Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX6969

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-08-2012
Datum publicatie
10-09-2012
Zaaknummer
200.068.048/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet financieel toezicht (Wft). Handelen als plaatsingsagent zonder vergunning ex artikel 2:96 Wft en zonder hantering van een goedgekeurde prospectus (artikel 5:2 Wft)?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.068.048/01

Rolnummer rechtbank : 317788 / HA ZA 08-2754

arrest van 14 augustus 2012

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats], [land],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te 's-Gravenhage,

tegen

1. ARCH HILL CAPITAL N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

hierna te noemen: Arch Hill respectievelijk [geïntimeerde sub 2], tezamen: Arch Hill c.s.,

advocaat: mr. J.A. Huijgen te 's-Gravenhage.

1. Het geding

Bij exploot van 17 mei 2010 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank

's-Gravenhage tussen partijen gewezen vonnis van 17 februari 2010. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] negen grieven aangevoerd, die door Arch Hill c.s. bij memorie van antwoord zijn bestreden. Partijen hebben hun zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. J. Mouthaan en mr. A. Nagy, advocaten te Amsterdam, Arch Hill c.s. door mr. J.A. Huijgen en mr. G.J. Brugman, advocaten te 's-Gravenhage. Partijen hebben de pleitnota's overgelegd en arrest gevraagd.

2. Beoordeling van het hoger beroep

2.1 De door de rechtbank in haar vonnis onder 2.1-2.4 vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet bestreden. Ook het hof gaat van die feiten uit.

2.2 [appellant] klaagt er over - voorafgaande aan de genummerde grieven - dat de rechtbank de feiten te summier heeft weergegeven. Die klacht kan buiten verdere bespreking blijven, aangezien het hof met de voor zijn beslissing van belang zijnde feiten rekening zal houden.

2.3 Het gaat in deze zaak om het volgende:

- [appellant], een ervaren en vermogend zakenman, is een relatie van Fidessa N.V. (verder: Fidessa).

- Fidessa, een dochter van Fidessa Asset Management S.A. te Luxemburg, verleent als zogenoemd family office financiële diensten aan vermogende families, onder meer betreffende beleggingen.

- [X] (verder: [X]) is partner/directeur van Fidessa.

- Fidessa heeft, bij monde van [X], [appellant] gewezen op de mogelijkheid om te investeren in (rechten op) aandelen in Lithium Technology Corporaton (verder: LTC).

- LTC is een in Delaware, USA, gevestigde onderneming waarvan de gewone aandelen worden verhandeld op de Amerikaanse NASDAQ-beurs. LTC houdt zich bezig met de ontwikkeling en productie van (cellen voor) oplaadbare lithium-ion-batterijen.

- Nadat [appellant] interesse in een mogelijke investering in (rechten op) aandelen LTC had getoond, heeft hij daarover mondelinge en schriftelijke contacten gehad met [X], [geïntimeerde sub 2] en (andere) personen behorende tot de leiding van LTC.

- [geïntimeerde sub 2] was destijds voorzitter van de board of directors van LTC.

- [geïntimeerde sub 2] was voorts indirect enig bestuurder van Arch Hill.

- Arch Hill is een investeringsmaatschappij waarin hoofdzakelijk Nederlandse informal investors deelnemen. Arch Hill is (indirect) meerderheidsaandeelhouder van LTC. In oktober 2007 was dat belang 54%.

- Op 25 oktober 2007 is tussen LTC en Arch Hill enerzijds en [appellant] anderzijds een door Amerikaans recht beheerste geheimhoudingsovereenkomst gesloten.

- Op 29 november 2007 heeft [appellant] 20.000 nieuw uit te geven converteerbare aandelen LTC gekocht voor $ 5 miljoen. Die aandelen konden op termijn, mits aan de daarvoor gestelde voorwaarden werd voldaan, worden omgewisseld in 50 miljoen gewone aandelen LTC. Op deze koopovereenkomst is het recht van de staat New York toepasselijk.

