Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX8421

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
200.096.608-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incident ex art. 347 lid 3 Rv; ontvankelijkheid tussentijds hoger beroep; toestemming rechtbank

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/456
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.096.608/01

Zaal-/rolnummer rechtbank : 340943 / HA ZA 09-2112

arrest van 18 september 2012

inzake

Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

appellante,

hierna te noemen: Nationale-Nederlanden,

procesadvocaat: mr. D. Knottenbelt te Rotterdam,

tegen

Van Bertens B.V.,

voorheen genaamd DAIV Vastgoed B.V.,

gevestigd te Tilburg,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Van Bertens,

procesadvocaat: mr. L.Ph.J. baron van Utenhove te ’s-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 12 oktober 2011 is Nationale-Nederlanden in hoger beroep gekomen van twee door de rechtbank ’s-Gravenhage tussen partijen gewezen tussenvonnissen van 17 maart 2010 en 20 juli 2011. Bij memorie van grieven heeft Nationale Nederlanden elf grieven aangevoerd. Vervolgens heeft DAIV een incidentele memorie tot (partiële) niet-ontvankelijkheid ex artikel 347 lid 3 Rv genomen. Daarop heeft Nationale Nederlanden een memorie van antwoord in het incident genomen.

Hierna hebben partijen de stukken overgelegd en arrest in het incident gevraagd.

Beoordeling van de incidentele vordering

1. In deze zaak moet – voor zover relevant in dit incident – van het volgende worden uitgegaan.

1.1. Partijen houdt – kort samengevat – verdeeld de vraag of op 26 juli 2007 een inbraak heeft plaatsgevonden in het bedrijfspand van Van Bertens en, indien dit het geval is, of Nationale-Nederlanden op grond van de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst gehouden is tot vergoeding van de schade (gelimiteerd tot het verzekerde bedrag).

1.2 Bij tussenvonnis van 17 maart 2010 heeft de rechtbank partijen toegelaten tot bewijslevering als omschreven in het vonnis en voorts een comparitie van partijen bevolen.

1.3 In het tussenvonnis van 20 juli 2011 heeft de rechtbank het voorgebrachte bewijs beoordeeld en gewaardeerd en vervolgens opnieuw een comparitie van partijen gelast.

1.4 Bij brief van 1 augustus 2011 heeft mr. S.E. Phoelich-Pontier de rechtbank verzocht Nationale-Nederlanden toe te staan tussentijds hoger beroep in te stellen tegen de tussen partijen gewezen tussenvonnissen van 17 maart 2010 en 20 juli 2011.

1.5 In reactie op dit verzoek heeft mr. R.B. Milo namens Van Bertens bij brief van 3 augustus 2011 de rechtbank verzocht het verzoek af te wijzen.

1.6 De rechtbank heeft bij brief van 8 augustus 2011 aan partijen kenbaar gemaakt dat het verzoek van Nationale-Nederlanden in volle omvang wordt ingewilligd onder de toevoeging: “Het is uiteraard aan het gerechtshof om een antwoord te geven op de vraag of deze nadere beslissing van de rechtbank meebrengt dat thans ook hoger beroep openstaat van het tussenvonnis van 17 maart 2010”.

1.7 Bij exploot van 12 oktober 2011 is Nationale-Nederlanden in hoger beroep gekomen van beide voornoemde tussenvonnissen.

2.1 In het onderhavige incident verzoekt Van Bertens het hof Nationale-Nederlanden niet ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep tegen het tussenvonnis van 17 maart 2010. Volgens Van Bertens had Nationale-Nederlanden aanstonds na het wijzen van dat vonnis om toestemming voor het instellen van tussentijds hoger beroep moeten verzoeken en niet eerst nadat beide partijen uitvoering hadden gegeven aan de in het vonnis door de rechtbank verstrekte bewijsopdrachten. Van Bertens acht het hoger beroep dan ook in strijd met een behoorlijke procesorde. Daarnaast ziet zij niet in dat de beide bestreden tussenvonnissen zodanig onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, dat beoordeling van het tussenvonnis van 20 juli 2011 niet mogelijk is zonder beoordeling van het tussenvonnis van 17 maart 2010.

Verder voert Van Bertens, onder verwijzing naar HR 23 januari 2004, NJ 2005, 510 en HR 17 december 2004, NJ 2005, 511, aan dat de hoofdregel van artikel 337 lid 2 Rv weliswaar uitzondering kan lijden indien wordt verzocht om toestemming voor het instellen van tussentijds hoger beroep, maar dat een dergelijk verzoek dan wel binnen de beroepstermijn dient te worden gedaan. Bovendien dient het hoger beroep binnen de beroepstermijn te worden ingesteld. De door de rechtbank gegeven toestemming voor het instellen van het hoger beroep bewerkstelligt volgens Van Bertens niet dat Nationale -Nederlanden alsnog ontvankelijk is in het tussentijds hoger beroep tegen het tussenvonnis van 17 maart 2010.

