Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX8107

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-05-2012
Datum publicatie
24-09-2012
Zaaknummer
BK-11/00415
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht van successie. Belanghebbende heeft gedurende de vijf jaren voorafgaande aan het overlijden van erflaatster met haar een gemeenschappelijke huishouding gevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2293
V-N 2012/53.18 met annotatie van Redactie
Belastingadvies 2012/22.9
FutD 2012-2409 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-11/00415

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer van 15 mei 2012

in het geding tussen:

[X], wonende te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/Rijnmond, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 juni 2011, AWB 07/9705 SUCCR, betreffende de hierna vermelde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is ambtshalve een aanslag in het recht van successie opgelegd met dagtekening 23 oktober 2007 naar een verkrijging in het jaar 2006 ten bedrage van € 400.000 met een vrijstelling van € 1.882 en toepassing van tariefgroep III, resulterend in een te betalen bedrag van € 221.737.

1.2. De aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur verminderd tot een naar een verkrijging van € 264.236 met handhaving van de overige elementen, resulterend in een te betalen bedrag van € 139.598.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar en de aanslag vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 966 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan hem vergoedt.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.1. Voor de mondelinge behandeling van de zaak ter zitting van het Hof van 14 februari 2012, gehouden te ’s-Gravenhage, is belanghebbende wel, doch de Inspecteur niet verschenen. De Inspecteur is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 25 november 2011 aan de Belastingdienst Rijnmond (Kantoor [P]), tav mevrouw [A], [adres], onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd op de zitting te verschijnen. Bij summier onderzoek ter zitting leek deze brief niet op voormeld adres te zijn afgeleverd. Het Hof heeft de zaak daarom aangehouden.

Bij nader onderzoek door de griffier is echter gebleken dat voormelde brief was gevoegd in de envelop met de uitnodiging van de Inspecteur voor de zitting van het Hof van 14 februari 2012 in de zaak met nummer BK-11/00330. De Inspecteur was wel ter zitting aanwezig voor behandeling van laatstvermelde zaak. Hieruit blijkt dat de envelop met de uitnodiging op het voormelde kantooradres van de Inspecteur is afgeleverd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.2.2. De tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 april mei 2012, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Op [dag en maand] 2006 is te [Z] overleden mevrouw [B] (hierna: erflaatster). Erflaatster was sedert [dag en maand] 1964 weduwe van haar echtgenoot [C], niet hertrouwd en in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) niet als partner geregistreerd. Bij testament van 27 september 2004, heeft erflaatster belanghebbende, “thans wonende te [0000 XX] [Z], [a-straat 1]”, tot haar enig erfgenaam benoemd.

3.2. Belanghebbende was per 26 november 1992 ingeschreven in de GBA op het adres [b-straat 1] te [Q] (als woonadres) en met ingang van 20 september 1994 op het adres [a-straat 1] te [Z] (als briefadres). Op laatstgenoemd adres was erflaatster ingeschreven vanaf 25 maart 1959 tot aan haar overlijden. Met ingang van 7 november 2007 heeft belanghebbende zijn inschrijving in het GBA op het adres [a-straat 1] te [Z] laten wijzigen in woonadres.

3.3. Uit een berekening van september 1994 van de Sociale Verzekeringsbank blijkt dat bij de berekening van de hoogte van de AOW-uitkering van erflaatster rekening is gehouden met het feit dat zij een partner had.

3.4. Voor de heffing van inkomstenbelasting en voor de zorgtoeslag heeft de desbetreffende inspecteur voor de jaren 2002 en 2004 het verzoek van erflaatster om toepassing van de alleenstaande-ouderenkorting geweigerd.

