Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX7332

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
14-09-2012
Zaaknummer
200.084.956-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ingebrekestelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.084.956/01

Zaaknummer rechtbank : 363470 / HAZA 10-1317

arrest van 11 september 2012

inzake

[Naam],

[Naam],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. H.R. Flipse te Rotterdam,

tegen

[Naam] B.V.,

gevestigd te […],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J. Postma te Delft.

Het geding

Bij exploot van 31 januari 2011 zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank `s-Gravenhage, sector civiel recht, tussen partijen gewezen vonnis van 3 november 2010. Bij memorie van grieven met producties hebben [appellanten] zes grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

Vervolgens zijn de stukken overgelegd en is arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het vonnis van 3 november 2010 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende:

a. [appellanten] hebben in het laatste kwartaal van 2005 aan [geïntimeerde] opdracht gegeven – overeenkomstig haar offerte daartoe – tot het schilderen van het houtwerk van de woning [adres] te [plaats] (hierna: de woning) voor een bedrag van € 3.333,70. [geïntimeerde] heeft vervolgens werkzaamheden verricht.

b. Op of omstreeks 11 april 2006 hebben [appellanten] de woning verkocht aan […] (hierna: de koper). Nadien heeft levering plaatsgevonden.

c. Op 6 oktober 2006 heeft de koper [appellanten] aansprakelijk gesteld voor de slechte kwaliteit van het houtwerk. [appellanten] hebben deze kwestie met de koper geschikt voor een bedrag van € 4.750,-.

d. In een brief van 18 oktober 2006 van [appellant sub 1] aan [geïntimeerde] is onder meer het volgende vermeld:

“Vorig jaar oktober heeft u aan mijn toenmalige huis aan de [adres] te [plaats] [...] schilderwerk uitgevoerd aan de buitenkant en (deels) binnenkant voor een bedrag van ruim € 3.000,-. Op het schilderwerk aan de buitenkant heeft u mij (mondelinge) garantie gegeven; als ik mij goed herinner 5 jaar aan de voorzijde en 4 jaar aan de tuinzijde (vanwege zoninval aan die kant).

Mevrouw […] heeft het huis van mij gekocht eind mei j.l.; dat betekent ook dat de garantie op het schilderwerk naar haar overgaat. Ik zou het op prijs stellen als u haar dit kunt bevestigen.”

e. In reactie hierop heeft [geïntimeerde] [appellanten] op 24 oktober 2006 een brief gezonden, die zij in afschrift ook aan de koper heeft gestuurd. In de brief staat onder meer het volgende vermeld:

“Zoals ik u + 2 maanden geleden mondeling al beantwoord heb, dat ik, met het aannemen van het werk, met u afgesproken had dat het een opknapbeurt zou zijn en tijdens het werk, heb ik, u er nog opgewezen dat er op verscheidene lokaties slechts onderhoud was, wat wij wat opgelapt hebben (meer niet)

Ik heb toen ook duidelijk vermeld, geen garantie op het werk te geven

Uw antwoord, was toen.

Als het er maar netjes uitziet voor de verkoop.

Ik begrijp daarom niet, dat u mij een brief schrijft over garantie. Ik neem aan, nu ik u dit schrijf, dat u zich dat weer herinnerd. Mijn schilders kunnen zich, dit zelf ook nog herinneren.”

3. [appellanten] vorderen, samengevat, veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 4.750,-, subsidiair € 3.330,70, vermeerderd met rente en (expertise- en buitengerechtelijke) kosten, zulks op grond van toerekenbaar tekortschieten door [geïntimeerde] in zijn uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen.

4. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank deze vordering afgewezen. Daarbij is onder meer overwogen dat er geen verzuim is ingetreden. Voorzover [appellanten] zich hebben beroepen op onrechtmatig handelen door [geïntimeerde], acht de rechtbank dat beroep onvoldoende onderbouwd. Hiertegen richten zich de grieven.

