Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX6993

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
17-09-2012
Zaaknummer
200.105.979-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing zeven minderjarigen. Hof ziet aanleiding termijn te bekorten: na het lopende onderzoek dient zo snel mogelijk duidelijkheid te komen omtrent het perspectief van de zeven kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 11 juli 2012

Zaaknummer : 200.105.979/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 12-53

1. [de moeder],

hierna te noemen: de moeder, en

2. [de vader],

hierna te noemen: de vader,

beiden wonende te [woonplaats],

verzoekers in hoger beroep,

hierna te noemen: de ouders,

advocaat mr. V. Kuit te Amsterdam,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te Dordrecht,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland te Dordrecht,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De ouders zijn op 27 april 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 1 februari 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Dordrecht.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de ouders:

- op 23 mei 2012 een brief van 21 mei 2012 met bijlagen.

Van de zijde van de raad is bij het hof op 11 mei 2012 een brief van 10 mei 2012 ingekomen, waarbij is medegedeeld dat de raad ter terechtzitting zal verschijnen.

De zaak is op 6 juni 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de ouders, bijgestaan door hun advocaat, alsmede door de heer [naam], tolk in de Somalische taal, die ter terechtzitting de belofte heeft afgelegd;

- mevrouw [naam] namens de raad;

- de heer [naam] (gezinsvoogd van [minderjarige I], [minderjarige II], [minderjarige IV] en [minderjarige V]), mevrouw [naam] (gezinsvoogd van [minderjarige III], [minderjarige VI] en [minderjarige VII]) en de heer [naam] (teamleider) namens Jeugdzorg.

De hierna te noemen minderjarige [minderjarige I] is in raadkamer gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking zijn de minderjarigen:

- [naam], geboren op [geboortedatum in] 2000 te [geboorteplaats], [buitenland] (hierna ook: [minderjarige I]),

- [naam], geboren op [geboortedatum in] 2001 te [geboorteplaats], [buitenland] (hierna ook: [minderjarige II]),

- [naam], geboren op [geboortedatum in] 2002 te [geboorteplaats], [buitenland] (hierna ook: [minderjarige III]),

- [naam], geboren op [geboortedatum in] 2004 te [geboorteplaats], [buitenland] (hierna ook: [minderjarige IV]),

- [naam], geboren op [geboortedatum in] 2005 te [geboorteplaats], [buitenland] (hierna ook: [minderjarige V]),

- [naam], geboren op [geboortedatum in] 2008 te [geboorteplaats] (hierna ook: [minderjarige VI]), en

- [naam], geboren op [geboortedatum in] 2011 te [geboorteplaats] (hierna ook: [minderjarige VII]),

onder toezicht gesteld van 1 februari 2012 tot 1 februari 2013, met benoeming van Jeugdzorg om de ondertoezichtstelling uit te voeren. Voorts heeft de kinderrechter Jeugdzorg gemachtigd om de hiervoor genoemde minderjarigen voor dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een zorgaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de uithuisplaatsing van de minderjarigen voor de periode van 1 februari 2012 tot 1 februari 2013 in een accommodatie van een zorgaanbieder.

2. De ouders verzoeken de bestreden beschikking te vernietigen (het hof leest, voor zover deze de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen betreft) en, in zoverre opnieuw beschikkende, primair het inleidend verzoek van de raad af te wijzen voor zover daarbij een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen is verleend en hen weer aan de ouders toe te vertrouwen, althans die machtiging te beëindigen en de minderjarigen aan de ouders toe te vertrouwen binnen een door het hof vast te stellen termijn.

Subsidiair verzoeken de ouders, indien het hof het nodig oordeelt alvorens hun verzoek te honoreren, ter (her)beoordeling van het raadsonderzoek een deskundige te benoemen en de behandeling van het hoger beroep aan te houden.

3. De ouders kunnen zich niet verenigen met de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen. Zij voeren daartoe, kort weergegeven, het volgende aan. De noodzaak tot uithuisplaatsing van de minderjarigen heeft volledig ontbroken en ontbreekt nog steeds. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat er ernstige zorgen zijn over de veiligheid van alle kinderen in het gezin omdat niet duidelijk is of de letsels, verwondingen en littekens van de minderjarigen het gevolg zijn van mishandeling of ongelukjes. De oudste dochter van partijen (eveneens uit huis geplaatst) heeft verklaard dat zij en haar broertjes en zusjes stelselmatig door de ouders zijn mishandeld, onder meer door stokslagen en het toebrengen van brandwonden, maar de ouders ontkennen met klem dat zij de minderjarigen ooit hebben mishandeld. Aangezien mishandelingen niet hebben plaatsgevonden casu quo niet aannemelijk zijn gemaakt is er geen noodzaak om de minderjarigen uit huis te plaatsen. De andere genoemde zorgpunten met betrekking tot de minderjarigen, zoals de beheersing van de Nederlandse taal, leervermogens en in sommige gevallen hun gedrag rechtvaardigen evenmin een uithuisplaatsing. De ouders achten de beslissing tot uithuisplaatsing in strijd met artikel 8 EVRM. De ouders zijn bereid mee te werken aan alle onderzoeken, observaties en trainingen die door Jeugdzorg geïndiceerd zijn en staan ook open voor opvoedkundig advies. De ouders stellen dat de maatregel van uithuisplaatsing zwaarder is dan de omstandigheden rechtvaardigen.

