Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY0444

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
09-11-2012
Zaaknummer
200.078.923-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag na echtscheiding. Geen gronden aanwezig tot beëindiging gezamenlijk gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 16 mei 2012

Zaaknummer : 200.078.923/01

Rekestnummer rechtbank : F2 RK 10-1097

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M. Theunessen te Rotterdam,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. E. Keijzerwaard te Rotterdam.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Rotterdam-Rijnmond,

locatie Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Voor het procesverloop in hoger beroep verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van 27 april 2011, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

Bij die beschikking is:

- de bestreden beschikking vernietigd ten aanzien van de daarbij bepaalde voorlopige regeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 2];

- het in incidenteel hoger beroep verzochte afgewezen;

- de raad verzocht het reeds gestarte raadsonderzoek uit te breiden met de vraag of, uitgaande van het gezamenlijke gezag van de ouders, sprake is van een onaanvaardbaar risico dat de minderjarigen klem of verloren zullen geraken tussen de ouders, waarbij niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, dan wel of wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is in de zin van artikel 1:251a, lid 1 BW en daarover te rapporteren en te adviseren;

- de verdere behandeling en beslissing met betrekking tot het gezag over de minderjarigen en de zorgregeling aangehouden.

Van de zijde van de raad is bij het hof op 7 oktober 2011 een brief van 6 oktober 2011 ingekomen, waarbij het raadsrapport van 28 april 2011 en de adviesbrief van 29 september 2011 zijn overgelegd.

Het hof heeft partijen bij brief van 4 november 2011 in de gelegenheid gesteld om op voornoemd raadsrapport te reageren.

Van de zijde van de vader is op 17 november 2011 een brief van 16 november 2011 met bijlage bij het hof ingekomen.

Van de zijde van de moeder is op 23 november 2011 een brief van 22 november 2011 met bijlage ingekomen.

Bij brief van 7 december 2011, ingekomen bij het hof op 8 december 2011, is door de advocaat van de vader aan het hof medegedeeld dat de (het hof begrijpt) door de rechtbank gelaste mediation zonder succes is geëindigd.

Voorts is van de zijde van de raad bij het hof ingekomen op 29 december 2011 een brief van 28 december 2011, waarin de raad mededeelt dat de moeder een klacht heeft ingediend bij de raad en dat die klacht inmiddels in behandeling is genomen. Bij brief aan het hof van 9 januari 2012, ingekomen op 11 januari 2012, heeft de raad de klachtbeslissing van 13 december 2011 overgelegd, en op 28 februari 2012 een brief van 27 februari 2012, waarin een correctie op het raadsrapport van 28 april 2011 wordt medegedeeld.

Van de zijde van de vader is op 6 maart 2012 een brief van 5 maart 2012 ingekomen, met bijlage.

De mondelinge behandeling is op 25 april 2012 voortgezet.

Ter zitting waren aanwezig:

- de advocaat van de moeder;

- de advocaat van de vader;

- mevrouw E. Donkervoort namens de raad.

De moeder en de vader zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De (advocaat van de) moeder heeft het hof verzocht om de mondelinge behandeling van 25 april 2012 aan te houden omdat de moeder niet in staat is de mondelinge behandeling bij te wonen in verband met spit in haar rug. De (advocaat van de) vader heeft zich tegen dit verzoek verzet. Het hof heeft het verzoek van de moeder als onvoldoende onderbouwd afgewezen en de zaak mondeling behandeld.

Zorgregeling

2. Het hof overweegt als volgt. Uit het dictum van de tussenbeschikking van dit hof van 27 april 2011 zou kunnen worden afgeleid dat de verdere behandeling van de zaak mede ten aanzien van de zorgregeling is aangehouden. Gelet op de beslissing die het hof in dezelfde beschikking heeft genomen over de voorlopige zorgregeling ligt de voorlopige zorgregeling niet meer aan het hof voor. Nu door de rechtbank in het dictum van de bestreden beschikking niet beslist is over de zorgregeling en partijen op dit onderdeel geen grieven hebben aangevoerd, ligt de zorgregeling bij het hof niet ter beoordeling voor.