3.5. Belanghebbende heeft bij zijn bezwaar opgave gedaan van de omvang van de verkrijging door overlegging van een kopie-aangifte voor het recht van successie, gesteld op € 264.236. Hij heeft zich in die aangifte ‘fiscale partner van erflaatster’ genoemd en verklaard te voldoen aan de voorwaarden voor fiscaal partnerschap. Hij beroept zich op toepassing van het tarief en de vrijstelling voor een fiscale partner. Ook heeft hij om een kostenvergoeding gevraagd.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of belanghebbende moet worden aangemerkt als verkrijger in tariefgroep I dan wel als verkrijger in tariefgroep III. In het bijzonder is in geschil of belanghebbende kan worden aangemerkt als verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Successiewet 1956 (hierna: de Wet), welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend wordt beantwoord. In het geval deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is tussen partijen niet in geschil dat belanghebbende recht heeft op een vrijstelling van € 253.903, vermeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder 4o, letter e, van de Wet en het tarief als bedoeld in artikel 24, eerste lid, kolom I, van de Wet.

4.2. De Inspecteur stelt zich, naar het Hof begrijpt, op het standpunt dat:

1. de rechtbank de bewijslast onjuist heeft verdeeld door deze op de Inspecteur te leggen. Aangezien belanghebbende niet tijdig aangifte heeft gedaan, moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard.

2. de rechtbank geen aandacht heeft geschonken aan het in artikel 24, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet gestelde vereiste dat de verkrijger gedurende een aaneengesloten periode van tenminste vijf jaren in financieel-economische zin een gemeenschappelijke huishouding met erflaatster heeft gevoerd. Voorts is de rechtbank volgens de Inspecteur ten onrechte voorbijgegaan aan het arrest van de Hoge Raad van 17 maart 1993, nr. 28.801, BNB 1993/181.

4.3. Belanghebbende heeft de stellingen van de Inspecteur gemotiveerd betwist. Hij stelt sinds 1991 een gemeenschappelijke huishouding met erflaatster te hebben gevoerd.

4.4. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof verder naar de stukken van het geding.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van de Inspecteur strekt tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

5.2. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank en veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft in haar uitspraak het navolgende overwogen:

”4.1 De aanslag is opgelegd naar een verkrijging van € 400.000 met indeling van [belanghebbende] in tariefgroep III. Bij de vermindering van de aanslag heeft [de Inspecteur] de verkrijging kennelijk nader bepaald op € 264.236, overeenkomstig [belanghebbendes] opgave, met handhaving van de vrijstelling van € 1.882 en van indeling van [belanghebbende] in tariefgroep III, aldus uitkomend op een bedrag aan verschuldigde belasting van € 139.598 ( € 221.737 - € 82.139 ).

4.2 Ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet wordt onder verkrijger in tariefgroep I mede verstaan een verkrijger – niet zijnde de echtgenoot – die tot het tijdstip van het overlijden samen met de erflater na hun 22e jaar gedurende een aaneengesloten periode van tenminste 5 jaren een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd.

4.3 Omdat [belanghebbende] zich erop beroept als zodanig te worden aangemerkt en [de Inspecteur] dit bestrijdt, ligt het op de weg van [belanghebbende] aannemelijk te maken dat hij in elk geval vanaf augustus 2001 met erflaatster onafgebroken een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd.

4.4 De rechtbank acht [belanghebbende] hierin geslaagd. Zij neemt hierbij in aanmerking dat [belanghebbendes] verklaringen haar geloofwaardig voorkomen en worden ondersteund door:

- de vermelding van erflaatster in haar testament met betrekking tot [belanghebbendes] woonplaats, zie 2.1 hiervoor;

- [belanghebbendes] inschrijving vanaf september 1994 op het adres waar erflaatster reeds woonde en tot haar overlijden is blijven wonen;

- de berekening van de Sociale Verzekeringsbank voor de partnertoeslag als vermeld in 3.2;

- de keuze van [belanghebbende] en erflaatster om in elk geval vanaf 2002 tot aan haar overlijden voor de inkomstenbelasting als fiscaal partner te worden aangemerkt met vermelding van de woning in [Z] als eigen woning.