- Op of omstreeks 29 november 2007 heeft [appellant] voorts gekocht, direct of indirect van:

- [X] "c.s." 30 miljoen gewone aandelen LTC, voor $ 1,5 miljoen;

- [Y], een relatie van Fidessa, 10 miljoen gewone aandelen LTC, voor $ 0,5 miljoen.

- Op of omstreeks 29 november 2007 heeft [appellant] - kennelijk zonder (afzonderlijke ) betaling daarvoor - 10 miljoen rechten op gewone aandelen LTC verkregen van de Stichting Gemeenschappelijk Bezit LTC, zijnde een door Arch Hill bestuurde stichting. Die rechten op aandelen zijn nadien vervangen door rechtstreeks door [appellant] gehouden gewone aandelen LTC.

2.4 [appellant] beschouwt de aankoop van de converteerbare en gewone aandelen LTC als een misinvestering en acht in elk geval Arch Hill en [geïntimeerde sub 2] daarvoor aansprakelijk. De oorspronkelijke vordering van [appellant], inhoudende de hoofdelijke veroordeling van Arch Hill c.s. tot betaling aan hem van $ 7 miljoen (welk bedrag gelijk is aan het totaal van de koopsommen), te vermeerderen met rente en kosten, heeft de rechtbank met passering van de aansprakelijkheidsvraag afgewezen op gronden van schadevergoedingsrecht (ontbreken van causaal verband en eigen schuld).

2.5 In hoger beroep heeft [appellant] zijn vordering gewijzigd. Naast verklaringen voor recht vordert hij hoofdelijke veroordeling van Arch Hill c.s. tot betaling van primair $ 7 miljoen, onvoorwaardelijk, subsidiair $ 7 miljoen, tegen overdracht van alle door hem gehouden aandelen LTC, meer subsidiair de door [appellant] geleden schade, op te maken bij staat, uiterst subsidiair een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag.

2.6 Het hof zal - betreffende de eerste vier grieven - beoordelen of Arch Hill en [geïntimeerde sub 2] onrechtmatig jegens [appellant] hebben gehandeld. [appellant] heeft daartoe - verkort weergegeven - aangevoerd:

(i) Arch Hill is als plaatsingsagent/begeleider van de plaatsing/bemiddelaar - verder aan te duiden als plaatsingsagent - opgetreden zonder over de ingevolge de Wet op het financieel toezicht (hierna Wft) vereiste vergunning te beschikken.

(ii) Arch Hill heeft verzuimd een op grond van de Wft vereist prospectus op te stellen, althans verzuimd LTC er op te wijzen dat haar aanbod van aandelen niet aan de vereisten voldeed omdat er geen door de AFM goedgekeurde prospectus verkrijgbaar was.

(iii) Arch Hill heeft onvolledige, onjuiste en misleidende informatie over LTC verstrekt.

(iv) [geïntimeerde sub 2] treft in dezen, mede vanwege de kennis die hij als bestuurder van LTC had, persoonlijk een ernstig verwijt.

ad 2.6 sub (iii): onrechtmatigheid wegens het verstrekken van onjuiste mededelingen?

2.7 [appellant] heeft bij pleidooi aangevoerd dat aan zijn vordering niet (meer) de stelling ten grondslag ligt dat [geïntimeerde sub 2] onjuiste mededelingen namens LTC heeft gedaan.

2.8 Het gaat derhalve om het verwijt van [appellant] dat [geïntimeerde sub 2], handelend voor Arch Hill, mondeling en schriftelijk onjuiste informatie (waaronder steeds mede te verstaan: onvolledige en misleidende informatie) heeft verschaft die voor de beslissing van [appellant] om aandelen LTC te kopen van belang was.

