Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX6877

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-07-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
22-003661-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDOR:2009:BJ2106, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is samen met zijn mededaders betrokken geweest bij een tweetal hennepkwekerijen alsmede bij de diefstal van electriciteit bij een van die kwekerijen.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen. Daarnaast veroordeelt het Hof de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003661-09

Parketnummer: 11-510167-07

Datum uitspraak: 19 juli 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 9 juli 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1963,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 25 mei 2010, 12 april 2012 en 5 juli 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2006 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem, althans in het arrondissement Dordrecht, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep van personen en/of een hecht samenwerkingsverband van personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk uitvoeren en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, althans aanwezig hebben van harddrugs en/of

- het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of uitvoeren en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, althans aanwezig hebben van softdrugs en/of

- het opzettelijk overdragen, althans voorhanden hebben van wapen(s) en/of munitie van de categorieën II en/of III en/of

- het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van door die/dat misdrij(f)(ven) verkregen geldbedragen;

2.

hij in of omstreeks de periode van 21 mei 2007 tot en met 09 augustus 2007 te Werkendam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de Bandijk aldaar) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 2.285, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaalbevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2006 tot en met 22 mei 2007 te Vuren, gemeente Lingewaal, meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer hoeveelheid/hoeveelheden electriciteit, in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan Eneco, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2006 tot en met 22 mei 2007 te Vuren, gemeente Lingewaal, meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een of meer pand(en) aan de [adres] aldaar) een hoeveelheid van ongeveer 300 en/of ongeveer 270, althans (in totaal) ongeveer 570, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij omstreeks de periode van 01 december 2006 tot en met 16 juni 2008 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep van personen en een hecht samenwerkingsverband van personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren van harddrugs en

- het opzettelijk telen van softdrugs;

2.

hij in de periode van 21 mei 2007 tot en met 09 augustus 2007 te Werkendam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de Bandijk aldaar) een hoeveelheid van in totaal 2.285 hennepplanten , zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij in de periode van 1 november 2006 tot en met 22 mei 2007 te Vuren, gemeente Lingewaal, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen hoeveelheden electriciteit, toebehorende aan Eneco, waarbij verdachte en zijn mededaders zich telkens het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

4.

hij in de periode van 1 november 2006 tot en met 22 mei 2007 te Vuren, gemeente Lingewaal, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld (in panden aan de [adres] aldaar) een hoeveelheid van 300 en ongeveer 270, in totaal 570, hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverwegingen

Feit 1: de organisatie

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor een bewezenverklaring van "een organisatie" als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht vereist dat sprake is van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat een persoon om als deelnemer te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt of bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie. Evenmin geldt de eis dat iedere betrokkene wetenschap dient te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Voldoende is dat de betrokkene weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Naar het oordeel van het hof volgt uit de inhoud van de gebezigde wettige bewijsmiddelen dat de verdachte gedurende de bewezen verklaarde periode tezamen met een groep personen bestaande uit de verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] een samenwerkingsverband vormde. Gelet op de duurzaamheid en de structuur van dit samenwerkingsverband was er naar het oordeel van het hof sprake van een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. De organisatie had als oogmerk het in georganiseerd verband telen van softdrugs en de handel in harddrugs. De verdachte had binnen dit samenwerkingsverband een uitvoerende rol bij hennepkwekerijen in Werkendam en Vuren. Het feit dat de verdachte zich in de onderhavige zaak binnen de organisatie uitsluitend bezig hield met de teelt van hennep en dat niet gebleken is dat hij wetenschap had van het feit dat de organisatie zich ook bezig hield met de handel in harddrugs, staat de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde zoals door het hof is vastgesteld, niet in de weg.

Feit 2: de hennepkwekerij in Werkendam

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte bepleit - verkort en zakelijk weergegeven - dat het uitpeilen van de gsm van de verdachte in de omgeving van de Bandijk in Werkendam kan worden verklaard uit het feit dat de verdachte in die periode [medeverdachte 7], de partner van de medeverdachte [medeverdachte 2], een aantal keren bij de nabijgelegen manege heeft afgezet.

Terwijl uit de inhoud van de in het strafdossier van de verdachte gevoegde afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat de verdachte toen ter tijd bezig was met het zetten van tafels en stoelen, wat uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep ook blijkt.

Het hof overweegt ten dien aanzien als volgt. Naar het oordeel van het hof is het verweer onvoldoende specifiek en onderbouwd voor zover het redengevend beoogt te zijn voor een weerlegging van de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde, nu deze stelling als zodanig onverlet laat dat de verdachte ook op andere wijze dan voor het afzetten van een persoon bij de manege, te weten vanwege zijn betrokkenheid bij de hennepkwekerij aan de Bandijk in Werkendam is geweest. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat met het enkel overleggen van genoemd stuk niet aannemelijk is geworden dat de verdachte zich in de voor het bewijs gebezigde afgeluisterde telefoongesprekken met andere zaken heeft bezig gehouden dan met de hennepteelt.

Feiten 3 en 4: de hennepkwekerij in Vuren

De raadsman heeft betoogd - verkort en zakelijk weergegeven en op gronden als nader vermeld in zijn pleitnotitie - dat de verklaringen die door de bewoners van de panden waar de hennepkwekerijen zijn aangetroffen ongeloofwaardig zijn en als kennelijk leugenachtig moeten worden gekwalificeerd, nu deze personen door het belasten van de verdachte hun eigen straatje hebben proberen schoon te vegen.

Het hof stelt vast dat de bedoelde getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hun verklaringen op onderdelen hebben uitgebreid in de loop van het onderzoek, maar dat zij tijdens hun diverse verhoren nimmer tegenstrijdig hebben verklaard. Het hof ziet derhalve geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de genoemde verklaringen, die bovendien worden ondersteund door informatie uit observaties en telefoontaps, alsmede in de verklaring van [getuige 3]. Voorts is naar het oordeel van het hof - anders dan de raadsman kennelijk meent - het door de verdediging gestelde bedoeling van de getuigen om de verdachte te belasten naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting geenszins aannemelijk geworden. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het onder 2 en 4 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte is samen met zijn mededaders betrokken geweest bij een tweetal hennepkwekerijen alsmede bij de diefstal van electriciteit bij een van die kwekerijen en heeft aldus deelgenomen aan een organisatie die het plegen van misdrijven als oogmerk had. Het telen van hennep is een ernstig feit en organisaties als de onderhavige zijn niet zelden betrokken bij andersoortige vormen van criminaliteit.

In beginsel acht het hof dan ook de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden passend en geboden. Het hof is evenwel van oordeel dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Hierbij neemt het hof met name de termijn van de behandeling in hoger beroep, alsmede de onwenselijk lange duur van de procedure als geheel in aanmerking. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat het thans niet langer wenselijk is dat de verdachte ter zake van deze feiten nog onvoorwaardelijke detentie zal ondergaan.

Het hof is - alles overwegende - dan ook van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur, in combinatie met een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur, een passende en geboden reactie vormen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 140 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 165 (honderdvijfenzestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries,

mr. A.M.P. Gaakeer en mr. G. Knobbout, in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 juli 2012.