4.5 De rechtbank deelt niet het standpunt van [de Inspecteur] dat onomstotelijk vast moet komen staan, dat gedurende tenminste 5 jaren een gemeenschappelijke huishouding is gevoerd en dat [belanghebbende] hiervoor geen enkel bewijs heeft geleverd. Hoewel ook [belanghebbende] slecht heeft geprocedeerd, heeft [de Inspecteur] tegenover [belanghebbendes] geloofwaardige stellingen van zijn kant in geen enkel opzicht aannemelijk gemaakt dat [belanghebbende], gezien zijn inschrijving in [Z] met de vermelding briefadres, in de 5 jaren voorafgaand aan erflaatsters overlijden bij voorbeeld feitelijk in [Q] heeft gewoond. Na herhaald verzoek van de rechtbank heeft [de Inspecteur] bij brief van 24 januari 2011 gedeeltes uit de aangiftes voor de inkomstenbelasting van [belanghebbende] over de jaren 2002 t/m 2006 overgelegd, waaruit blijkt dat [belanghebbende] toen in elk geval [Z] als zijn woonplaats heeft vermeld. Uit het eveneens overgelegde gedeelte uit de aangifte voor de inkomstenbelasting van erflaatster over het jaar 2001 kan de rechtbank niet afleiden dat erflaatster zich in dat jaar als alleenwonend heeft aangemerkt, zoals [de Inspecteur] stelt. Een opgave van woonplaats van [belanghebbende] voor de inkomstenbelasting is voor dat jaar niet bekend, omdat [belanghebbende] volgens [de Inspecteur] over 2001 geen aangifte voor de inkomstenbelasting heeft gedaan.

4.6 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard en dient de aanslag te worden vernietigd nu [belanghebbendes] verkrijging minder bedraagt dan het bedrag van de vrijstelling die volgens artikel 32 van de Wet van toepassing is op een verkrijger als genoemd in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet (tekst 2006) wordt onder verkrijger in tariefgroep I verstaan een verkrijger – niet zijnde de echtgenoot – die tot het tijdstip van het overlijden samen met de erflater na hun 22e jaar gedurende een aaneengesloten periode van tenminste 5 jaren een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd.

7.2. Van een gemeenschappelijke huishouding in de zin van voormelde bepaling is sprake indien erflater en verkrijger een gemeenschappelijk hoofdverblijf hadden. Onder omstandigheden kan bij gebreke van een gemeenschappelijk hoofdverblijf niettemin een gemeenschappelijke huishouding aanwezig worden geacht, namelijk in het geval waarin in financieel-economisch opzicht sprake is van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding en de feitelijke situatie van een gemeenschappelijk hoofdverblijf zeer dicht wordt benaderd. Wel moet dan vaststaan dat het ontbreken van een gemeenschappelijk hoofdverblijf niet is toe te schrijven aan de wens van erflater en verkrijger ten opzichte van elkaar een zekere zelfstandigheid te bewaren, maar aan omstandigheden welke, objectief bezien, daartoe noopten (HR 17 maart 1993, nr. 28.801, BNB 1993/181).

7.3.1. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat op belanghebbende de last rust aannemelijk te maken dat hij gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vijf jaren voorafgaand aan het overlijden van erflaatster een gemeenschappelijke huishouding met haar heeft gevoerd.

7.3.2. Dit houdt in dat aan de door de Inspecteur bepleite omkering en verzwaring van de bewijslast wegens het niet of niet tijdig doen van de vereiste aangifte - wat daarvan ook zij - niet wordt toegekomen. Omkering en verzwaring van de bewijslast in de zin van artikel 27e, eerste lid, in verbinding met artikel 27j, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn immers onverbrekelijk met elkaar verbonden, in die zin dat verzwaring van de bewijslast slechts aan de orde kan zijn indien aanleiding bestaat de bewijslast om te keren. Ingeval, zoals ook hier, volgens de normale bewijsregels de bewijslast van een bepaald feit of bepaalde omstandigheid reeds op de belanghebbende rust, kan de bewijslast niet worden omgekeerd en kan de bewijslast evenmin worden verzwaard (vgl. HR 3 februari 2006, nr. 41 329, BNB 2006/204).

