Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX6833

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-08-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
BK-11/00137
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BP4998, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vergoeding taxatiekosten aan belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2012-2307
V-N Vandaag 2012/2126
V-N 2012/58.21.7

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-11/00137

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 31 augustus 2012

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Bodegraven, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 februari 2011, nummer AWB 10/5052 WOZ, betreffende het hierna vermelde besluit van de Inspecteur inzake vergoeding van proceskosten in bezwaar.

Beschikking, aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Bij beschikking als bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken is de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [Z], vastgesteld op € 401.000 per waardepeildatum 1 januari 2009. De beschikking geldt voor het kalenderjaar 2010.

1.2. Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 wegens het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaak een aanslag in de onroerendezaakbelasting van de gemeente Bodegraven naar een heffingsmaatstaf van € 401.000 opgelegd.

1.3. Het aanslagbiljet waaruit van de beschikking en de aanslag blijkt is gedagtekend 28 februari 2010.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de beschikking en de aanslag tijdig een bezwaarschrift ingediend bij de Inspecteur en daarbij verzocht om toekenning van een proceskostenvergoeding op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Bij aanvulling op het bezwaarschrift is dit gespecificeerd.

1.5. Bij in een geschrift, gedagtekend 13 juli 2010, vervatte uitspraken is de Inspecteur tegemoetgekomen aan belanghebbendes bezwaren en heeft hij de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 380.000, de beschikking aldus gewijzigd en de aanslag dienovereenkomstig verminderd. Tegelijk met de uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur bij afzonderlijk besluit aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend van € 54,50. Dit bedrag ziet uitsluitend op kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar.

1.6. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Inspecteur beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 41 is geheven. Het beroep is uitsluitend gericht tegen de hoogte van de door de Inspecteur toegekende vergoeding van proceskosten in verband met de behandeling van het bezwaar.

1.7. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld de kosten van het bezwaar van € 218 en de kosten van het beroep van € 437 aan belanghebbende te voldoen en de Inspecteur gelast het griffierecht van € 41 aan belanghebbende te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 112 is geheven.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 22 juni 2012, gehouden te ’s-Gravenhage. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Ten einde bezwaar en beroep in te stellen, heeft belanghebbende op 2 april 2010 en op 10 januari 2011 volmacht verleend aan mevrouw mr. [A] van [B] te [Q]. Blijkens een op 18 juni 2012 door belanghebbende ondertekende volmacht, strekt deze bovendien tot het voeren van de procedure in hoger beroep.

3.2. Het bezwaarschrift tegen de beschikking en de aanslag is bij de Inspecteur ingediend door mevrouw [A] van [B] als de gemachtigde van belanghebbende. Zij heeft bij het bezwaarschrift een taxatierapport van 14 april 2010 gevoegd, opgemaakt door [C] van [D-taxateurs]. [B] en [D-taxateurs] zijn handelsnamen van [E] B.V. te [Q]. Ter zitting van de rechtbank heeft de gemachtigde bevestigd dat de taxateur in wezen deel uitmaakt van [B].

3.3. Taxateur [C] heeft de waarde van de onroerende zaak blijkens het taxatierapport geschat op € 380.000 per de waardepeildatum.

Oordeel van de rechtbank

4. De rechtbank heeft overwogen:

”(…)

2.9. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die [belanghebbende] in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door [de Inspecteur] uitsluitend vergoed op verzoek van [belanghebbende] voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan [de Inspecteur] te wijten onrechtmatigheid. Ingevolge het vierde lid van dit artikel worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Daarbij is volgens de toelichting van de wetgever de kostenveroordeling niet bedoeld als een volledige schadevergoeding maar als een tegemoetkoming in de kosten (NvT, Stb.1993, 763, p.5).

2.10. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a. en b. van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het [Bpb]) kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb uitsluitend betrekking hebben op:

a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

b. kosten van een getuige, deskundige of tolk die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht.

Kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand/wegingsfactor

2.11. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het [Bpb] dient voor de vaststelling van de hoogte van de kosten te worden uitgegaan van het tarief dat is opgenomen in de bijlage bij het [Bpb] (hierna: de bijlage). Het tarief wordt bepaald doordat in de bijlage aan diverse proceshandelingen verschillende punten zijn toegekend (onderdeel A), waarvan de waarde (onderdeel B) moet worden vermenigvuldigd met een wegingsfactor (onderdeel C). De wegingsfactor wordt bepaald naar gelang het gewicht van de zaak. Het gewicht van de zaak wordt bepaald door het belang en de ingewikkeldheid van de zaak. In onderdeel C1 van de bijlage worden de verschillende wegingsfactoren voor het gewicht van een zaak weergegeven, die kunnen oplopen van 0,25 (zeer licht) tot 2 (zeer zwaar). Bij een zaak van gemiddeld gewicht bedraagt de wegingsfactor 1. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat een zaak in de bezwaarfase in beginsel een wegingsfactor 1 (gemiddeld) heeft tenzij er duidelijk redenen zijn om hier vanaf te wijken. Beoordeeld naar belang en ingewikkeldheid van de onderhavige zaak en de omvang van de in het kader van de verleende rechtsbijstand verrichte werkzaamheden acht de rechtbank geen redenen aanwezig om van dat uitgangspunt af te wijken. De stelling van [de Inspecteur] dat toepassing van een wegingsfactor van 0,25 redelijk is, omdat er onder meer sprake is van een samenhang tussen alle door de gemachtigde aangespannen bezwaarprocedures bij de gemeente, volgt de rechtbank niet. De gedingstukken bevatten geen informatie op basis waarvan de gestelde samenhang kan worden geconstateerd. Evenmin vormt de door [de Inspecteur] aangevoerde omstandigheid dat het bezwaarschrift is gebaseerd op een taxatierapport van een taxateur aanleiding om de zaak als zeer licht aan te merken. Integendeel, het raadplegen van een deskundige vormt eerder een indicatie voor het tegenovergestelde. Gelet op het vorenoverwogene ziet de rechtbank aanleiding de wegingsfactor in de onderhavige procedure op 1 te stellen. In zoverre is het beroep dus gegrond.

Kosten van een deskundige

2.12. Ter zitting is duidelijk geworden dat zowel de gemachtigde als de taxateur in dienst zijn van dezelfde werkgever. Uit de stukken van het geding leidt de rechtbank af dat de taxateur kennelijk is ingeschakeld door de gemachtigde. De kosten van het taxatierapport worden door de gemachtigde aan [belanghebbende] gefactureerd. Gelet hierop en de werkwijze van de gemachtigde is de rechtbank van oordeel dat de kosten van het taxatierapport deel uitmaken van de kantoorkosten van de gemachtigde. De werkzaamheden van de taxateur zijn namelijk zozeer verweven met de werkzaamheden van de gemachtigde, dat zij zijn aan te merken als één dienstverlener. De kosten van het taxatierapport gaan daarmee op in de kosten van de gemachtigde. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de kosten voor het taxatierapport niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen. Het beroep faalt in zoverre.

Slotsom

2.13. De rechtbank zal, doende wat [de Inspecteur] behoorde te doen, aan [belanghebbende] een hogere vergoeding toekennen voor de kosten van rechtsbijstand die hij in verband met het bezwaar heeft moeten maken en [de Inspecteur] opdragen deze aan [belanghebbende] te voldoen. Deze kosten heeft de rechtbank op de voet van het [Bpb] vastgesteld op € 218 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 218 en een wegingsfactor 1). De rechtbank vindt voorts aanleiding [de Inspecteur] te veroordelen in de kosten die [belanghebbende] in verband met het beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het [Bpb] voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 437 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat het gewicht van de beroepszaak als licht moet worden gekwalificeerd, aangezien het beroep alleen de kostenvergoeding van de bezwaarfase betreft.

(…)”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1. In geschil is of voor de taxatiekosten een vergoeding moet worden toegekend. Belanghebbende beantwoordt de vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

5.2. Belanghebbende wenst een vergoeding op basis van 3,5 uren naar een uurtarief van € 78,50 en de daarover verschuldigde omzetbelasting. De Inspecteur meent dat belanghebbende geen recht heeft op een taxatiekostenvergoeding, althans dat een vergoeding op basis van 2 uren naar een uurtarief van € 40,61 (exclusief omzetbelasting) voldoende is.

5.3. De Inspecteur heeft zich in hoger beroep verder verweerd met de volgende standpunten:

- het hoger beroep, althans het beroep is niet ontvankelijk wegens gebrek aan belang;

- de diensten van de taxateur gaan op in de diensten van de gemachtigde aan belanghebbende, zodat voor een afzonderlijke vergoeding voor taxatiekosten geen plaats is;

- het taxatiebureau heeft een financieel belang bij de uitkomst van de taxatie, hetgeen inhoudt dat de taxateur zijn werkzaamheden niet onpartijdig heeft vervuld; hierdoor kan belanghebbende geen aanspraak maken op vergoeding van taxatiekosten.

5.4. Belanghebbende heeft de standpunten van de Inspecteur gemotiveerd bestreden.

5.5. Voor de standpunten van partijen en de gronden verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1. Het beroep van belanghebbende strekt, onder handhaving van de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar, tot toekenning van een vergoeding van de kosten van taxatie tot een bedrag van € 275 en tot vergoeding van omzetbelasting over dit bedrag.