Gezag

3. In geschil is thans nog het gezag ten aanzien van de minderjarigen [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1]), geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats], en [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2]), geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats], (hierna tezamen te noemen: de minderjarigen).

4. Vaststaat dat [minderjarige 1] haar vaste verblijfplaats heeft bij de vader en dat [minderjarige 2] zijn vaste verblijfplaats heeft bij de moeder.

5. Het hof heeft in zijn tussenbeschikking de raad verzocht in het bij de bestreden beschikking gelaste raadsonderzoek ook de volgende vraag te betrekken:

is, uitgaande van het gezamenlijke gezag van de ouders, sprake van een onaanvaardbaar risico dat de minderjarigen klem of verloren zullen geraken tussen de ouders, waarbij niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, dan wel is wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk in de zin van artikel 1:251a, lid 1 BW?

6. De raad concludeert in zijn rapport dat, hoewel tussen de ouders sprake is van ernstige communicatieproblemen, geen onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarigen klem of verloren dreigen te raken tussen beide ouders, indien het gezamenlijk gezag blijft bestaan. Verder ziet de raad mogelijkheden om, door middel van bemiddeling, de communicatie tussen de ouders te verbeteren. De raad is van mening dat het gezamenlijk gezag in stand dient te blijven.

7. Ter zitting bij het hof heeft de advocaat van de moeder verklaard dat partijen inmiddels weer contact hebben met elkaar. Er is een zorgregeling tussen [minderjarige 2] en de vader tot stand gekomen en een zorgregeling tussen [minderjarige 1] en de moeder. De vader komt [minderjarige 2] bij de moeder halen, komt dan vaak even binnen bij de moeder en drinkt een kop koffie met haar. Het grootste probleem tussen partijen blijft het wantrouwen van de moeder jegens de vader. Zodra partijen afspraken moeten maken over de minderjarigen, loopt het mis tussen hen.

8. De vader verzoekt het hof het advies van de raad over te nemen. In aanvulling op het verweerschrift heeft de advocaat van de vader ter zitting naar voren gebracht dat tussen partijen vele gesprekken hebben plaatsgevonden, bij verschillende instanties zoals Flexus Jeugdplein, Jeugdzorg, de raad en bij een mediator, maar dat nog steeds geen afspraken over de minderjarigen op papier staan. Dat frustreert de vader heel erg. Hij voelt zich overgeleverd aan de grillen van de moeder. Partijen zelf en de minderjarigen hebben behoefte aan duidelijkheid. Verder stelt de advocaat van de vader dat er geen aanwijzingen zijn dat de minderjarigen klem zitten tussen de ouders.

9. De raad heeft ter zitting verklaard dat partijen redelijk goed met elkaar omgaan en dat het van belang is voor de minderjarigen dat duidelijkheid komt in de situatie. De raad is van mening dat voor wat betreft het gezag niet wordt voldaan aan het klem- en verloren- criterium.

10. Het hof overweegt als volgt. Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet communiceren, kan dat betekenen dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, ten minste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden. Indien bovengenoemde omstandigheden aanwezig zijn, zal er geen onaanvaardbaar risico zijn dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders.

11. Ter zitting bij het hof is gebleken dat inmiddels sprake is van communicatie tussen partijen. Partijen zijn een zorgregeling overeengekomen tussen de vader en [minderjarige 2] en tussen de moeder en [minderjarige 1]. Zij hebben redelijk goed contact met elkaar voorafgaand aan en aan het einde van de uitvoering van de zorgregelingen. Weliswaar is de communicatie in de ogen van de moeder niet optimaal, maar niet gebleken, noch onderbouwd is dat de minderjarigen daardoor klem en verloren dreigen te raken. Onder deze omstandigheden ziet het hof geen aanleiding om het gezamenlijk gezag te beëindigen en de moeder alleen te belasten met het gezag over de minderjarigen.

12. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover daarin het verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag over de minderjarigen is afgewezen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Haan-Boerdijk, Husson en Burgerhart, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 mei 2012.