4. De raad heeft op 16 januari 2012 een rapport opgemaakt waarin geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling van de minderjarigen ernstig wordt bedreigd. In een tweede rapport van 18 januari 2012 stelt de raad zich op het standpunt dat er een noodzaak is tot uithuisplaatsing van de minderjarigen. Ter terechtzitting heeft de raad toegelicht zich ernstig zorgen te maken over de veiligheid van alle kinderen in het gezin, gezien de meldingen van het AMK en de verklaringen van de gehoorde personen, waaronder de oudste dochter van partijen. Omdat het AMK aangifte van mishandeling heeft gedaan bij de politie is er onderzoek ingesteld naar de vraag of de letsels, verwondingen en littekens die de kinderen hebben, het gevolg zijn van mishandeling door de ouders of van ongelukjes. De raad meent dat dit onderzoek, dat naar verwachting medio juni 2012 afgerond zal zijn, in het belang van de minderjarigen dient te worden afgewacht. Afhankelijk van de onderzoeksresultaten zullen de ouders al dan niet strafrechtelijk worden vervolgd en zolang daarover geen duidelijkheid bestaat kan de thuissituatie bij de ouders voor de minderjarigen vooralsnog niet als veilig worden aangemerkt. Bovendien lijken de ouders en de minderjarigen volgens de raad sociaal wenselijk gedrag te vertonen en is er niet tot nauwelijks zicht op de opvoedkundige vaardigheden van de ouders. De raad stelt dan ook dat de uithuisplaatsing vooralsnog moet worden gehandhaafd.

5. Jeugdzorg deelt de mening van de raad en stelt dat de resultaten van het onderzoek afgewacht moeten worden alvorens een beslissing kan worden genomen over het toekomstperspectief van de minderjarigen. Ter terechtzitting heeft Jeugdzorg verklaard dat een eigen onderzoek niet mogelijk is tijdens studioverhoren. Jeugdzorg stelt dat een pasklaar beleid ten aanzien van de minderjarigen pas mogelijk is zodra de uitkomst van het onderzoek helder is.

6. Het hof overweegt als volgt. Een machtiging tot uithuisplaatsing zoals bedoeld in artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek mag slechts worden verlengd indien de wettelijke gronden daarvoor nog steeds aanwezig zijn. Het hof zal derhalve dienen te onderzoeken of de uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen of tot onderzoek van hun geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

7. Hoewel de ouders ontkennen de minderjarigen ooit te hebben mishandeld zijn bij de minderjarigen tot op heden onverklaarbare letsels, verwondingen en littekens geconstateerd. Een onderzoek naar de oorzaak daarvan en het mogelijke aandeel daarin van de ouders zal naar verwachting medio juni 2012 worden afgerond. Het hof deelt de visie van de raad en Jeugdzorg dat het, gelet op de ernst van hetgeen uit de stukken naar voren is gekomen, noodzakelijk is de uitkomsten van dat onderzoek af te wachten. Het hof betrekt hierbij dat de onderzoeksresultaten binnen afzienbare tijd beschikbaar zullen zijn.

8. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Het hof is daarbij van oordeel dat er gronden zijn om de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen te bekorten. Na de afronding van het onderzoek dient er naar het oordeel van het hof zo spoedig mogelijk duidelijkheid te komen over het perspectief van de minderjarigen, mede gelet op de leeftijd van de jongste minderjarigen en de hechtingsfase waarin zij verkeren. Indien de aantijgingen jegens de ouders onvoldoende grondslag blijken te hebben dient Jeugdzorg zo spoedig mogelijk een terugplaatsingtraject in gang te zetten, dan wel zo nodig in het kader van een verzoek om verlenging gemotiveerd en voor iedere minderjarige apart aan te voeren waarom verlenging noodzakelijk is en terugplaatsing van de minderjarige(n) bij de ouders vooralsnog niet tot de mogelijkheden behoort. Het is in het belang van alle betrokkenen dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt over de toekomst. Het hof ziet in het vorenstaande aanleiding om de duur van de verleende machtigingen tot uithuisplaatsing te bekorten tot 1 oktober 2012.

9. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij de duur van de machtiging tot uihuisplaatsing van de minderjarigen in een accommodatie van een zorgaanbieder is bepaald tot 1 februari 2013 en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een accommodatie van een zorgaanbieder wordt verleend tot 1 oktober 2012;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan ’s hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Haan-Boerdijk, Van Leuven en Van Montfoort, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juli 2012.