2.9 Het verweer van Arch Hill en [geïntimeerde sub 2] daartegen komt op het volgende neer:

- De mededelingen die [geïntimeerde sub 2] schriftelijk en mondeling aan [appellant] heeft verstrekt, zijn geen mededelingen van Arch Hill, maar mededelingen van LTC.

- Voor de mededelingen die afkomstig zijn van het management van LTC, zijn Arch Hill en [geïntimeerde sub 2] niet aansprakelijk.

- De betekenis van de mededelingen voor [appellant] kan niet los worden gezien van (i) artikel 5.5 van de overeenkomst tussen LTC en [appellant] betreffende de aankoop van de converteerbare aandelen, in welke bepaling staat dat [appellant] voldoende in de gelegenheid is gesteld om zich te informeren, (ii) artikel 6 van de geheimhoudingsovereenkomst ("The Confidential Information has been supplied at your company's (hof: [appellant]) request and without verification and neither the Company (hof: LTC) nor Arch Hill Capital make any representation or warranty as to the accuracy or completeness of the Confidential Information, and your company agrees that neither the Company nor Arch Hill Capital nor any of their respective directors, employees, advisers and agents shall have any liability to your company resulting from the use of Confidential Information.") en (iii) de paragraaf Attention all investors bij het Executive Summarry van het Business Plan, welke passage onder meer inhoudt dat voorspellingen geen garanties voor de toekomst inhouden.

- De mededelingen waren niet onjuist.

2.10 In het bijzonder in aanmerking nemende dat de feitelijk van [geïntimeerde sub 2] afkomstige

e-mailberichten als volgt ondertekend waren: "[naam geintimeerde sub 2], CEO Arch Hill Capital N.V." is uitgangspunt dat [appellant] onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft mogen aannemen dat de in die berichten gedane mededelingen, mededelingen van Arch Hill waren en dat mondelinge mededelingen van [geïntimeerde sub 2] met betrekking tot hetzelfde onderwerp, eveneens als mededelingen van Arch Hill hebben te gelden. Op dat uitgangspunt dient uitzondering te worden gemaakt indien - zoals Arch Hill en [geïntimeerde sub 2] als verweer voeren - het voor [appellant] op grond van uitlatingen van [geïntimeerde sub 2] duidelijk was dat [geïntimeerde sub 2] namens LTC optrad. Tot dat tegenbewijs zouden Arch Hill en [geïntimeerde sub 2] kunnen worden toegelaten, ware het niet dat de onderhavige grondslag van de vordering (2.6 sub iii) reeds anderszins ongenoegzaam is, hetgeen uit het navolgende blijkt.

2.11 De enkele omstandigheid dat Arch Hill stukken afkomstig van (het management van) LTC aan [appellant] deed toekomen, maakt niet dat die stukken hebben te gelden als mededelingen waarvan de inhoud mede afkomstig was van Arch Hill, noch dat Arch Hill de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de inhoud van die stukken heeft aanvaard.

2.12 Het stond Arch Hill jegens [appellant] echter niet vrij om stukken afkomstig van (het management van) LTC aan [appellant] te doen toekomen waarvan zij (met name [geïntimeerde sub 2]) wist of behoorde te weten dat de inhoud daarvan onjuist was en [appellant] daardoor misleid zou kunnen worden bij zijn beslissing om aandelen in LTC te verwerven.

2.13 Van relevante onjuiste mededelingen waarvoor Arch Hill en [geïntimeerde sub 2] aansprakelijk kunnen zijn, is geen sprake voor zover [appellant] bij het betrachten van het in redelijkheid van hem te vergen onderzoek had kunnen weten dat die informatie onjuist was. Hetzelfde geldt voor informatie over toekomstverwachtingen waarvan [appellant] in redelijkheid heeft moeten begrijpen dat die verwachtingen ook wel eens niet zouden kunnen uitkomen.

