Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX6875

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-07-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
22-003672-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDOR:2009:BJ2068, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het tot drie keer toe afleveren, verstrekken en vervoeren van hoeveelheden harddrugs.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003672-09

Parketnummer: 11-510147-08

Datum uitspraak: 19 juli 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 9 juli 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortejaar] 1961,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 25 mei 2010, 20 maart 2012, 10 april 2012 en 4 en 5 juli 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest, met opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Tevens zijn in beslag genomen voorwerpen onttrokken aan het verkeer verklaard.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 04 april 2008 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem en/of Hulten, gemeente Gilze en Rijen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) zogenaamde xtc-pillen (in totaal ongeveer 194.646 pillen/63.970 gram) en/of 998 gram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of amfetamine (een) middel(len) als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft verdachte opzettelijk die xtc-pillen en/of amfetamine afgeleverd aan een persoon, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat die xtc-pillen en/of amfetamine voor export naar Engeland bestemd waren;

subsidiair, voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 04 april 2008 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem en/of Hulten, gemeente Gilze en Rijen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) zogenaamde xtc-pillen (in totaal ongeveer 194.646 pillen/63.970gram) en/of 998 gram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of amfetamine (een) middel(en) als vermeld op lijst I behorende bij de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2006 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem, althans in het arrondissement Dordrecht, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep van personen en/of een hecht samenwerkingsverband van personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk uitvoeren en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, althans aanwezig hebben van harddrugs en/of

- het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of uitvoeren en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, althans aanwezig hebben van softdrugs en/of

- het opzettelijk overdragen, althans voorhanden hebben van wapen(s) en/of munitie van de categorieën II en/of III en/of

- het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van door die/dat misdrij(f)(ven) verkregen geldbedragen;

3.

hij op of omstreeks 16 juni 2008 te Nieuwendijk, gemeente Werkendam, een wapen van categorie III, te weten een pistool (Bruni), en/of bijbehorende munitie van categorie III, te weten 25, althans een of meer, (scherpe) patronen (merk Sellier & Bellot, kaliber 6,35 Browning), voorhanden heeft gehad.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en dat de verdachte - te dien aanzien opnieuw rechtdoende - zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest, met opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 subsidiair:

hij in de periode van 04 april 2008 tot en met 16 juni 2008 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, hoeveelheden pillen (in totaal ongeveer 194.646 pillen/63.970 gram) en 998 gram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en amfetamine, zijnde MDMA en amfetamine middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in de periode van 01 december 2006 tot en met 16 juni 2008 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep van personen en een hecht samenwerkingsverband van personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren van harddrugs en

- het opzettelijk telen van softdrugs;

3.

hij op 16 juni 2008 te Nieuwendijk, gemeente Werkendam, een wapen van categorie III, te weten een pistool (Bruni), en bijbehorende munitie van categorie III, te weten 25scherpe patronen (merk Sellier & Bellot, kaliber 6,35 Browning), voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverwegingen

Feit 1: het afleveren/verstrekken/vervoeren van drugs

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte bepleit - verkort en zakelijk weergegeven - dat de verdachte nooit heeft geweten dat de inhoud van de tassen die hij in opdracht van zijn toenmalige werkgevers [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op een afgesproken plek moest overhandigen aan een onbekende, uit harddrugs bestond. Hij voert daarbij tevens aan dat van de op dit onderdeel van het tenlastegelegde relevante tapgesprekken slechts de tap met betrekking tot de "snoepjes" c.q. "iets te snoepen" op de aan de verdediging verstrekte cd-rom staat en dat van de gesprekken over pokeren niets (meer) is te beluisteren.

