Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX8352

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-07-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
200.085.166/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ6155, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:2049, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tijdens mediation bindende tussenafspraak tot stand gekomen ondanks vormgebrek? Beroep op geheimhouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2012-2517
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer: 200.085.166/01

Zaak-/rolnummer rechtbank: 356561 / HA ZA 10-120

arrest d.d. 24 juli 2012

inzake

[Appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. G.H.A. Versluis te Utrecht,

tegen

de Staat der Nederlanden, meer in het bijzonder het ministerie van Financiën, daarvan de Inspecteur der Belastingen te Randmeren,

zetelend te 's-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. W.I. Wisman te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 25 februari 2011 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank 's-Gravenhage, sector civiel recht tussen partijen gewezen vonnis van 26 januari 2011. Bij memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis heeft [appellant] drie grieven aangevoerd, alsmede zijn eis gewijzigd. Bij memorie van antwoord (met producties) heeft de Staat de grieven bestreden. Daarna heeft [appellant] een akte (met producties) genomen en de Staat een antwoordakte.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het bestreden vonnis in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.3 vastgestelde feiten zijn door partijen niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1 Tussen [appellant] en de inspecteur van de Belastingdienst te Randmeren (verder: de inspecteur) is – voor zover thans van belang – een geschil ontstaan met betrekking tot de waardering van het appartement aan de [adres] te [plaats] (verder: het appartement) en de in verband daarmee aan [appellant] opgelegde navorderingsaanslag 1998. Tegen de beslissing op bezwaar waarbij deze aanslag is gehandhaafd, heeft [appellant] beroep ingesteld bij de rechtbank Arnhem, sector bestuursrecht. Tijdens deze procedure hebben partijen met betrekking tot (onder meer) dit geschil een mediationovereenkomst (verder: de mediationovereenkomst) gesloten met R.E.L. van den Bosch, mediator te Zwolle (verder: de mediator).

2.2 In de overeenkomst is onder meer het volgende bepaald.

"2. NMI-reglement

Op deze mediation zijn de op het moment van ondertekenen van deze overeenkomst geldende regels van het Nederlands Mediation Instituut (NMI) van toepassing (…)

4. Regels van de mediation

De mediator en partijen zullen zich tenminste aan de regels van het NMI-reglement houden.(…)

4.2 Geheimhouding

- de mediation is vertrouwelijk, tenzij de mediator en partijen daarover schriftelijk andere afspraken maken. Ieder die geheel of gedeeltelijk bij een mediation aanwezig is verplicht zich tot geheimhouding. Deze geheimhouding geldt ten opzichte van elke derde, ook bijvoorbeeld ten opzichte van rechters of arbiters.

- (…)

- De mediator en de partijen spreken af elkaar niet als getuige over de mediation en het verloop ervan op te roepen.

(…)

4.4 Onverplichtheid

Partijen kunnen tijdens de mediation vrijuit mondeling en schriftelijk voorstellen doen of standpunten innemen zonder dat zij daardoor verplichtingen aangaan. Alleen schriftelijke overeenkomsten, die door beide partijen zijn ondertekend, kunnen nieuwe verplichtingen opleveren.

4.5 Afspraken

- Wanneer sprake is van tussentijdse afspraken worden partijen daardoor alleen gebonden indien deze afspraken schriftelijk worden vastgelegd, en daarbij staat vermeld dat partijen aan deze afspraak juridisch worden gebonden, ofwel pas tegelijk met de eindovereenkomst, ofwel ook al eerder. De mediator dient in dat geval "voor gezien" mee te tekenen.

- Wanneer de mediation eindigt met een overeenstemming wordt het resultaat schriftelijk vastgelegd. De mediator verstrekt partijen de nodige inlichtingen over het karakter van deze afspraken (bijvoorbeeld of sprake is van een vaststellingsovereenkomst).(…)"

2.3 In het NMI-reglement is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 5 – Vrijblijvendheid

Partijen kunnen niet worden gehouden aan de door hen tijdens de Mediation ingenomen standpunten en voorstellen alsmede de door hen aan de Mediator of aan de andere Partij gedane mededelingen, behoudens hetgeen tussen hen is overeengekomen in een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 14. Partijen kunnen van het vorenstaande afwijken indien en voor zover zij zulks uitdrukkelijk schriftelijk overeenkomen. (…)

Artikel – Geheimhouding

7.1 Partijen verbinden zich om aan derden – onder wie begrepen rechters of arbiters – geen mededelingen te doen omtrent het verloop van de Mediation-procedure, de daarbij door Partijen ingenomen standpunten, gedane voorstellen en de daarbij mondeling of schriftelijk, direct of indirect, door hen verstrekte informatie. (…)

Artikel 14 – Vastlegging van het resultaat van de Mediation

Bij het bereiken van een regeling in der minne wordt deze in een vaststellingsovereenkomst tussen Partijen vastgelegd.

