Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX7063

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
200.100.927/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Samenloop faillissementsverzoek en verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling. Schorsing hoger beroep tegen vonnis tot faillietverklaring in afwachting van beslissing rechtbank op toelatingsverzoek. Zie vonnis Rechtbank ’s-Gravenhage 25 juni 2012, LJN BW9910 en Gerechtshof ’s-Gravenhage 7 augustus 2012, LJN BX7064.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer: 200.100.927/01

Rekestnummer rechtbank: 392180/FT-RK 11.1051

arrest van 27 maart 2012

inzake

[Schuldenares] v.h.o.d.n. [Schuldenares] Transport,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [schuldenares],

advocaat: mr. R. Charité te Katwijk ZH,

tegen

Stichting Bedrijfstak Pensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de weg,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Stichting Bedrijfstakpensioenfonds,

advocaat: mr. G. Janssen te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij vonnis van de Rechtbank 's-Gravenhage van 17 januari 2012 is [schuldenares] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. R. Cats tot rechter commissaris en met aanstelling van mr. C.J. van der Linden, advocaat te Zwijndrecht, als curator. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 24 januari 2012, is [schuldenares] van voornoemd vonnis in hoger beroep gekomen en heeft zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen. Op 1, 22 en 23 februari 2012 is een aantal producties aan het hof toegezonden.

De curator heeft bij brief van 8 maart 2012 schriftelijk verslag uitgebracht aan het hof. Voorts heeft de curator bij brief van 20 maart 2012 een overzicht verstrekt van de door hem gemaakte (en tot en met de mondelinge behandeling nog te maken) kosten.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 maart 2012. Verschenen zijn:

[schuldenares], vergezeld van haar advocaat, mr. J.A. Trimbach, advocaat te De Meern, namens Stichting Bedrijfstakpensioenfonds en de curator voornoemd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank overwogen dat [schuldenares] op 3 mei 2011, 12 juli 2011, 13 september 2011 en 22 november 2011 in raadkamer is verschenen en gehoord. De rechtbank heeft de zitting van 22 november 2011 aangehouden tot 17 januari 2012 om haar in de gelegenheid te stellen een verzoekschrift ex artikel 284 en 285 Fw in te dienen. Ter zitting van 17 januari 2012 heeft [schuldenares] bij monde van haar advocaat verklaard dat schuldhulpverlening Westerbeek COD B.V. (hierna: Westerbeek) nog niet in staat is geweest om een verzoek ex artikel 284 en 285 Fw op te stellen. [schuldenares] heeft daarop verzocht om een aanhouding van 4 weken. De rechtbank heeft daarop geoordeeld dat tijdens de verstreken periode door Westerbeek onvoldoende is ondernomen om het verzoek wederom aan te houden, nu er na een periode van ruim 8 maanden nog geen minnelijk traject is opgestart dan wel een verklaring voor de wettelijke schuldsaneringsregeling ex artikel 284 en 285 Fw is ingediend, mede gelet op het feit dat normaliter een termijn van 10 weken voldoende is. Het komt de rechtbank voor dat [schuldenares] door Westerbeek te lang in het ongewisse is gelaten ten aanzien van het minnelijke traject, zodat onder deze omstandigheden het belang van de schuldeisers dient te prevaleren

Nu uit het verhandelde en ter terechtzitting besproken summierlijk is gebleken van omstandigheden welke aantonen dat de [schuldenares] in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen en van het vorderingsrecht van Stichting Bedrijfstakpensioenfonds,

heeft de rechtbank [schuldenares] in staat van faillissement verklaard.

2. De grieven van [schuldenares] kunnen als volgt worden samengevat. Vast staat dat het [schuldenares] niet is gelukt om via Weesterbeek binnen de termijn genoemd in artikel 3 Fw een verzoek in te dienen tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Hiervan kan [schuldenares] echter geen verwijt worden gemaakt. [schuldenares] heeft zelf, alsmede via haar advocaat, diverse malen bij het Budget Informatiepunt [woonplaats] als bij Westerbeek aangedrongen om zo spoedig mogelijk een dergelijk verzoek in te dienen. Dit met het oog op de het bij de rechtbank ingediende verzoek tot faillietverklaring. Het had in de rede gelegen dat de rechtbank de behandeling nogmaals had aangehouden om [schuldenares] in de gelegenheid te stellen een verzoek ex artikel 284 en 285 Fw bij de rechtbank in te dienen. Blijkens het overgelegde schrijven van Westerbeek van 17 februari 2012 heeft Westerbeek inmiddels, bij verzoekschrift van 16 februari 2012, namens [schuldenares] een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling bij de rechtbank ingediend.

4. Op basis van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting overweegt het hof als volgt. Gebleken is dat [schuldenares] inmiddels een verzoek ex artikel 284 Fw bij de rechtbank heeft ingediend. Ingevolge artikel 3a Fw komt bij het gelijktijdig aanhangig zijn van een verzoek tot faillietverklaring en een verzoek tot het uitspreken van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling eerst het laatste in behandeling.

Art. 3a Fw heeft echter naar zijn bewoordingen uitsluitend betrekking op het geval dat een vordering of verzoek tot faillietverklaring en een verzoek tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling gelijktijdig in eerste aanleg aanhangig zijn. Er bestaat geen grond art. 3a lid 2 Fw aldus uit te leggen, dat deze bepaling tevens van toepassing is in het geval dat een verzoek tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling eerst is ingediend hangende het door de verzoeker tegen zijn faillietverklaring ingediende hoger beroep (vgl. onder meer HR 18 februari 2000 NJ 2000, 296).

Nu [schuldenares] het verzoekschrift als bedoeld in art. 284 Fw na het door de rechtbank uitgesproken faillissement heeft ingediend is het hof niet verplicht op de voet van art. 3a lid 2 Fw de behandeling van het hoger beroep tegen de faillietverklaring te schorsen. Dit laat echter onverlet dat het hof wel bevoegd is om, voor zover de in faillissementszaken vereiste spoed dat toelaat, zijn beslissing wel op die van de rechtbank over het WSNP-verzoek “af te stemmen” (vgl. conclusie AG Huydecoper sub 19-25 bij HR 2 oktober 2009, LJN: BJ6023). Vanwege de door de wetgever beoogde voorrang voor de schuldsanering boven faillissement, de referte van de zijde van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds (behoudens ten aanzien van de proceskosten) zal het hof de behandeling van het beroep schorsen tot door de rechtbank op het WSNP-verzoek is beslist.

Beslissing

Het hof:

- schorst de behandeling van het hoger beroep tegen de faillietverklaring totdat bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak is beslist op het door [schuldenares] bij de Rechtbank ’s-Gravenhage ingediende verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling;

- bepaalt dat de behandeling bij dit hof wordt aangehouden tot 26 juni 2012 Pro Forma.

Dit arrest is gewezen door mrs. R. van der Vlist, R.S. van Coevorden en G.M.C.C. Bruijninckx en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 maart 2012 in aanwezigheid van de griffier.