Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX8436

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
09-10-2012
Zaaknummer
200.110.550-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:BX3679, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ6365, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ6365
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering; bekrachtiging beschikking onder LJNummer BX3679.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 29 augustus 2012

Zaaknummer : 200.110.550/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 12-4503

1. [appellant],

hierna te noemen: de vader, en

2. [appellante],

hierna te noemen: de moeder,

beiden wonende te [woonplaats], Duitsland,

verzoekers in hoger beroep,

hierna ook gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat mr. H.F.M. Struycken te Amsterdam,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Groningen,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: Jeugdzorg,

advocaat mr. P.J. Montanus te ’s-Gravenhage,

en

de raad voor de kinderbescherming,

regio Groningen en Drenthe,

locatie Groningen

hierna te noemen: de raad.

Als informant is opgeroepen:

de Directie Control, Bedrijfsvoering en Juridische zaken, van het Ministerie van van Veiligheid en Justitie, belast met de taak van centrale autoriteit als bedoeld in artikel 4 van de Wet van 2 mei 1990, Stb. 202, tot uitvoering van onder meer het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (hierna: HKOV),

gevestigd te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de centrale autoriteit.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De ouders zijn op 26 juli 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 20 juli 2012 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

Jeugdzorg heeft op 9 augustus 2012 een verweerschrift ingediend.

De raad heeft op 9 augustus 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de ouders:

- op 31 juli 2012 een brief van 30 juli 2012 met bijlagen;

- op 31 juli 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage;

- op 10 augustus 2012 twee brieven van diezelfde datum met bijlagen;

- op 13 augustus 2012 een brief van 10 augustus 2012 met bijlage.

De zaak is op 13 augustus 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting zijn verschenen:

- de ouders, bijgestaan door hun advocaat mr. C.M.C. Laumanns, waarnemend voor

mr. H.F.M. Struycken;

- namens Jeugdzorg: mr. P.J. Montanus en mevrouw J.A.H. Nieman;

- namens de raad: mevrouw E.K.M. Bakker; en

- namens de centrale autoriteit: mevrouw L. Ipenburg.

De ouders en Jeugdzorg hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

Nadien is het volgende stuk bij het hof ingekomen:

van de zijde van de ouders:

- op 14 augustus 2012 een brief van diezelfde datum met bijlage.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast.

De moeder en de vader hebben een affectieve relatie met elkaar.

Uit de moeder zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

- [de minderjarige 1], geboren [in 2007] te [geboorteplaats],

- [de minderjarige 2], geboren [in 2008] te [geboorteplaats], en

- [de minderjarige 3], geboren [in 2009] te [geboorteplaats], hierna gezamenlijk: de minderjarigen.

De ouders oefenen het gezag over de minderjarigen gezamenlijk uit.

Op 12 oktober 2011 ontving de raad van Jeugdzorg een melding betreffende de minderjarigen.

Op 22 oktober 2011 heeft de raad het onderzoek naar de opvoedingssituatie van de minderjarigen afgerond en de rechtbank verzocht een ondertoezichtstelling met een machtiging uithuisplaatsing over de minderjarigen uit te spreken.

Bij beschikking van 25 november 2011 heeft de rechtbank Groningen de minderjarigen, in afwachting van onderzoek, voor de duur van drie maanden voorlopig onder toezicht gesteld en is een machtiging tot (spoed)uithuisplaatsing verleend van de minderjarigen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van vier weken.

De ouders zijn in november 2011 met de minderjarigen naar Duitsland vertrokken.

Bij beschikking van 14 december 2011 heeft de rechtbank Groningen de beschikking van 25 november 2011 bekrachtigd en de minderjarigen met ingang van 25 februari 2012 (definitief) onder toezicht gesteld tot 25 maart 2012 en een machtiging uithuisplaatsing van de minderjarigen verleend in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De minderjarigen zijn op 23 december 2011 in Duitsland door de politie aldaar met behulp van de sterke arm uit huis gehaald. Zij zijn enige dagen opgevangen in een kindertehuis in Duitsland en vervolgens op 27 december 2011 overgedragen aan Jeugdzorg die de minderjarigen heeft geplaatst in pleeggezinnen.