2.14 De onder 2.9, derde gedachtestreepje, vermelde bepalingen doen geen afbreuk aan hetgeen naar toepasselijk Nederlands recht ook zonder die bedingen tussen [appellant] en Arch Hill geldt. Voor zover artikel 6 van de geheimhoudingsovereenkomst meebrengt dat Arch Hill niet aansprakelijk is voor het verstrekken van voor [appellant] relevante informatie waarvan Arch Hill wist dat deze informatie onjuist was, is het de vraag of Arch Hill naar Amerikaans recht - anders dan naar Nederlands recht het geval zou zijn - een beroep op die bepaling kan doen. Aangezien dit deel van de vordering - zoals reeds werd overwogen en uit het navolgende blijkt - ongenoegzaam is, behoeft die vraag niet te worden beantwoord.

2.15 Na deze overwegingen van algemene aard, zal worden ingegaan op de concrete verwijten die [appellant] Arch Hill met betrekking tot de aan hem verstrekte inlichtingen maakt.

- omzetprognose

2.16 In het (gewijzigde) Business Plan van het management van LTC, welk stuk [appellant] voorafgaande aan de aankoop van de aandelen in oktober 2007 door tussenkomst van Arch Hill heeft ontvangen, staat onder meer een omzetprognose voor 2007 van $ 4.736.000 en voor 2008 van $ 23.298.000, althans voor 2008 bij een worst case scenario van $ 11.649.000. Over de verwachte omzet staat onder meer: "In our sales forecast, approximately 50% of the projected sales for 2008 are derived from three projects that we believe are likely to occur."

Het Addendum to Financial Exhibit (productie 12 bij conclusie van repliek) begint met "In order to determine minimum revenues", doch bevat in de verdere tekst zoveel onzekere factoren, dat [appellant] daaruit - zeker in samenhang met het genoemde worst case scenario - in redelijkheid niet heeft mogen opmaken dat de in het Business Plan genoemde omzet voor 2008 ruim $ 23 miljoen zou bedragen.

2.17 In een e-mailbericht aan [appellant] van 20 oktober 2007 schrijft Arch Hill onder meer over een aantal positieve ontwikkelingen: "een Amerikaanse grote accu producent en een Duitse accu producent hebben zich gemeld voor samenwerking/joint venture/fusie gesprekken." Ook wordt geschreven over een Amerikaanse vliegtuigbouwer die met LTC "wil spreken over een business partnership". Verder staat in het bericht: "Ook met Porsche loopt eea uitstekend en wil men de volgende grote fase ingaan hetgeen ook geldt voor Tanfield, met beide is vandaag uitgebreid contact geweest.".

2.18 Uit al deze informatie heeft [appellant] geen enkele zekerheid over de daadwerkelijk in 2008 te behalen omzet kunnen ontlenen. De informatie betreft merendeels vogels in de lucht, niet in de hand. Dat de concrete informatie waarop de verwachting werd gebaseerd (bijvoorbeeld dat er gesprekken met potentiële afnemers werden gevoerd) onjuist was, volgt niet in de vereiste duidelijke zin uit de stellingen van [appellant].

2.19 [appellant] heeft voorts gesteld dat Arch Hill hem heeft gezegd dat LTC eind 2007 vanwege contracten met drie genoemde partijen op het punt stond om uit de verliezen te komen. Deze stelling, betreffende het reeds bestaan van contracten die veel omzet zouden genereren, is, zeker in het licht van de onder 2.16 en 2.17 genoemde inlichtingen, onvoldoende concreet, zeker nu in het hiervoor genoemde e-mailbericht van 20 oktober 2007 wordt gerept over contacten (die mogelijk in opdrachten en daaruit voortvloeiende omzet zouden kunnen resulteren) en niet over contracten.

- kapitaalstructuur

2.20 De stellingen van [appellant] op dit onderdeel zijn onvoldoende onderbouwd. De notitie van [appellant] die als productie 9 bij de inleidende dagvaarding is overgelegd betreft (voornamelijk) vragen van [appellant] aan LTC. Het bestaan van dergelijke vragen impliceert niet een onjuiste, onvolledige of misleidende informatieverstrekking waarvoor Arch Hill (mede) aansprakelijk is.

