/gronden geen acht slaan. Het hof zal de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep.

13. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Engel en Bos, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 augustus 2012 en geminuteerd op 8 augustus 2012.