Artikel 15 – Nakoming vaststellingsovereenkomst.

(…) In uitzondering op het gestelde in artikel 7 kan de door Partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst in een dergelijke procedure aan de Mediator, de rechter of arbiter(s) worden overgelegd.(…)"

2.4 Op 6 maart 2008 heeft een mediationgesprek plaats gevonden. De mediator heeft dit gesprek ten behoeve van partijen bij brief van dezelfde datum voor zover van belang aldus samengevat:

"Voor wat betreft het verschil van inzicht betreffende het jaar 1998 blijkt dat het alsnog nagaan of de taxatie van het appartement van de heer [appellant] geheel correct is gedaan een nieuw licht op de zaak te kunnen werpen. Bij een verschil, zal de belasting op basis van dat nieuwe feit worden herberekend.

[De inspecteur, hof] legt de dan te volgen procedure uit. (…) De heer [appellant] heeft nog dezelfde middag ingestemd met dit traject. (…)"

2.5 Op 3 april 2008 hebben partijen een zogenoemde "Vaststellingsovereenkomst waardering onroerende zaken" (verder: de overeenkomst) ondertekend. De overeenkomst is niet voor gezien getekend door de mediator. In de overeenkomst is onder meer bepaald:

"(…) [appellant] (…)

en

De inspecteur (…)

hebben een vaststellingsovereenkomst (conform artikel 7:900 Burgerlijk Wetboek) gesloten ter bepaling van de waarde in het economisch verkeer van de onroerende zaak (…) als grondslag voor de heffing van de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

De taxateur die optreedt namens de belastingplichtige en de taxateur die optreedt namens de Belastingdienst taxeren de onroerende zaak nadat deze overeenkomst is gesloten. (…)

Reden vaststellingsovereenkomst

De waarde van de onroerende zaak wordt vastgesteld om de volgende reden. De onroerende zaak wordt aangekocht door de Directeur-grootaandeelhouder. (…)

Voorwaarden

- De heer [appellant] bevestigt dat de gegevens in de bijgevoegde Opgaaf informatie taxatie onroerende zaak juist zijn. Deze opgaaf maakt deel uit van de vaststellingsovereenkomst.

- Als blijkt dat de gegevens in de Opgaaf informatie en taxatie onroerende zaak onjuist zijn, dan is de vastgestelde waarde ongeldig.

- De heer [appellant] neemt de kosten van de taxatie voor zijn rekening. Van de zijde van de Belastingdienst zijn er geen kosten aan verbonden.

- Het taxatierapport kan alleen gebruikt worden voor doeleinden gelegen tot drie maanden na de peildatum.

- Als de taxateurs het eens zijn over de waarde van de onroerende zaak, doet de belanghebbende afstand van rechtsmiddelen tegen de aanslag voor wat betreft de waardering van de onroerende zaak (…)

- Als de taxateurs het niet eens kunnen worden over de waarde van de onroerende zaak dienen de taxateurs ieder afzonderlijk een taxatieverslag in.

2.6 Bij brief van 28 juli 2008 schreef de inspecteur onder meer het volgende aan [appellant]:

"(…) Tijdens het gesprek onder leiding van de mediator hebben we afgesproken dat zal worden nagegaan of de taxatie van het pand [adres] geheel correct is gedaan. De afspraak was, dat een door u aan te wijzen taxateur gezamenlijk met een waardetaxateur van de Belastingdienst het pand opnieuw in ogen schouw zal nemen. U heeft de naam genoemd van de heer J. Hoksbergen. Van de kant van de Belastingdienst is de heer H. Schalke gevraagd op te treden als taxateur.