6.2. De Inspecteur concludeert tot niet-onvankelijkheid van het (hoger) beroep en anders tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. Indien het Hof anders oordeelt, is het standpunt van de Inspecteur dat een vergoeding voor taxatiekosten moet worden bepaald naar een gematigd tarief.

Beoordeling van het hoger beroep

Ontvankelijkheid

7.1. Het primaire standpunt van de Inspecteur luidt dat het (hoger) beroep niet-ontvankelijk is. Dit standpunt berust op de opvatting dat belanghebbende bij vergoeding van proceskosten geen fiscaal- of ander financieel belang heeft, terwijl de gemachtigde degene is die in werkelijkheid belang heeft bij vergoeding van proceskosten. De gemachtigde treedt alsdan op voor zichzelf en niet als procesvertegenwoordiger van belanghebbende.

7.2. De volmachten houden samengevat in dat belanghebbende de gemachtigde de bevoegdheid verleent hem in verband met het geschil over de waarde van de onroerende zaak in rechte te vertegenwoordigen. Hieronder kan het indienen van een verzoek om vergoeding van proceskosten in verband met de behandeling van het bezwaar worden begrepen.

7.3. De enkele omstandigheid dat belanghebbende met de gemachtigde een afspraak heeft gemaakt op grond waarvan de kosten die belanghebbende aan de gemachtigde moet betalen worden gesteld op het bedrag dat de inspecteur of een rechterlijke instantie toekent als kostenvergoeding, brengt niet mee dat belanghebbende geen belang heeft bij het verzoek om vergoeding van proceskosten of bij rechtsmiddelen tegen beslissingen dienaangaande.

7.4. Hetgeen de Inspecteur aanvoert leidt het Hof mitsdien niet tot het oordeel dat belanghebbende niet in het hoger beroep kan worden ontvangen of dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk had moeten verklaren.

Verlening van rechtsbijstand en het optreden van een deskundige

7.5. De aard van de werkzaamheden van een rechtsbijstandverlener verschilt van die welke een taxateur als deskundige verricht. Een rechtsbijstandverlener geeft zijn opdrachtgever in de regel juridische adviezen en staat hem desgewenst bij in een rechtsgeding. De positie van een deskundige is in het algemeen dat deze behulpzaam is bij het vaststellen van bepaalde feiten, waartoe hij beschikt over de benodigde bijzondere kennis en ervaring.

7.6. In de verhouding tussen de gemachtigde en de taxateur is geen vervaging van het hiervoor geschetste onderscheid of een vermenging van de werkzaamheden te bespeuren. Mitsdien bestaat geen reden te oordelen dat belanghebbende, naast vergoeding van proceskosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te dezen geen aanspraak kan maken op vergoeding van taxatiekosten.

Belang bij de uitkomst van de taxatie?

7.7. De Inspecteur heeft gesteld dat de taxateur financieel belang had bij de uitkomst van de taxatie. Hij heeft evenwel - tegenover de weerspreking door belanghebbende - geen, dan wel onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen waarop die stelling kan steunen. Mitsdien heeft de Inspecteur zijn stelling niet aannemelijk gemaakt. Ook zijn uit de gedingstukken geen aanwijzingen te putten dat de taxateur onbekwaam was of dat hij zijn werkzaamheden niet onpartijdig heeft verricht.

Uurtarief en aantal uren

7.8. Het gaat hier om een geval waarin op verzoek van de belanghebbende een taxatieverslag door een deskundige is opgesteld in verband met de bezwaarprocedure over de waardering van een onroerende zaak in het kader van de Wet WOZ. Het maakt hierbij geen verschil of de belanghebbende dat verzoek zelf aan de deskundige overbrengt of dat dit feitelijk geschiedt door een gevolmachtigde die, zoals in dit geval, moet worden geacht bevoegdelijk in naam van de belanghebbende op te treden.

7.9. In een dergelijk geval wordt de vergoeding volgens artikel 1, lid 1, aanhef en letter b, in verbinding met artikel 2, lid 1, aanhef en letter b, van het Bpb vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (hierna: het Bts 2003). Daarmee geldt een tarief van ten hoogste € 81,23 per uur "naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn". In artikel 15 van het Bts 2003 is bepaald dat de bedragen worden verhoogd met de omzetbelasting die daarvoor is verschuldigd.

7.10. Gezien de grondslag van het Bpb in artikel 8:75, lid 1, Awb, gaat het bij de toekenning van een vergoeding voor kosten van een deskundige allereerst erom of sprake is van kosten die de belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken. Een belanghebbende die in een geval als dit ter onderbouwing van zijn standpunt over de waarde van een onroerende zaak een taxatierapport aan de heffingsambtenaar of de rechter overlegt, zal in het algemeen aan deze eis voldoen. De gedingstukken bevatten te dezen geen aanwijzingen voor het tegendeel.