Bij beschikking van 1 maart 2012 heeft het gerechtshof Leeuwarden het hoger beroep van de ouders tegen de beschikking van 25 november 2011 afgewezen, voor zover daarbij de voorlopige ondertoezichtstelling is uitgesproken en de beschikking van 25 november 2011 voor het overige bekrachtigd. Voorts heeft het gerechtshof de beschikking van 14 december 2011 bekrachtigd.

Bij beschikking van 22 maart 2012 heeft de rechtbank Groningen de minderjarigen met ingang van 25 maart 2012 onder toezicht gesteld voor de duur van elf maanden, derhalve tot

25 februari 2013 en met ingang van 25 maart 2012 machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een voorziening tot pleegzorg verleend voor de duur van vier maanden, derhalve tot 25 juli 2012.

Bij beschikking van 23 juli 2012 heeft de rechtbank Groningen de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een voorziening voor pleegzorg verlengd voor de duur van twee maanden, tot 25 september 2012.

De ouders hebben de rechtbank ’s-Gravenhage verzocht, onder meer, de teruggeleiding van de minderjarigen te gelasten naar Duitsland.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank:

• zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de verzoeken van de ouders als weergegeven onder het kopje ‘verzoek en verweer’ onder nummers 3 tot en met 8 en de zaak in zoverre in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Groningen verwezen;

• het verzoek van de ouders tot nietigverklaring van de beschikkingen van 24 november 2011 en 14 december 2011 van de rechtbank Groningen en de beschikking van 1 maart 2012 van het gerechtshof Leeuwarden afgewezen;

• het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen naar Duitsland afgewezen;

• bevolen dat de procedure voor wat betreft de verzochte verklaring voor recht dat de uithuisplaatsing onrechtmatig heeft plaatsgevonden (onder nummer 1b) zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure; en

• bepaald dat (dit gedeelte van) de zaak zal worden uitgeroepen ter rolzitting van de civiele sector van de rechtbank van 22 augustus 2012 voor het nemen van een akte uitlatingen aan de zijde van Bureau Jeugdzorg en de raad voor de kinderbescherming als overwogen op pagina 4.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn:

- de teruggeleiding van de minderjarigen [de minderjarige 1], geboren op 19 maart 2007 te [geboorteplaats], [de minderjarige 2], geboren [in 2008] te [geboorteplaats], en [de minderjarige 3], geboren [in 2009] te [geboorteplaats] (hierna ook: de minderjarigen),

- het verzoek tot nietigverklaring van de beschikkingen van 25 november 2011 en

14 december 2011 van de rechtbank Groningen en die van 1 maart 2012 van het gerechtshof Leeuwarden;

- het verzoek voor recht te verklaren dat de feitelijke uithuisplaatsing onrechtmatig is;

- de positie van de raad voor de kinderbescherming; en

- de onbevoegdverklaring door de rechtbank ’s-Gravenhage ter zake de verzoeken in eerste aanleg zoals weergegeven onder de punten 3 tot en met 8 op pagina 3 van de bestreden beschikking.

2. De ouders verzoeken het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

A. de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de uithuisplaatsing en de overbrenging van de minderjarigen vanuit het kindertehuis in Papenburg, Duitsland, naar Nederland in december 2011 ongeoorloofd te verklaren en de onmiddellijke teruggeleiding (hereniging) van de minderjarigen naar (met) de ouders in Duitsland te gelasten;

B. alle beschikkingen die ter zake de minderjarigen sedert 24 november 2011 zijn genomen nietig te verklaren, althans de uitvoering daarvan onrechtmatig te verklaren, althans onmiddellijk te beëindigen;

C. Jeugdzorg en de raad te veroordelen in de kosten.

3. Jeugdzorg bestrijdt het beroep van de ouders en verzoekt het hof de ouders in het verzoek tot vernietiging van de bestreden beschikking niet-ontvankelijk te verklaren, althans hun grieven af te wijzen, met bekrachtiging van de bestreden beschikking, zo nodig met verbetering en/of aanvulling van de gronden.