Meer in het bijzonder wordt overwogen dat [appellant] niet heeft vermeld welk procentueel belang hij volgens Arch Hill met de aankoop van de aandelen in LTC zou verwerven en evenmin wat in afwijking daarvan zijn werkelijke belang is geworden.

[appellant] heeft ook niet duidelijk gemaakt in welk opzicht hij onjuiste (onvolledige) informatie heeft verkregen over de rechten die aan de door hem gekochte converteerbare aandelen - met name de voorwaarden voor conversie - waren verbonden.

- de accountant

2.21 Vast staat dat [appellant] voorafgaande aan de koop van de aandelen is geïnformeerd over het feit dat de accountant die aanvankelijk de jaarrekeningen over 2004 en 2005 had goedgekeurd, de desbetreffende goedkeuringsverklaringen in 2006 had ingetrokken. De stelling van [appellant] dat zulks is geschied omdat de accountant tot de conclusie was gekomen dat de door LTC aan de accountant beschikbaar gestelde administratie ondeugdelijk was en niet - zoals Arch Hill en [geïntimeerde sub 2] stellen - de accountant niet aan de Amerikaans voorschriften bleek te kunnen voldoen, heeft [appellant] niet onderbouwd. Bovendien ontbreekt een geconcretiseerd bewijsaanbod op dit onderdeel.

- de financiering

2.22 Uit het aan [appellant] verstrekte Business Plan blijkt dat LTC op korte termijn behoefte had aan "additional financing of up to $ 15,000,000". De koop van de aandelen door [appellant] van LTC voorzag in kapitaal ad $ 5 miljoen.

De stelling van [appellant] dat Arch Hill bij hem de indruk heeft gewekt dat de plaatsing van aandelen - kennelijk voor het hele bedrag van $ 15 miljoen - een succes zou worden, hebben Arch Hill en [geïntimeerde sub 2] bestreden. [appellant] heeft op dat onderdeel geen concreet bewijsaanbod gedaan.

2.23 Uit het Business Plan blijkt dat ingeval de genoemde $ 15 miljoen wordt aangetrokken, het bedrag zal worden aangewend als volgt: $ 3 miljoen voor bepaalde investeringen, $ 8 miljoen als werkkapitaal, $ 4 miljoen voor herfinanciering van schulden. [appellant] stelt dat door Arch Hill is gesuggereerd dat de door [appellant] beschikbaar gestelde middelen aangewend zouden worden voor investeringsdoeleinden, maar zulks niet is geschied. Het bedrag is namelijk anders aangewend, onder meer als werkkapitaal. Deze stelling kan [appellant] niet baten, aangezien voor hem, mede op grond van het Business Plan, duidelijk moet zijn geweest dat ingeval niet het hele bedrag van $ 15 miljoen aan nieuwe middelen zou worden binnengehaald, de door hem verstrekte $ 5 miljoen niet (geheel) voor investeringdoeleinden zou kunnen worden aangewend.

2.24 De conclusie is dat de onder 2.6 sub (iii) aangeduide grond op zichzelf de vordering van [appellant] niet kan dragen.

2.25 Het bepaalde in de artikelen 6:194-195 BW leidt niet tot een ander oordeel, aangezien uit hetgeen [appellant] heeft aangevoerd niet voortvloeit dat Arch Hill misleidende mededelingen als bedoeld in artikel 6:194 BW heeft gedaan of heeft laten doen.

ad 2.6 sub (i): onrechtmatigheid wegens schending van vergunningplicht Wft?