5. Het hof overweegt als volgt.

6. Met hun eerste grief komen [appellanten] op tegen de weergave door de rechtbank van het procesverloop. De datum van het tussenvonnis is onjuist en enkele in het kader van de comparitie overgelegde stukken, worden niet vermeld. [geïntimeerde] brengt daartegen in dat deze stukken in eerste aanleg zijn geweigerd.

7. Naar het oordeel van het hof worden [appellanten] door de weergave van het procesverloop niet in hun belang geschaad. De verkeerde datum van het tussenvonnis – waarbij een comparitie is gelast – is een kennelijke schrijffout en heeft geen consequenties voor de genomen beslissing. In verband met de herstelfunctie van het hoger beroep, staat het partijen vrij om eventuele in eerste aanleg niet opgenomen (en volgens [geïntimeerde] geweigerde) stukken in hoger beroep alsnog over te leggen en in het geding te brengen. Als dat gebeurt, maken deze stukken alsnog deel uit van het procesdossier. Als de stukken niet (alsnog) worden overgelegd, maken zij echter geen deel uit van het procesdossier. Overigens is gesteld noch gebleken dat met deze stukken méér wordt beoogd dan in het hoger beroep is aangevoerd, zodat [appellanten] niet zijn benadeeld.

8. Met de tweede grief wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is geweest van een ingebrekestelling die aan de eisen van de wet voldoet. Daarbij verwijzen [appellanten] naar hun brief van 18 oktober 2006.

9. In deze brief valt echter geen ingebrekestelling ex artikel 6:82, eerste lid, BW te lezen. In de brief wordt gevraagd om aan de koper te bevestigen dat de gegeven garantie op het schilderwerk naar haar overgaat. Een aanmaning en een redelijke termijn voor nakoming ontbreken. Dat [geïntimeerde] – volgens [appellanten] – wist dat er discussie was over de kwaliteit van het schilderwerk, maakt dat niet anders.

10. [appellanten] hebben aangeboden om te bewijzen dat [geïntimeerde] de gelegenheid is gegeven om tot herstel over te gaan. Dit aanbod wordt gepasseerd omdat het niet deugdelijk is onderbouwd. Voor zover [appellanten] door middel van het horen van getuigen willen bewijzen dat is aangemaand, ligt het immers op hun weg om aan te geven welke aanmaning - anders dan de brief van 14 oktober 2006 - zij op het oog hebben. Voor zover [appellanten] beogen door middel van getuigenbewijs aan te tonen dat [geïntimeerde] mondeling de gelegenheid tot herstel is gegeven, kan dit [appellanten] niet kan baten, nu de wet vereist dat een ingebrekestelling schriftelijk geschiedt. Voor zover [appellanten] hebben bedoeld door middel van nadere schriftelijke stukken te bewijzen dat sprake is geweest van een ingebrekestelling, hadden zij deze stukken reeds in het geding kunnen en moeten brengen. Het hof ziet geen reden hen alsnog in de gelegenheid te stellen deze stukken in het geding te brengen.

11. De derde grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat door [geïntimeerde] niet is aangegeven dat zij (hoe dan ook) niet van plan was om aan een eventuele ingebrekestelling gevolg te geven. Daarbij wordt kennelijk gedoeld op het bepaalde in artikel 6:83 aanhef en onder c BW. In dit verband verwijzen [appellanten] naar de brief van [geïntimeerde] van 24 oktober 2006.

12. In de brief van 24 oktober 2006 heeft [geïntimeerde], in reactie op voormeld verzoek van [appellanten] om te bevestigen dat de garantie op de koper overgaat, geschreven dat destijds duidelijk zou zijn vermeld dat geen garantie werd gegeven op het schilderwerk. Uit een dergelijke ontkenning van een garantie kan niet worden afgeleid dat aanmaning nutteloos zou zijn. Overigens bepaalt artikel 6:82, tweede lid, BW dat, indien uit de houding van de schuldenaar blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn, de ingebrekestelling kan plaatsvinden door een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat hij voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld. Dat een dergelijke schriftelijke mededeling zou zijn gedaan, is gesteld noch gebleken, nu ook dat in de brief van 18 oktober 2006 niet is te lezen.

