Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX8429

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
27-09-2012
Zaaknummer
200.109.152/02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

afwijzing wrakingsverzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Zaaknummer : 200.109.152/02

Zaaknummer hoofdzaak : 200.109.152/01

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken van 5 september 2012

inzake het mondelinge verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) in de hoofdzaak met genoemd zaaknummer van:

[Naam],

wonende te [Woonplaats],

hierna ook te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E. Tamas te ’s-Gravenhage.

Het geding

1. In de procedure onder zaaknummer 200.109.152/01tussen [de moeder] als verzoekster in hoger beroep en de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden (hierna: Jeugdzorg) te ’s-Gravenhage als verweerster, heeft op 8 augustus 2012 de mondelinge behandeling plaatsgevonden, alwaar zitting hadden mr. M.J. de Haan-Boerdijk, voorzitter en mrs. B.P.H.M. van den Wildenberg en M.Th. Linsen-Penning de Vries, leden.

Bij mondeling verzoek van 8 augustus 2012 heeft mr. Tamas, namens [de moeder], een verzoek tot wraking gedaan van mr. De Haan-Boerdijk, voornoemde voorzitter.

2. De raadsheer die het verzoek tot wraking betreft, hierna ook te noemen: de raadsheer, heeft niet in de wraking berust. Zij heeft bij brief van 15 augustus 2012 haar standpunt schriftelijk weergegeven, waarbij zij heeft medegedeeld dat zij geen behoefte heeft te worden gehoord.

3. De wrakingskamer heeft het verzoek op 22 augustus 2012 ter terechtzitting behandeld, waarbij [de moeder] is verschenen, bijgestaan door mr. Tamas.

Het wrakingsverzoek

4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in de hoofdzaak van 8 augustus 2012 heeft mr. Tamas aldaar als grondslag voor het wrakingsverzoek aangevoerd dat de raadsheer de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt (i) omdat zij ter zitting heeft gezegd dat zij de indruk had dat in de verklaring van de minderjarige, [Naam], de zoon van [de moeder] en de heer [Naam], de mening van de moeder doorklonk, terwijl zij op dat moment de moeder nog niet had gehoord en (ii) omdat zij hem niet heeft laten uitspreken en hem niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn licht te laten schijnen op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht.

5. Ter zitting van de wrakingskamer heeft mr. Tamas de gronden van het wrakingsverzoek mondeling nader toegelicht. Hij heeft medegedeeld dat hij ter zitting bezwaar heeft gemaakt tegen de door de raadsheer gegeven indruk, (mede) omdat de mening van de moeder in de hoofdprocedure nimmer goed naar voren is gekomen.

Verder werden door de gezinsvoogd stellingen geponeerd die onjuist waren en die mr. Tamas wilde weerleggen. Hij kreeg daartoe echter niet de gelegenheid van de voorzitter, die hem meermalen heeft onderbroken.

De reactie van de raadsheer

6. De raadsheer heeft in haar schriftelijke reactie naar voren gebracht dat er naar haar overtuiging geen sprake is van een objectief gerechtvaardigde vrees met betrekking tot (een schijn van) partijdigheid aan haar zijde, noch door het weergeven van haar indruk van het kinderverhoor, noch door het onderbreken van mr. Tamas, noch door een combinatie van deze twee omstandigheden. Zij meent dan ook dat het wrakingsverzoek behoort te worden afgewezen.

7. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de raadsheer met betrekking tot de eerste grondslag die [de moeder] heeft aangevoerd, in haar reactie te kennen gegeven dat in het kader van de beoordeling of er nog gronden zijn voor een ondertoezichtstelling een indruk van het kinderverhoor van belang kan zijn en dat in het kader van de behandeling ter zitting na het verhoor van een minderjarige, kort dient te worden weergegeven wat diens standpunt inhoudt, zodat partijen de gelegenheid hebben daarop te reageren. In dit geval heeft de raadsheer ervoor gekozen haar indruk van het verhoor ter zitting kenbaar te maken, zodat partijen daarop ter zitting konden reageren.