De heer J. Hoksbergen heeft samen met de heer H. Schalke op 18 juni 2008 het pand getaxeerd naar de waarde op 1 januari 1998. Zij zijn tot een waarde gekomen van fl. 400.000. Deze waarde hebben zij afgeleid uit de verkoop van het pand [adres] per 15 juli 2002. Daarbij hebben zij geen rekening gehouden met de omstandigheden waaronder het pand is verkocht. Op het pand lag beslag en om te voorkomen dat het pand via een veiling zou worden verkocht heeft vrijwillige verkoop plaatsgevonden waarbij zeker niet de maximaal haalbare prijs is overeengekomen. Als vergelijkingsobject kan het in 2002 verkochte pand niet dienen.

Bovendien is het voor mij onbegrijpelijk hoe de heer J. Hoksbergen als register Makelaar-taxateur in 1999 kan zeggen, dat een pand fl. 750.000 waard is en precies 9 jaar later hetzelfde pand naar de toestand per 1 januari 1998 waardeert op fl 400.000.

Ik kan dan ook geen vertrouwen ontlenen aan het op 19 juni 2008 uitgebrachte rapport. Ik ben van mening dat de indertijd gemaakte taxaties de juiste zijn. (…)"

2.7 Nadat de mediator aan de rechtbank Arnhem, sector bestuursrecht heeft laten weten dat de mediation niet tot een oplossing van het geschil heeft geleid, heeft de rechtbank de behandeling van het geschil voortgezet. Dit heeft geleid tot de uitspraak van 17 september 2009 waarbij de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard. Deze uitspraak is onherroepelijk geworden.

2.9 In eerste aanleg vorderde [appellant] een verklaring voor recht dat tussen hem en de inspecteur een overeenkomst bestaat die inhoudt dat de naheffingsaanslag zal worden bijgesteld conform een gelijktijdig met het mediationtraject verzorgde taxatie, welke taxatie op 18 juni 2008 is uitgebracht door de heren Hoksbergen en Schalke.

2.10 Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering van [appellant] afgewezen. De rechtbank overwoog daartoe dat tussen partijen niet in geschil is dat de toezegging of afspraak waarop [appellant] zich beroept dient te worden beoordeeld in het kader van de mediation. Volgens de rechtbank vormen de mediationovereenkomst en het NMI-reglement feitelijk een bewijsovereenkomst waarbij partijen het bewijs met betrekking tot het bestaan van afspraken hebben beperkt tot de in artikel 15 van het NMI-reglement bedoelde vaststellingsovereenkomst en mogelijk de in artikel 4.5 van de mediationovereenkomst bedoelde tussentijdse afspraken. Daarbij hebben partijen andere bewijsmiddelen, zoals bewijs door middel van het horen van getuigen en door andere dan de genoemde stukken, uitgesloten. Dit stond partijen vrij, omdat gesteld noch gebleken is dat het gaat om bewijs van feiten waaraan het recht gevolgen verbindt die niet ter vrije bepaling van partijen staan. Daarnaast geldt dat [appellant] de Staat niet kan houden aan toezeggingen die zijn gedaan tijdens de mediation. Partijen zijn immers overeengekomen dat zij alleen gebonden zijn aan de in artikel 15 van het NMI-reglement bedoelde vaststellingsovereenkomst en eventueel aan de conform artikel 4.5 van de mediationovereenkomst vastgestelde tussentijdse afspraken. Niet in geschil is dat een dergelijke vaststellingsovereenkomst/dergelijke afspraken niet tot stand zijn gekomen. Van strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dan wel onaanvaardbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is niet gebleken. Dat geldt ook voor het beroep van de Staat op de in de mediationovereenkomst overeengekomen geheimhoudingsplicht, aldus nog steeds de rechtbank.

3.1 In hoger beroep vordert [appellant] vernietiging van het bestreden vonnis en – na wijziging van eis en zakelijk weergegeven – een verklaring voor recht dat tussen [appellant] en de Staat een bindende overeenkomst tot stand is gekomen strekkende tot herberekening van de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1998, en veroordeling van de Staat tot herberekening van voornoemde aanslag aan de hand van de taxatie van het appartement door Schalke en Hoksbergen, dan wel conform een taxatie uitgevoerd door een tweetal taxateurs, waarvan één aangewezen door de Belastingdienst en één door [appellant], de herberekening c.q. wijziging in beide gevallen uit te voeren binnen twee weken na betekening van het arrest op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de kosten.

