Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX6774

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-06-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
22-004505-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich in dronken toestand schuldig gemaakt aan het medeplegen van een gewelddadige straatroof.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004505-11

Parketnummers: 09-925374-11 en 09-900478-10 (TUL)

Datum uitspraak: 21 juni 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 september 2011 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1985,

[gba adres],

[adres] volgens opgave van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 7 juni 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van voorarrest. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij is hoofdelijk toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 22 juni 2010 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met een proeftijd van twee jaren, een en ander zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 mei 2011 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet

- die [benadeelde partij] bij de schouder en/of de keel heeft beetgepakt, waardoor die [benadeelde partij] moeilijk kon ademhalen en/of op de grond viel en/of

- in het gezicht en/of op het hoofd en/of op het lichaam, heeft geslagen en geschopt, terwijl die [benadeelde partij] op de grond lag,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 19 mei 2011 te Zoetermeer op of aan de openbare weg, de Ierlandlaan en/of Overwest, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een rugtas (met inhoud) en/of een portemonnee (met inhoud) en/of een mobiele telefoon (Samsung), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of (een) aan andere deelnemer(s) van dat misdrijf, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- die [benadeelde partij] bij de schouder en/of keel beetpakken, waardoor die [benadeelde partij] moeilijk kon ademhalen en/of op de grond viel en/of

- in het gezicht en/of op het hoofd en/of op het lichaam, slaan en/of schoppen, terwijl die [benadeelde partij] op de grond lag en/of

- het doorzoeken van de kleding en/of zakken van die [benadeelde partij].

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Partiële vrijspraak

Het hof is, gelet op de voorhanden zijnde stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, - met de advocaat-generaal en de verdediging - van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor bewezenverklaring van het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 19 mei 2011 te Zoetermeer op de openbare weg, de Overwest, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een rugtas met inhoud en een portemonnee met inhoud en een mobiele telefoon Samsung, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, met zijn mededader, welk geweld bestond uit het

- die [benadeelde partij] bij de schouder en keel beetpakken, waardoor die [benadeelde partij] moeilijk kon ademhalen en op de grond viel en

- in het gezicht en op het lichaam, slaan en/of schoppen, terwijl die [benadeelde partij] op de grond lag.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht - zakelijk weergegeven - het proces-verbaal van aanhouding, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], van het bewijs uit te sluiten, nu dit onbetrouwbaar is en de verdachte, wegens gebrek aan bewijs, vrij te spreken van het hem ten laste gelegde. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om een deskundige nader onderzoek te laten verrichten, zodat de betrouwbaarheid van de bevindingen van deze verbalisanten kunnen worden getoetst.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De aangever heeft aangifte gedaan van straatroof en hieromtrent tegenover de politie verklaard dat hij op 19 mei 2011 omstreeks 05:00 uur op het viaduct liep over het spoor Overwest te Zoetermeer. Daar zag hij een drietal getinte/donkere jongens lopen (blz. 52 t/m 53 van het proces-verbaal van politie Haaglanden, bureau forensische opsporing, registratienummer: PL1571 2011104612, bladzijde 1 t/m 113, hierna aangehaald met het betreffende bladzijdennummer). Twee van de getinte mannen waren een beetje aan het stoeien waarbij een van hen viel (blz. 57). De aangever vroeg: "Gaat het?". De aangever verklaarde dat de drie mannen riepen: "Waar zijn je spullen? Geef je spullen!". De aangever verklaarde dat hij voelde dat de jongens hem om zijn nek pakten, sloegen en schopten en dat hij op de grond viel. Het slaan en schoppen bleef doorgaan toen de mannen in zijn broekzakken zochten naar zijn spullen (blz. 52 t/m 53 en 57). De aangever verklaarde geen idee te hebben wie van de drie mannen hem geschopt en geslagen hebben, maar het voelde zeker als twee mannen (blz. 57). Op een gegeven moment zag en hoorde de aangever de politie en voelde hij dat de mannen ophielden met schoppen en slaan. Toen bemerkte de aangever dat hij geen spullen meer bij zich had. In zijn broekzak had de aangever de volgende spullen bij zich: een portemonnee met inhoud, een telefoon (Samsung, zwart met klepje) en een rugtas met inhoud.

De mannen die wegrenden toen de politie aankwam, waren volgens aangever dezelfde mannen die hem hebben geschopt en geslagen en het aankomen van de politie en het weggaan van de mannen ging ongeveer tegelijkertijd (blz. 57).

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op 19 mei 2011 met zijn broer [medeverdachte] en [getuige] in Zoetermeer was en dat zij op de brug bij de Overwest op het voet- en fietspad hebben gelopen. De verdachte verklaarde voorts dat hij met zijn broer heeft gestoeid.