2.26 De kern van de stellingen van [appellant] op dit onderdeel is, dat Arch Hill op grond van artikel 2:96 Wft vergunningplichtig was omdat Arch Hill - in het kader van de koop door hem van de aandelen LTC - als plaatsingsagent in opdracht van LTC die verkoop heeft bevorderd en zulks een bedrijfsmatige activiteit van Arch Hill was.

Het verweer van Arch Hill c.s. is in wezen dat Arch Hill in dezen, behoudens bij de geheimhoudingsovereenkomst, geen rol van betekenis heeft vervuld, dat de verkoop van de aandelen is bevorderd door Fidessa die daartoe een plaatsingsopdracht van LTC had gekregen, en door LTC als aanbieder van de aandelen zelf. De rol van [geïntimeerde sub 2] was daartoe in haar visie beperkt tot het als chairman of the board van LTC - met daartoe van dat bestuur verkregen mandaat - namens LTC verstrekken van inlichtingen aan [appellant]. Arch Hill is, zo luidt het verweer verder, louter als grootaandeelhouder van LTC mede partij bij de geheimhoudingsovereenkomst.

Arch Hill c.s. hebben niet als - subsidiair - verweer gevoerd dat in dezen het bepaalde in artikel 2:96 Wft niet van toepassing is vanwege een van de desbetreffende (uitzonderings-)bepalingen in de Wft. Feiten op grond waarvan een dergelijke uitzondering kan worden aangenomen, zijn evenmin gesteld of gebleken.

2.27 Vanwege de weergegeven gemotiveerde betwisting door Arch Hill c.s. zal [appellant] zijn stelling dat Arch Hill - in het kader van de koop door hem van de aandelen LTC - in opdracht van LTC als plaatsingsagent die verkoop heeft bevorderd hebben te bewijzen. Hoewel de overeenkomst tussen LTC en Fidessa waarop Arch Hill c.s. zich beroepen geen plaatsingsovereenkomst is, doch afgaande op de bewoordingen daarvan een zogenoemde listingagreement, is er geen reden om de stelling van [appellant] voorshands bewezen te achten of de bewijslast om te draaien, aangezien Arch Hill geen partij bij die in haar visie als misleidend voor derden bedoelde overeenkomst met Fidessa is. Het bewijs is niet door middel van in het geding gebrachte bescheiden, waaronder de verklaring van [X] van 1 oktober 2009, geleverd. Het aspect "bedrijfsmatige activiteit" behoeft geen afzonderlijk bewijs.

2.28 De stelling van [appellant] dat Arch Hill in elk geval de schijn heeft gewekt een plaatsingsagent van LTC te zijn, kan hem niet baten, aangezien alleen het daadwerkelijk verlenen van een beleggingsdienst (het plaatsen van financiële instrumenten bij aanbieding ervan aan het publiek), vergunningplichtig is, of door de Wft wordt verboden, en [appellant] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen oordelen dat hij, aannemende dat Arch Hill een plaatsingsagent was, heeft gemeend dat Arch Hill over de daartoe vereiste vergunning bezat en hij er (mede) als gevolg daarvan van uitging dat het verantwoord was om de aandelen te kopen.