3.2 De grieven zijn gericht tegen de overwegingen die de rechtbank hebben gebracht tot afwijzing van de vorderingen. Zij lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.3 [appellant] is het niet eens met de vaststelling van de rechtbank dat niet in geschil is dat geen sprake is van een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 15 van het NMI-reglement, dan wel een overeenkomst als bedoeld in artikel 4.5 van de mediationovereenkomst. Weliswaar zijn gedurende het traject geen overeenkomsten opgesteld die strikt genomen voldoen aan alle formele vereisten van artikel 4.5: de overeenkomst is immers niet (voor gezien) getekend door de mediator, maar dat neemt niet weg dat de overeenkomst is gesloten met instemming van de mediator. Voor zover de overeenkomst geen eindovereenkomst zou zijn, stelt [appellant] zich op het standpunt dat partijen hebben beoogd tot met de overeenkomst tot een bindende tussentijdse overeenkomst zoals bedoeld in artikel 4.5 van de mediationovereenkomst te komen. Dat de mediator bekend was met de afspraken blijkt uit diens schrijven van 6 maart 2008. Materieel is dus voldaan aan het bepaalde in artikel 4:5 van de mediationovereenkomst. De Staat is ook krachtens het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel gebonden aan de gedane toezeggingen. Een beperkt vormgebrek als in casu aan de orde, behoort ingevolge artikel 3:13 BW niet te worden aanvaard. Voor zover de mediationovereenkomst zou moeten worden opgevat als een bewijsovereenkomst, zoals door de Staat bepleit, is een beroep op artikel 4.5 van de mediationovereenkomst, onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, aldus nog steeds [appellant].

3.4 Het hof overweegt als volgt.

Uit de mededeling van de mediator aan de rechtbank Arnhem, alsmede het ontbreken van een getekende eindovereenkomst als bedoeld in artikel 4.5 van de mediationovereenkomst, kan worden geconcludeerd dat de mediation niet met (eind)overeenstemming als bedoeld in artikel 4.5, tweede bullet is geëindigd. De vraag die daarom voorligt is of de overeenkomst wel is aan te merken als een juridisch bindende tussenafspraak als bedoeld in artikel 4.5, eerste bullet, ondanks het feit dat de mediator die afspraak niet "voor gezien" heeft ondertekend. Het hof is van oordeel dat met het bepaalde in de mediationovereenkomst, alsmede in het NMI-reglement is beoogd een duidelijk onderscheid te maken tussen de vertrouwelijke besprekingen, die partijen niet binden (de zogenoemde proefballonnen) en de afspraken waarvan het de bedoeling is dat deze partijen wel binden. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] de overeenkomst mogen opvatten als een afspraak uit de laatstbedoelde categorie, waarbij partijen (blijkens de daarin opgenomen voorwaarden) zijn overeengekomen dat de inspecteur – indien Hoksbergen en Schalke het eens zijn over de waarde van de onroerende zaak – die waarde als uitgangspunt zal nemen voor de aanslag en [appellant] alsdan afstand doet van rechtsmiddelen tegen die aanslag. Het hof leidt dit af uit de omstandigheid dat boven de (de door de belastingdienst opgestelde) overeenkomst met zoveel woorden is opgenomen dat het een "vaststellingsovereenkomst waardering onroerende zaken" betreft (wat zich slecht verhoudt met een proefballon) en in die overeenkomst de voorwaarden zijn opgenomen die hierbij gelden. Uit die voorwaarden blijkt evenmin dat sprake is van een proefballon, integendeel, daaruit blijkt dat de taxatie – indien de taxateurs het eens zijn – in ieder geval bindend is voor [appellant], in die zin dat hij afstand doet van rechtsmiddelen, hetgeen impliceert dat de aanslag conform die taxatie wordt vastgesteld. Dat partijen een herberekening conform taxatie tijdens de mediation zijn overeengekomen wordt ook bevestigd door de brief van 6 maart 2008 van de mediator waarin is vermeld: "alsnog [zal worden, hof] nagegaan of de taxatie van het appartement correct is gedaan (…) Bij een verschil, zal de belasting op basis van dat nieuwe feit worden herberekend.". Uit deze brief blijkt bovendien dat de mediator van de in de overeenkomst opgenomen afspraken op de hoogte was. De enkele omstandigheid dat onder de overeenkomst de handtekening van de mediator ontbreekt, kan in de gegeven omstandigheden waarbij de afspraak kennelijk wel de instemming van de mediator heeft, aan de verwachting van [appellant] omtrent het bindende karakter van die afspraak niet afdoen. Op het formulier is immers (door de belastingdienst) geen plaats ingeruimd voor een handtekening, terwijl gesteld noch gebleken is dat de inspecteur aan [appellant] heeft kenbaar gemaakt dat dit is gebeurd om te voorkomen dat van een bindende tussenafspraak als bedoeld in artikel 4.5 van de mediationovereenkomst sprake is. Dat sprake was van een standaardformulier maakt een en ander niet anders. Omstandigheden op basis waarvan moet worden geoordeeld dat de inspecteur in redelijkheid heeft kunnen menen dat geen sprake was van bindende afspraken, zijn door de Staat niet gesteld. Dit een en ander leidt tot het oordeel dat de Staat – ook krachtens het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel – is gebonden aan de overeenkomst. Met [appellant] is het hof voorts van oordeel, dat – voor zover de mediationovereenkomst is aan te merken als een bewijsovereenkomst in de door de Staat bedoelde zin – onder de gegeven omstandigheden een beroep op artikel 4.5 van die overeenkomst dan wel de geheimhoudingsplicht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en dus moet worden verworpen.