8. Ten aanzien van de tweede grondslag heeft de raadsheer medegedeeld dat zoals te doen gebruikelijk de orde van de zitting bij het begin daarvan aan de aanwezigen kenbaar is gemaakt, waarbij onder meer is gewezen op de spreektijd van partijen en de mogelijkheid tot het maken van korte aanvullende opmerkingen na de (gebruikelijke) onderbreking van de zitting.

Mr. Tamas had vóór de onderbreking van de zitting reeds uitgebreid de tijd gekregen om zijn standpunt toe te lichten en te reageren op de stukken van de wederpartij, waarbij zijn betoog niet is afgebroken.

Na de onderbreking van de zitting beperkte mr. Tamas zich naar het oordeel van de raadsheer niet tot het maken van aanvullende opmerkingen, maar lichtte hij nogmaals het standpunt van [de moeder] uitgebreid toe, waarbij hij tevens een aantal nieuwe argumenten naar voren bracht, die hij ook in de eerste termijn naar voren had kunnen brengen. Ondanks een tweetal onderbrekingen bleef mr. Tamas uitgebreid aan het woord op een wijze die niet paste bij het maken van aanvullende opmerkingen.

Beoordeling van het wrakingsverzoek

9. De wrakingskamer overweegt als volgt. Ingevolge artikel 36 Rv kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De rechter moet volgens vaste jurisprudentie uit hoofde van zijn aanstelling worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

10. Er is volgens de wrakingskamer geen sprake van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

11. Door het geven van een indruk van het verhoor van de minderjarige is naar het oordeel van de wrakingskamer niet de schijn van vooringenomenheid gewekt..

Ingevolge het toepasselijke procesreglement wordt een minderjarige buiten de mondelinge behandeling gehoord en wordt van dat verhoor geen proces-verbaal opgemaakt. Dat de raadsheer er voor heeft gekozen om tijdens de mondelinge behandeling, naast een korte en zakelijke weergave van het verhoor van de minderjarige, tevens haar indruk van dat verhoor kenbaar te maken, levert naar het oordeel van de wrakingskamer geen objectieve aanwijzing op dat de raadsheer vooringenomen is. Het enkele weergeven van een indruk van het verhoor brengt nog niet met zich dat daarmee enig (positief of negatief) waardeoordeel omtrent (het standpunt van) de minderjarige of [de moeder] is gegeven.

12. Ten aanzien van de stelling van de advocaat van [de moeder] dat de raadsheer de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt omdat zij hem niet heeft laten uitspreken, overweegt de wrakingskamer als volgt.

Tot de taak van de voorzitter behoort het bewaken van de orde ter terechtzitting, waartoe ook de spreektijd van partijen behoort. Daaruit vloeit voort dat het aan de voorzitter is om te beoordelen of sprake is van omstandigheden waardoor de orde van zitting in het gedrang komt en om, indien hij dat nodig acht, in te grijpen.

Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 8 augustus 2012 heeft de voorzitter bij aanvang van de mondelinge behandeling aan partijen de orde van zitting medegedeeld. Tevens heeft zij partijen de gelegenheid gegeven om na de onderbreking nog afsluitende opmerkingen te maken.

Uit het proces-verbaal blijkt verder dat in de hoofdzaak het standpunt van [de moeder] vóór de onderbreking reeds (uitgebreid) door haar advocaat is toegelicht en dat deze zich na de onderbreking niet wilde beperken tot het geven van een reactie op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, maar ook nieuwe argumenten wilde aandragen.

Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft de raadsheer, als voorzitter ter zitting, door de advocaat van [de moeder] meermalen te onderbreken de noodzakelijke orde van zitting bewaakt, hetgeen onder deze omstandigheden niet kan leiden tot de objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid van de raadsheer.

13. Ook wanneer hetgeen door [de moeder] als wrakingsgronden is aangevoerd in onderling verband en samenhang wordt bezien, is naar het oordeel van de wrakingskamer geen sprake van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

14. Het vorenstaande brengt met zich dat het verzoek dient te worden afgewezen.

Beslissing

Het hof:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan (de advocaat van) [de moeder], alsmede aan Jeugdzorg en (de advocaat van) Ramlal, en de genoemde raadsheer;

Deze beslissing is gegeven op 5 september 2012 door mrs. A.L.G.A. Stille, J.J.J. Engel en C.M. le Clercq-Meijer, in aanwezigheid van de griffier.