4. De raad bestrijdt het beroep van de ouders en verzoekt het hof de ouders in hun hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen en deze beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en het verzoek om een kostenveroordeling af te wijzen.

Indiening verweerschrift in hoger beroep

5. De ouders hebben zich ter zitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de raad zijn verweerschrift in hoger beroep in strijd met het procesreglement heeft ingediend nu dit niet is ingediend en ondertekend door een advocaat.

6. Ingevolge artikel 1.3.1 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven kan iedere belanghebbende een verweerschrift in hoger beroep indienen, waarbij incidenteel hoger beroep kan worden ingesteld. Het verweerschrift in hoger beroep wordt ingediend en ondertekend door een advocaat en kan niet “i/o” door een ander dan een advocaat worden ondertekend, tenzij de wet een andere mogelijkheid biedt.

7. De raad is in dit geding betrokken uit hoofde van zijn wettelijke taken in het algemeen en – voor zover hier van belang – in het bijzonder uit hoofde van het gezag over voornoemde minderjarigen, zoals hierna blijkt. Ingevolge artikel 1:243 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek kan de raad, wanneer hij op grond van een van de bepalingen van de titels 9, 10, 12, 13, 14, 15 en 17 van dit boek in rechte optreedt, dit zonder advocaat doen, behalve in gedingen die met een dagvaarding aanvangen.

8. Op grond van het vorenstaande verwerpt het hof de stelling van de ouders dat de raad zich om in deze procedure in rechte te kunnen optreden, had dienen te voorzien van de tussenkomst van een advocaat. Het bepaalde in voornoemd Procesreglement doet hieraan niet af.

Ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren (artikel 3 HKOV)

9. De ouders kunnen zich, samengevat weergegeven, niet vinden in de afwijzing van hun verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen naar Duitsland. Zij hebben daartoe een dertiental grieven aangevoerd.

10. Ingevolge artikel 3, eerste lid, HKOV wordt het overbrengen of het niet doen terugkeren van een kind als ongeoorloofd beschouwd, wanneer:

a) dit geschiedt in strijd met een gezagsrecht dat is toegekend aan een persoon, alleen of gezamenlijk, ingevolge het recht van de Staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging zijn gewone verblijfplaats had; en

b) dit recht alleen of gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of het niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.

11. Ingevolge artikel 5, aanhef en onder a, HKOV omvat voor de toepassing van dit Verdrag het ‘gezagsrecht’ het recht dat betrekking heeft op de zorg voor de persoon van het kind, en in het bijzonder het recht over zijn verblijfplaats te beslissen. De betekenis van het in dit artikel omschreven begrip "gezagsrecht" moet worden bepaald aan de hand van doel en strekking van het HKOV.

12. Gelet op de aard van de thans gevoerde procedure gaat het hof uit van de beslissingen zoals die door de rechtbank Groningen en het gerechtshof Leeuwarden zijn gegeven, zoals hiervoor breder omschreven onder het ‘Procesverloop in eerste aanleg en de vaststaande feiten’. Daarin is overwogen dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland was gelegen op het moment van de beschikking van de rechtbank Groningen van 25 november 2011. Bij deze beschikking is (onder meer) een machtiging tot (spoed)uithuisplaatsing van de minderjarigen verleend voor de duur van vier weken en deze machtiging is bij beschikking van de rechtbank Groningen van 14 december 2011 verlengd tot 25 maart 2012. In dat verband constateert het hof dat de beschikkingen tot verlening van de machtiging tot (spoed)uithuisplaatsing en verlenging van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard. Jeugdzorg kon derhalve tot uitvoering daarvan overgaan. Dat de beschikking van het gerechtshof Leeuwarden thans ter beoordeling aan de Hoge Raad der Nederlanden is voorgelegd, doet daaraan op dit moment niet af. Voor zover de ouders hebben bedoeld te betogen dat het oordeel van het hof Leeuwarden dienaangaande evident onjuist zou zijn - onder meer omdat zij stellen reeds voor de datum van de beschikking van de rechtbank Groningen van 25 november 2011 met de minderjarigen te zijn verhuisd naar Duitsland - passeert het hof dit betoog. De ouders hebben ter zitting van het hof wisselende verklaringen afgelegd over de datum van hun vertrek naar Duitsland, die niet hun bevestiging vinden in de stukken, zodat ook dit geen grond kan opleveren om aan het oordeel van het gerechtshof Leeuwarden voorbij te gaan.