Het hof overweegt ten dien aanzien als volgt. Het hof stelt allereerst vast dat de verdediging niet alle taps heeft gekregen waarom is gevraagd en die zijn toegewezen. Die vaststelling als zodanig betekent niet dat hetgeen thans ten aanzien van die "snoepjes" en dat "pokeren" reeds om die reden aannemelijk moet worden geacht. Daarenboven bevindt zich van de taps die niet nader beluisterd zijn kunnen worden wel de schriftelijke neerslag in het dossier. Gesteld is dat het tapgesprek waarin wordt gesproken over '50.000 punten' over pokerpunten gaat. Het hof acht dit - in samenhang met de bestelling van 50.000 pillen die zojuist gedaan was bij de medeverdachte [medeverdachte 1] - niet aannemelijk, nu bovendien op geen enkele wijze aannemelijk is gemaakt dat de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] eerder gesprekken over pokerpunten hebben gevoerd. Voorts is ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat het tapgesprek waarin wordt gesproken over 'iets te snoepen' over viagrapillen gaat. Nu de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg nog heeft verklaard geen idee te hebben waar dit gesprek over gaat en eerst ter terechtzitting in hoger beroep met deze verklaring komt, acht het hof deze verklaring evenmin aannemelijk. De verdachte is bovendien tot drie keer toe naar een afgesproken plek gereden om in opdracht van een medeverdachte goederen af te leveren aan een hem onbekend persoon, heeft hierbij aan deze onbekende persoon aangegeven wat er bij de bestelling hoorde en heeft ten minste één van de plastic tassen waarin pillen bevattende mdma zaten bovendien zelf in handen gehad. Derhalve is het hof van oordeel dat de verdachte moet hebben geweten dat zijn lading uit harddrugs bestond, zodat de verdachte zich opzettelijk aan het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft schuldig gemaakt.

Feit 2: de organisatie

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor een bewezenverklaring van "een organisatie" als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht vereist dat sprake is van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat een persoon om als deelnemer te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt of bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie. Evenmin geldt de eis dat iedere betrokkene wetenschap dient te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Voldoende is dat de betrokkene weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Naar het oordeel van het hof volgt uit de inhoud van de gebezigde wettige bewijsmiddelen dat de verdachte gedurende de bewezen verklaarde periode tezamen met een groep personen bestaande uit de verdachte, [medeverdachte 2], [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] een samenwerkingsverband vormde. Gelet op de duurzaamheid en de structuur van dit samenwerkingsverband was er naar het oordeel van het hof sprake van een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. De organisatie had als oogmerk het in georganiseerd verband telen van hennep en de handel in harddrugs. De verdachte had binnen dit samenwerkingsverband een uitvoerende rol bij de handel in harddrugs. Het feit dat de verdachte zich in de onderhavige zaak binnen de organisatie uitsluitend bezig hield met de handel in harddrugs en dat niet gebleken is dat hij wetenschap had van het feit dat de organisatie zich ook bezig hield met het telen van hennep, staat de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde zoals door het hof is vastgesteld, niet in de weg.

Feit 3: het wapen met de munitie

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte bepleit - verkort en zakelijk weergegeven - dat het vuurwapen met de munitie geen eigendom van de verdachte waren en dat hij zich niet bewust was van de aanwezigheid ervan in de keuken van zijn woning. Gesteld is dat de verdachte een woning huurde op het terrein van [bedrijfsnaam], dat meerdere personen een sleutel van deze woning hadden, dat de keuken ook buiten zijn wetenschap door anderen werd gebruikt en dat hij daarnaast zelf niet de volledige keuken heeft benut.

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. Het vuurwapen en de munitie zijn aangetroffen in de keuken van de woning van de verdachte die hij ook als enige bewoonde, waar tevens onder meer poststukken op naam van de verdachte en andere persoonlijke bescheiden van de verdachte zijn aangetroffen. Nu de verdachte de enige bewoner van de woning was, acht het hof het niet aannemelijk dat de verdachte niet van de aanwezigheid van dit wapen op de hoogte is geweest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het tot drie keer toe afleveren, verstrekken en vervoeren van hoeveelheden harddrugs en heeft aldus deelgenomen aan een organisatie die het plegen van misdrijven als oogmerk had. Handel in harddrugs is een ernstig feit en vormt veelal een bron van aantrekking van andersoortige - gewelddadige - vormen van criminaliteit. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie. Het ongecontroleerd bezit van een vuurwapen is eveneens een ernstig feit, waartegen streng dient te worden opgetreden.

In beginsel acht het hof dan ook de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan

8 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Het hof is evenwel van oordeel dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Hierbij neemt het hof met name de termijn van de behandeling in hoger beroep, alsmede de onwenselijk lange duur van de procedure als geheel in aanmerking. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat het thans niet langer wenselijk is dat de verdachte ter zake van deze feiten nog onvoorwaardelijke detentie zal ondergaan.

Het hof is - alles overwegende - dan ook van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur, een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking tot welke het onder 3 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan, dienen - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 57, 63 en 140 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 pistool (Bruni) en

- 25 patronen (merk Sellier & Bellot, kaliber 6,35 Browning).

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries,

mr. A.M.P. Gaakeer en mr. G. Knobbout, in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 juli 2012.