3.5 Het hof volgt de Staat niet in zijn standpunt dat de taxatie ongeldig is omdat [appellant] niet alle relevante informatie heeft verstrekt en heeft verzwegen dat zijn makelaar Hoksbergen het pand in 1999 heeft getaxeerd. Gesteld noch gebleken is immers dat deze informatie in de "Opgaaf informatie taxatie onroerende zaak" is gevraagd. Niet gebleken is dat anderszins niet aan de in de vaststellingovereenkomst opgenomen voorwaarden is voldaan. Onder die omstandigheden is de Staat in beginsel aan de vaststellingsovereenkomst gebonden.

3.6 Het standpunt van de Staat dat aan de overeenkomst geen behoorlijke uitvoering is gegeven wordt door het hof niet gedeeld. De enkele omstandigheid dat de taxateurs zich mogelijk onvoldoende hebben gerealiseerd dat in 2002 beslag op het pand ruste, hetgeen de verkoopwaarde zal hebben gedrukt, is onvoldoende om te oordelen dat de taxatie partijen niet kan binden. Dit klemt te meer nu gesteld noch gebleken is dat de inspecteur op enigerlei wijze een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van de juiste uitvoering van de taxatie, terwijl [appellant] zich bij voorbaat had vastgelegd zich neer te leggen bij de uitkomst van de taxatie – zowel in positieve als in negatieve zin – ingeval de taxateurs het eens waren. Aan bespreking van de inhoudelijke bezwaren tegen de taxatie komt het hof daarom niet toe.

3.7 Daar de Staat zijn in eerste aanleg gedane beroep op niet ontvankelijk heeft laten varen (zie MvA onder 6.3) behoeft dit verweer geen bespreking.

3.8 Dit betekent dat de grieven slagen en het bestreden vonnis dient te worden vernietigd. Opnieuw rechtdoende zal de primair door [appellant] gevraagde verklaring voor recht worden toegewezen. Tevens zal de Staat worden veroordeeld de naheffingsaanslag opnieuw vast te stellen binnen een termijn van zes weken. De gevorderde dwangsommen zullen eveneens worden toegewezen, nu hiertegen geen verweer is gevoerd. Bij deze uitkomst past dat de Staat wordt veroordeeld in de kosten van zowel de eerste aanleg als van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage, sector civiel recht van 26 januari 2011,

en opnieuw rechtdoende:

- verklaart voor recht dat tussen [appellant] en de Staat een bindende overeenkomst tot stand is gekomen strekkende tot herberekening van de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1998 aan de hand van door Hoksbergen en Schalke op 19 juni 2008 uitgevoerde taxatie;

- veroordeelt de Staat bovenbedoelde aanslag vast te stellen binnen zes weken na betekening van dit arrest op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag met een maximum van € 50.000,--;

- veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] tot op 26 januari 2011 begroot op € 85,98 aan explootkosten, € 262,-- aan griffierecht en € 768,-- aan salaris advocaat;

- veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 90,81 aan explootkosten, € 284,-- aan griffierecht en € 894,-- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, H.J.H van Meegen en M.J. van der Ven en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juli 2012 in aanwezigheid van de griffier.