2.29 Indien het onder 2.27 bedoelde bewijs wordt geleverd, staat vast dat Arch Hill jegens [appellant] handelingen heeft verricht waarvoor Arch Hill niet de vereiste vergunning had, welke handelingen hebben geresulteerd in de aankoop van LTC door [appellant] van nieuw uit te geven converteerbare aandelen LTC ad $ 5 miljoen. Deze "formele" onrechtmatigheid - het handelen zonder de vereiste vergunning - impliceert niet zonder meer dat Arch Hill de door de Wft beschermde belangen van (potentiële) beleggers, in dit geval [appellant], heeft geschonden, en er dus ook sprake is van dergelijke "materiële" onrechtmatigheid jegens [appellant]. Het is aan Arch Hill om het ontbreken van die materiële onrechtmatigheid aan te tonen. Daarvoor dient Arch Hill - zeker nu zij er als grootaandeelhouder van LTC een eigen belang bij had dat [appellant] in LTC zou investeren, welk belang heel wel kon conflicteren met het belang van [appellant] - in elk geval aan te tonen - en daartoe zo nodig bewijs te leveren - dat zij er, voor zover zij daartoe in staat was, voor heeft gezorgd dat [appellant] van de juiste en volledige informatie is voorzien die deze voor een verantwoorde beslissing over de aankoop van de aandelen behoefde. Anders dan met betrekking tot de onder 2.6 sub (iii) aangeduide grondslag van de vordering het geval is, is het dan niet aan [appellant] om voldoende te stellen en concrete bewijsaanbiedingen te doen om te kunnen oordelen dat Arch Hill onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, doch aan Arch Hill om aan te tonen dat zij haar taak met betrekking tot onder meer de informatieverstrekking naar behoren heeft vervuld. Het hof zal hier ingeval het bewijs wordt geleverd nader op ingaan.

ad 2.6 sub (ii): onrechtmatigheid wegens schending van de prospectusplicht ex artikel 5:2 Wft?

2.30 Nu gesteld noch gebleken is dat Arch Hill degene is die de effecten (als potentiële verkoper) heeft aangeboden (artikel 5.2 in verbinding met artikel 5:1, aanhef en onder a. en b. Wft) rustte de - kort gezegd - prospectusplicht niet op haar.

2.31 Ingeval het onder 2.27 bedoelde bewijs wordt geleverd en daarmee komt vast te staan dat Arch Hill een vergunningplichtige plaatsingsagent was met een dienovereenkomstige opdracht van LTC, moet in beginsel worden aangenomen dat LTC in Nederland aandelen aan het publiek aanbood en derhalve over een goedgekeurd prospectus diende te bezitten.

Daarbij is in aanmerking genomen dat Arch Hill c.s. niet, althans onvoldoende gemotiveerd als verweer hebben gevoerd dat in dezen het bepaalde in artikel 5:2 Wft niet van toepassing is vanwege een van de desbetreffende (uitzonderings-)bepalingen in de Wft. Feiten op grond waarvan een dergelijke uitzondering - mede gelet op de definitie van gekwalificeerde belegger in artikel 1:1 Wft - kan worden aangenomen, zijn evenmin gesteld of gebleken.

Indien bedoeld bewijs wordt geleverd geldt derhalve dat Arch Hill de verkoop van de aandelen aan [appellant] niet had mogen bevorderen zolang er geen goedgekeurd prospectus was. Ook in dit opzicht is het alsdan aan Arch Hill om aan te tonen - en daartoe zo nodig bewijzen te leveren - dat er geen sprake van materiële onrechtmatigheid als bedoeld onder 2.29 was, meer in het bijzonder om aan te tonen dat [appellant] is voorzien van informatie die gelijkwaardig is aan een goedgekeurd prospectus.

ad 2.6 sub (iv): persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder?

2.32 Het hof houdt de beoordeling van dit aspect - waarbij mogelijk wederom aan de exoneratiebepaling van artikel 6 van de geheimhoudingsovereenkomst betekenis toekomt - aan.

voorts

2.33 Ook de beoordeling van de grieven 5 tot en met 8 houdt het hof aan.

3. Beslissing

Het hof:

- laat [appellant] toe tot bewijs van zijn stelling dat Arch Hill - in het kader van de koop door [appellant] van de aandelen LTC - in opdracht van LTC als plaatsingsagent die verkoop heeft bevorderd;

- bepaalt dat, indien [appellant] getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te

’s-Gravenhage ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. J.H.W. de Planque, op dinsdag 2 oktober 2012, aanvang 10.00 uur;

- bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de komende drie maanden, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;

- verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H.W. de Planque, A.A. Rijperman en C.M. Grundmann-van de Krol,

en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 augustus 2012 in aanwezigheid van de griffier.