7.11. In een geval als dit dient te worden vooropgesteld dat de werkzaamheden van de taxateur in het algemeen niet van wetenschappelijke aard zijn. De gedingstukken bevatten te dezen geen aanwijzingen voor het tegendeel.

7.12. Wel behoren de werkzaamheden van de taxateur te worden aangemerkt als van bijzondere aard in de zin van artikel 6 van het Bts 2003.

7.13. De mate waarin dergelijke werkzaamheden van bijzondere aard zijn, wordt vooral bepaald door de aard van de te taxeren onroerende zaak. Naarmate de taxatie van een object naar haar aard complexer is, kan toepassing van een hoger uurtarief zijn gerechtvaardigd. Toepassing van het maximale uurtarief komt eerst in aanmerking, indien het object van dien aard is dat de taxatie daarvan zeer complex is.

7.14. Met het oog op de uitvoerbaarheid van de regeling in het Bts 2003 moet worden aanvaard dat, ter bepaling van de mate waarin de werkzaamheden van een taxateur van bijzondere aard zijn, uitsluitend de aard van de onroerende zaak als maatstaf in aanmerking wordt genomen en dat geen rekening wordt gehouden met andere factoren, zoals de mate van deskundigheid van de taxateur.

7.15. Artikel 15 van het Bts 2003 brengt mee dat de voor vergoeding in aanmerking komende kosten behoren te worden verhoogd met omzetbelasting naar het op grond van de bepalingen van de Wet op de omzetbelasting 1968 toepasselijke tarief. Gelet op de strekking van deze bepaling geldt dat echter alleen, indien de aan een belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting op hem drukt en dus niet indien hij die belasting als voorbelasting in aftrek kan brengen.

7.16. Het betoog van belanghebbende dat de taxatiekosten geheel moeten worden vergoed, omdat deze zijn berekend naar een uurtarief van € 78,50 en dit minder is dan het maximale uurtarief van artikel 6 van het Bts 2003, vindt geen steun in het recht en moet worden verworpen. De hoogte van het in rekening gebrachte of in de markt gangbare uurtarief is niet maatgevend, maar de aard van de werkzaamheden, die in een geval als dit wordt bepaald door de aard van het te taxeren object.

7.17. Gelet op de aard van de onroerende zaak komt het Hof tot het oordeel dat de werkzaamheden voor de taxatie niet in die mate van bijzondere aard zijn, dat het maximaal toe te kennen uurtarief moet worden gehanteerd, doch dat de vergoeding moet worden gebaseerd op een tarief van € 42 (exclusief omzetbelasting) per uur. Nu de Inspecteur niet heeft betwist dat de omzetbelasting op belanghebbende drukt, dient deze eveneens te worden vergoed.

7.18. Belanghebbende heeft gesteld dat de taxateur 3,5 uren heeft besteed aan de taxatie en het opstellen van het taxatierapport. De Inspecteur heeft dit betwist en gesteld dat de taxateur niet meer dan twee uren aan de taxatiewerkzaamheden heeft besteed. In dit verband heeft de Inspecteur kritiek geuit op de inhoud en de kwaliteit van het taxatierapport en heeft hij onder meer gesteld dat de taxateur niet bij de woning is geweest voor een opname ter plaatse. Belanghebbende heeft dit laatste erkend. Een en ander afwegend acht het Hof aannemelijk, voor zover nodig in goede justitie, dat de taxateur 2,5 uren aan de taxatiewerkzaamheden heeft besteed.

7.19. Mitsdien dient de Inspecteur, naast de door de rechtbank toegekende vergoeding voor proceskosten van € 218 wegens door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in verband met de behandeling van het bezwaar, aan belanghebbende taxatiekosten te vergoeden tot een bedrag van € 105 vermeerderd met de over dit laatste bedrag verschuldigde omzetbelasting.

Proceskosten en griffierecht

8.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende in hoger beroep gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vast op € 437 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep: 2 punten à € 437 x 0,5 (gewicht van de zaak). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

8.2. Voorts dient de Inspecteur het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 112 aan belanghebbende te vergoeden.

8.3. De beslissingen van de rechtbank omtrent de proceskosten en het griffierecht in verband met de behandeling van het beroep zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve in stand te blijven.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de beslissingen inzake de proceskosten in beroep en het griffierecht;

- wijzigt het besluit van de Inspecteur inzake de proceskosten in bezwaar aldus, dat de vergoeding wordt vastgesteld op € 323, met dien verstande dat een deel daarvan, groot € 105, wordt vermeerderd met de daarover verschuldigde omzetbelasting;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 437;

- gelast de gemeente Bodegraven het voor deze zaak in hoger beroep betaalde griffierecht van € 112 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 31 augustus 2012 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.