7.4.1. Het Hof acht belanghebbende in zijn bewijslast geslaagd. Het Hof neemt hierbij, naast de in onderdeel 3 vastgestelde feiten, het volgende in aanmerking. Belanghebbende heeft in zijn aangiften voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor de jaren 2003 tot en met 2006 de woning aan de [a-straat 1] te [Z] als eigen woning in de zin van het eigenwoningforfait aangemerkt. In zijn aangifte voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 heeft belanghebbende eenzelfde bedrag aan ‘huurwaarde eigen woning’ vermeld als in zijn aangifte voor het jaar 2003. Dit maakt aannemelijk dat de woning aan de [a-straat 1] te [Z] ook in 2002 als eigen woning van belanghebbende gold. Voorts heeft belanghebbende in de aangiften voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2003 tot en met 2005 gekozen voor fiscaal partnerschap. De door erflaatster in haar aangiften voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2002 en 2004 verzochte alleenstaande ouderenkorting is, na daaromtrent met de betreffende inspecteur gevoerde correspondentie, niet verleend. Aangenomen moet derhalve worden dat belanghebbende en erflaatster vanaf aanvang 2002 tot overlijdensdatum een gemeenschappelijke huishouding voerden. De omstandigheid dat de vraag “Huisgenoot of echtgenoot” in de aangifte voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2006 met “nee” is beantwoord maakt voormeld oordeel niet anders, omdat 2006 het jaar van overlijden van erflaatster was.

7.4.2. Uit een berekening van september 1994 van de Sociale Verzekeringsbank leidt het Hof af dat bij de berekening van de hoogte van de AOW van erflaatster rekening is gehouden met het feit dat zij een partner had. Belanghebbende heeft gesteld, en het Hof acht zulks aannemelijk, dat belanghebbende de desbetreffende partner van erflaatster was. Dat dit in de vijf jaren voorafgaande aan het overlijden van erflaatster anders zou zijn, is gesteld noch gebleken.

7.4.3. Op grond van het voorgaande komt het Hof tot de conclusie dat belanghebbende gedurende de vijf jaren voorafgaande aan het overlijden van erflaatster met haar een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd.

7.5. Gelet op het vorenoverwogene moet de aanslag worden verminderd tot een berekend naar een verkrijging van € 264.236 met toepassing van een vrijstelling van € 253.903 en het tarief van artikel 24, eerste lid, onder kolom I, van de Wet, derhalve tot 5 percent van € 10.333, ofwel € 516. De uitspraak van de rechtbank is derhalve onjuist en kan niet in stand blijven. In zoverre slaagt het hoger beroep van de Inspecteur.

Proceskosten

8.1.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.311 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (1 punt voor het verweerschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) à € 437 x 1,5 (gewicht van de zaak).

8.1.2. Daarnaast ziet het Hof in de omstandigheid dat de zitting van 14 februari 2012 moest worden aangehouden, omdat de Inspecteur zonder bericht niet is verschenen, terwijl het Hof is gebleken dat de uitnodiging voor die zitting wel ten kantore van de Inspecteur is uitgereikt, aanleiding om de Inspecteur te veroordelen in de integraal door belanghebbende ter zake van het verschijnen voor die zitting van zijn gemachtigde gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten op 3 uren à € 220,15 = € 660,45.

8.2. Nu de uitspraak van de rechtbank niet in stand blijft, wordt van de Inspecteur geen griffierecht geheven.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de beslissingen inzake de proceskosten en het griffierecht;

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

- vermindert de aanslag tot op € 516; en

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.971,45.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Chr.Th.P.M. Zandhuis, P.J.J. Vonk en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 15 mei 2012 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.