13. Met de vierde grief wordt opgekomen tegen de overweging van de rechtbank dat, kort gezegd, niet voor juist kan worden gehouden dat de cessie van een vordering meebrengt dat er niet meer voldaan behoeft te worden aan de wettelijke eisen, voordat verzuim intreedt. [appellanten] voeren aan dat van cessie geen sprake is, maar dat sprake is van een kwalitatief recht dat krachtens artikel 6:251 BW is overgegaan. Nu de koper, aldus nog steeds [appellanten], om haar moverende redenen ervoor heeft gekozen om [appellanten] aan te spreken en niet [geïntimeerde], zijn de aanspraken ex artikel 6:251 BW weer bij [appellanten] komen te liggen.

14. Aangenomen dat de beweerde vordering op [geïntimeerde] een kwalitatief recht als bedoeld in artikel 6:251 BW is, betekent dat nog niet dat in de verhouding tussen [appellanten] en [geïntimeerde] niet langer het vereiste van een ingebrekestelling heeft te gelden. [appellanten] spreken [geïntimeerde] immers aan wegens een tekortkoming in de nakoming van zijn verplichting uit een overeenkomst tot het verrichten van schilderwerkzaamheden, zodat aan de daaraan te stellen eisen moet worden voldaan. Daarenboven verdraagt deze stelling van [appellanten] zich niet met de essentie van een kwalitatief recht dat slechts degene die het goed toebehoort (in casu de koper) belang heeft bij het betreffende recht.

15. Met de vijfde grief wordt opgekomen tegen de overweging van de rechtbank waarbij een beroep op onrechtmatig handelen door [geïntimeerde] wordt afgewezen. Daarbij voeren [appellanten] aan dat [geïntimeerde] welbewust heeft getracht onduidelijkheid te scheppen en een wig te drijven tussen [appellanten] en de koper. Niet alleen heeft dat er toe geleid dat de koper zich heeft gewend tot [appellanten] en niet tot [geïntimeerde], ook is [appellanten] hierdoor opzettelijk in een kwaad daglicht geplaatst terwijl uit de offerte en de overige omstandigheden overduidelijk blijkt dat [geïntimeerde] in zijn verplichtingen tekort was geschoten. [appellanten] leggen daarbij met name de brief van 24 oktober 2006, die in afschrift aan de koper is gezonden, aan deze vordering uit onrechtmatige daad ten grondslag.

16. Zoals [geïntimeerde] terecht heeft aangevoerd, behelst de brief van 24 oktober 2006 met name de afwijzing van een verzoek van [appellanten] om te bevestigen dat een garantie is afgegeven. Daarbij is tevens vermeld er sprake was van slecht onderhoud dat door [geïntimeerde] is opgelapt en dat [appellanten] gezegd zou hebben “ als het er maar netjes uitziet voor de verkoop”. De omstandigheid dat [geïntimeerde] een andere visie op de contacten met [appellanten] heeft en deze visie ook ter kennis heeft gebracht aan koper, is niet van dien aard dat dit in de gegeven omstandigheden als onrechtmatig jegens [appellanten] moet worden aangemerkt. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

17. De zesde grief heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft derhalve geen bespreking.

18. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. [appellanten] zijn te beschouwen als de in het ongelijk gestelde partij. Zij zullen derhalve worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank `s-Gravenhage, sector civiel recht, van 3 november 2010;

- veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 649,- aan verschotten en € 632,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, H.J.H. van Meegen en J.C.N.B. Kaal en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 september 2012 in aanwezigheid van de griffier.