2.2 Nationale-Nederlanden heeft zich hiertegen verweerd, stellende dat de rechtbank toestemming heeft verleend voor het instellen van appel tegen de beide bestreden tussenvonnissen, het appel is ingesteld binnen drie maanden na het tweede tussenvonnis en zij op grond van de literatuur en jurisprudentie in appel ook mag opkomen tegen het eerste tussenvonnis.

3. Het hof is van oordeel dat Nationale-Nederlanden kan worden ontvangen in haar hoger beroep tegen het tussenvonnis van 17 maart 2010. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.1 In de onder het oude recht gewezen rechtspraak is de regel geformuleerd dat indien een tussenvonnis waarvan appel is uitgesloten wordt gevolgd door een tussenvonnis waarvan appel niet is uitgesloten, (tussentijds) hoger beroep openstaat tegen beide tussenvonnissen.

Deze regel, waarbij een eerdere uitspraak waarvan tussentijds appel was uitgesloten door een latere uitspraak van de rechter appellabel kan worden gemaakt, heeft naar het oordeel van het hof onder het huidige recht haar gelding behouden. Het hof verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2004 (NJ 2006, 229), waarin de Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank in haar tweede tussenvonnis (gewezen onder het huidige recht) mocht terugkomen van het in haar eerste tussenvonnis (gewezen onder het oude recht) uitgesproken verbod van tussentijds beroep en dat binnen de beroepstermijn van het tweede tussenvonnis kon worden opgekomen tegen beide tussenvonnissen.

3.2 In de onderhavige zaak was het instellen van tussentijds appel tegen het eerste tussenvonnis van 17 maart 2010 alsook tegen het tussenvonnis van 20 juli 2011– ingevolge artikel 337 lid 2 Rv – in beginsel niet mogelijk. Met haar naar aanleiding van het tweede tussenvonnis (desverzocht) gegeven beslissing van 8 augustus 2011 heeft de rechtbank deze mogelijkheid alsnog geboden. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen mocht Nationale-Nederlanden na deze beslissing binnen de beroepstermijn van het tweede tussenvonnis hoger beroep instellen tegen zowel het tweede als het eerste tussenvonnis. Nu het tweede tussenvonnis dateert van 20 juli 2011 en het appelexploot is uitgebracht op 12 oktober 2012, heeft Nationale-Nederlanden dit tijdig gedaan. Zij heeft hiermee (en overigens ook door binnen de beroeptermijn van het tweede tussenvonnis een verzoek tot het toestaan van tussentijds appel te doen) gehandeld in lijn met het bepaalde in HR 23 januari 2004, NJ 2005, 510 en HR 17 december 2004, NJ 2005, 511.

3.3 Het hof betrekt bij zijn oordeel ook de ratio van de in 3.1 genoemde regel die erin is gelegen dat zodra de continuïteit van de instantie toch is doorbroken omdat van een tussenvonnis tussentijds hoger beroep is opengesteld, het uit een oogpunt van proceseconomie van belang is dat een procespartij tegelijkertijd zijn bezwaren tegen eerdere tussenvonnissen aan de hogere rechter kan voorleggen, zodat de procedure niet te zeer versnipperd raakt in de hogere instantie. Wanneer thans een niet-ontvankelijkverklaring volgt zal Nationale-Nederlanden na het wijzen van het eindvonnis alsnog hoger beroep tegen het tussenvonnis van 17 maart 2010 kunnen instellen. Dit is, mede omdat het tweede tussenvonnis voortbouwt op het eerste tussenvonnis, althans niet geheel los daarvan kan worden gezien, om proceseconomische redenen niet wenselijk.

3.4 Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat Nationale-Nederlanden door het op dit moment instellen van het hoger beroep niet handelt in strijd met de goede procesorde. Zij had zonder de mogelijkheid van tussentijds hoger beroep immers haar bezwaren tegen het eerste tussenvonnis ook bij gelegenheid van het hoger beroep tegen het eindvonnis aan de orde kunnen stellen.

4. Een en ander leidt tot de conclusie dat de incidentele vordering van Van Bertens dient te worden afgewezen.

5. Als de in het incident in het ongelijk gestelde partij, zal Van Bertens worden veroordeeld in de kosten in dit incident. De kostenveroordeling zal – zoals Nationale-Nederlanden heeft gevorderd – uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Beslissing

Het hof:

in het incident:

- wijst de vordering van Van Bertens af;

- veroordeelt Van Bertens in de kosten van het incident, aan de zijde van Nationale-Nederlanden begroot op € 894,- aan salaris advocaat;

- verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak:

- verwijst de zaak naar de rol van 23 oktober 2012 voor het nemen van een memorie van antwoord aan de zijde van Van Bertens;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.Th. Van der Hoeven-Oud, M.M. Olthof en J.J. Roos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 september 2012 in aanwezigheid van de griffier.