Ook de medeverdachte [getuige] heeft verklaard dat hij, de verdachte en diens broer op 19 mei 2011 omstreeks 04:30 uur in Zoetermeer waren bij de voetgangersbrug van station Centrum West en dat de verdachte en zijn broer hebben gestoeid, waarbij de broer van de verdachte op de grond lag met de verdachte bovenop hem (blz. 69). R.I. Janga verklaarde voorts dat in hun richting een jongen over het trottoir liep en dat deze jongen op een gegeven moment op de grond lag (blz. 70).

De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben in het proces-verbaal van aan aanhouding gerelateerd dat zij op 19 mei 2011 omstreeks 05:00 uur naar station Centrum West te Zoetermeer zijn gegaan en daar een persoon op de grond hebben zien liggen met verwondingen in zijn gezicht. Ook zagen zij dat er drie personen stonden die bij het zien van de verbalisanten wegrenden. De verbalisant [verbalisant 1] heeft als getuige ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zag dat er diverse goederen over de reling van de fietsbrug werden gegooid.

Deze drie personen bleken later de verdachte, zijn broer en [getuige] te zijn. Toen de verbalisanten over de reling keken zagen zij dat er diverse goederen op de lager gelegen straat lagen, waaronder een zwarte tas en meerdere kledingstukken (blz. 16 t/m 17). In de nabijheid van de plaats delict werd door verbalisant [verbalisant 3] meerdere kledingstukken gevonden, waaronder een zwarte rugtas en een groene portemonnee. De kledingstukken bleken van de verdachten te zijn en de overige goederen van aangever (blz. 7 en 10).

Uit het bovenstaande leidt het hof af dat het de verdachte en zijn broer zijn geweest die het geweld tegen de aangever hebben gebruikt. Dat het oogmerk van de verdachte daarbij (mede) gericht is geweest op de diefstal van de goederen van aangever leidt het hof af uit de omstandigheid dat het klappen en schoppen door de verdachten is doorgegaan op en na het moment dat de aangever werd gevraagd waar zijn spullen waren en zijn zakken werden doorzocht. Het hof gaat er vanuit, dat de verdachte daarbij bewust en nauw met zijn broer heeft samengewerkt. De verdachte heeft zich op geen enkel moment gedistantieerd van zijn broer. Integendeel, hij is samen met zijn broer pas weggelopen toen de politie ter plekke arriveerde. Vervolgens zijn de buitgemaakte goederen -samen met eigen kleding- over de reling van de voetgangersbrug gegooid.

Het hof zal het verzoek van de raadsman tot het benoemen van een deskundige afwijzen. Desgevraagd heeft de raadsman aangegeven dat het onderzoek door de deskundige met name betrekking zou moeten hebben op hetgeen de verbalisanten hebben kunnen zien op het moment dat zij de fietsbrug (de Overwest) opreden. Het hof is van oordeel dat de bevindingen van de verbalisanten tijdens het oprijden van de de Overwest niet afdoen aan de betrouwbaarheid van hun bevindingen nadien. De bevindingen van de verbalisanten tijdens het oprijden van de fietsbrug zijn naar 's hofs oordeel niet relevant voor het bewijs en voor enige overige door het hof te nemen beslissing, zodat redelijkerwijs valt aan te nemen dat daardoor de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad. Voor zover het verzoek moet worden geacht te zien op het houden van een schouw, wordt dit eveneens afgewezen, bij gebreke van een daartoe strekkende noodzaak.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en de verdachte ter zake van het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich in dronken toestand schuldig gemaakt aan het medeplegen van een gewelddadige straatroof, terwijl het slachtoffer de medeverdachte, die tijdens de vechtpartij met de verdachte op de grond was gevallen, probeerde te helpen. Het slachtoffer heeft hierbij letsel opgelopen. Met het plegen van dit misdrijf heeft de verdachte getoond geen enkel respect te hebben voor andermans eigendom, levenssfeer, lichamelijke integriteit en waardigheid. Het behoeft geen betoog dat de geweldplegingen voor het slachtoffer zeer beangstigende en bedreigende ervaringen zijn geweest. Het hof voegt daaraan toe dat de ervaring leert dat een straatroof een zodanige grote impact heeft op de slachtoffers dat zij daarvan lange tijd psychische gevolgen van kunnen ondervinden. Dat hiervan ook in dit geval sprake is blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de verdachte.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 25 mei 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 651,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2011, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële en immateriële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2011.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 651,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter te 's-Gravenhage van 22 juni 2010 onder parketnummer 09-900478-10 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] terzake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 651,00 (zeshonderdeenenvijftig euro) bestaande uit € 375,00 (driehonderdvijfenzeventig euro) materiële schade en € 276,00 (tweehonderdzesenzeventig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], een bedrag te betalen van € 651,00 (zeshonderdeenenvijftig euro) als vergoeding voor materiële en immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 13 (dertien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, de verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te 's-Gravenhage van 22 juni 2010, parketnummer 09-900478-10, te weten van:een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Dit arrest is gewezen door mr. N. Schaar,

mr. W.J. van Boven en mr. T.J.P. van Os van den Abeelen, in bijzijn van de griffier mr. S. Imami.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 juni 2012.