13. Voormelde aan Bureau Jeugdzorg Groningen verleende machtiging uithuisplaatsing binnen de ondertoezichtstelling heeft naar het oordeel van het hof een inperking van het gezagsrecht van de ouders gebracht, te weten het recht om over de verblijfplaats van de minderjarigen te beslissen. De bevoegdheid om de minderjarigen in een voorziening voor pleegzorg te plaatsen was door de kinderrechter aan Bureau Jeugdzorg Groningen verleend. Het was de ouders als gevolg van deze gezagsinperking niet toegestaan om zich met de minderjarigen in Duitsland te vestigen. Het hof neemt hierbij tevens in aanmerking dat ook in het licht van de in artikel 1 HKOV omschreven doelstellingen - te weten: de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een verdragsluitende staat, alsmede het in een verdragsluitende staat bestaande recht betreffende het gezag en het omgangsrecht in de andere verdragsluitende staten daadwerkelijk te doen eerbiedigen - en in aanmerking genomen dat aan Jeugdzorg reeds een machtiging tot uithuisplaatsing was verleend toen de ouders hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, niet kan worden gezegd dat Jeugdzorg bij het overbrengen van de minderjarigen van Duitsland naar Nederland in strijd handelde met het gezagsrecht van de ouders.

14. De overbrenging door Jeugdzorg van de minderjarigen van Duitsland naar Nederland kan naar het oordeel van het hof dan ook niet worden aangemerkt als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 HKOV. Het verzoek van de ouders tot teruggeleiding van de minderjarigen naar Duitsland is dan ook terecht afgewezen. Dit leidt in zoverre tot een bekrachtiging van de bestreden beschikking, zij het op andere gronden.

Vreemde taal

15. Jeugdzorg heeft zich nog op het standpunt gesteld dat een groot aantal stukken in de Duitse taal zijn opgesteld en dat uit een tweetal stukken niet kan worden opgemaakt wat daarin precies wordt vermeld. Jeugdzorg verzoekt het hof dan ook op deze stukken geen acht te slaan.

16. Ingevolge artikel 1.1.7 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven wordt bij stukken die in een vreemde taal zijn gesteld een beëdigde vertaling in de Nederlandse taal toegevoegd, tenzij het eenvoudig leesbare stukken betreft, zoals de huwelijksakte en geboorteakte, die zijn gesteld in de Engelse, Franse en Duitse taal.

17. Het hof zal, wat van het standpunt van Jeugdzorg ook overigens zij, voorbij gaan aan de door de ouders overgelegde stukken in de Duitse taal, nu deze alle zijn overgelegd in het kader van de bepaling van de gewone verblijfplaats van de minderjarigen en derhalve voor de beoordeling die bij het hof in deze procedure aan de orde is, zoals hiervoor weergegeven, niet noodzakelijk zijn.

Het verzoek tot nietigverklaring, althans onrechtmatigverklaring, van de na 24 november 2011 genomen beslissingen, althans deze onmiddellijk te beëindigen.

18. Het hof is van oordeel dat de rechtbank dit verzoek terecht heeft afgewezen. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt die tot de zijne. In hoger beroep is niets aangevoerd dat tot een ander oordeel zou moeten leiden.

Proceskosten

19. Aangezien de ouders in hoger beroep in het ongelijk worden gesteld ziet het hof geen grond om Jeugdzorg en/of de raad in de proceskosten te veroordelen zodat dit verzoek zal worden afgewezen.

20. Hetgeen partijen over en weer verder naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

21. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Van den Wildenberg en Stille, bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 augustus 2012.