Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX6755

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-08-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
22-003768-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen door een aanzienlijk geldbedrag, waarvan hij wist dat het van misdrijf afkomstig was, binnen korte tijd gedeeltelijk cash op te nemen en voor het overige over te maken naar Duitsland.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden. Daarnaast wordt de vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-003768-11

Parketnummer: 09-758532-10

Datum uitspraak: 24 augustus 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 augustus 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1967,

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 10 augustus 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep, met de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in de periode van 9 tot en met 16 september 2010 te Delft en/of 's-Gravenzande en/of Monster en/of Amsterdam en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, Agro Energy B.V. heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 147.984,50 euro, althans een (groot) geldbedrag, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- schriftelijk althans mondeling verzocht het rekeningnummer van Greenlight Energy B.V. te wijzigen in rekeningnummer [rekeningnr.], zijnde het rekeningnummer van verdachte en/of zijn mededaders en/of

- (vervolgens) een akkoord voor betaling van het geldbedrag aan dit rekeningnummer gegeven;

waardoor Agro Energy B.V. werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

subsidiair

hij in de periode van 9 tot en met 16 september 2010 te Delft en/of 's-Gravenzande en/of Monster en/of Amsterdam en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een geldbedrag van 147.984,50 euro, althans een (groot) geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Agro Energy B.V. en/of Greenlight Energy B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten door storting op zijn bankrekening (bij Fortis Bank Nederland), onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

meer subsidiair

hij op een (of meer) tijdstip(en) in of omstreeks de periode van 9 september 2010 tot en met 13 december 2010, te Delft en/of 's- Gravenzande en/of 's-Gravenhage en/of Monster en/of Amsterdam, althans in Nederland, van een voorwerp, te weten een geldbedrag (147.984,50 euro), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp was of wie bovenomschreven voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, voorhanden had, terwijl hij wist, althans rederlijkerwijs had moeten vermoeden dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit het misdrijf.

Partiële nietigheid inleidende dagvaarding

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - op gronden als vermeld in de ter terechtzitting overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota - betoogd dat de dagvaarding ter zake van het meer subsidiair ten laste gelegde nietig dient te worden verklaard. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het meer subsidiair ten laste gelegde onvoldoende feitelijk is omschreven en daarmee onbegrijpelijk is, nu de feitelijke gedragingen welke kunnen worden gekwalificeerd als witwassen niet nader zijn omschreven en ook niet is aangegeven uit welk misdrijf het voorwerp afkomstig zou zijn. Voorts is onduidelijk of de verdachte schuldwitwassen of witwassen ten laste is gelegd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Naar oordeel van het hof hebben de in het meer subsidiair ten laste gelegde gebezigde termen 'voorhanden hebben' en 'afkomstig uit het misdrijf' mede feitelijke betekenis. Het meer subsidiair ten laste gelegde voldoet derhalve aan de eisen van artikel 261, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en is niet onbegrijpelijk. Dat geldt ook voor de overige door de verdediging naar voren gebrachte bezwaren. Voorts is niet gebleken dat de verdachte niet heeft begrepen waartegen hij zich moest verdedigen. Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig haar overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota - betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Daartoe heeft zij aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte bewust en nauw heeft samengewerkt met de persoon die de onder het primair ten laste gelegde omschreven handelingen heeft verricht.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter terechtzitting gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Een medewerker van Agro Energy B.V. heeft op 9 september 2010 het rekeningnummer van Green Light B.V. veranderd in rekeningnummer [rekeningnr.], te weten het rekeningnummer van de verdachte, waarna diezelfde dag een andere medewerker van Agro Energy B.V. een akkoord heeft gegeven voor het overmaken van een bedrag van € 147.984,50 op die bankrekening.

Het dossier bevat enkele aanwijzingen die duiden op een bewuste en nauwe samenwerking van de verdachte met een of meer anderen, gelet op bovenbedoelde toedracht en in het bijzonder gelet op de analyse van telefoongegevens waaruit blijkt dat de verdachte in de ten laste gelegde periode regelmatig telefonisch contact heeft gezocht met een telefoonnummer waarmee in die periode ook een medewerker van Agro Energy B.V. contact heeft gehad. Het hof is echter met de rechtbank van oordeel dat die aanwijzingen onvoldoende substantieel en ook onvoldoende concreet zijn om tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde te kunnen komen. Derhalve kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat de verdachte daarvan - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - dient te worden vrijgesproken.

Vrijspraak van het subsidiair ten laste gelegde

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte - op gronden als vermeld in haar overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota - betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde. Daartoe heeft zij aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte het geldbedrag 'anders dan door misdrijf' onder zich heeft gekregen, nu het geldbedrag juist wel door een misdrijf op zijn rekening terecht is gekomen. Verder heeft zij aangevoerd dat de verdachte ontkent op 14 en 15 september 2010 in totaal € 128.000 te hebben overgemaakt van zijn rekening naar de rekening van Noble Metal House. Tenslotte heeft de verdachte de op 14, 15 en 16 september 2010 gepinde geldbedragen zich niet wederrechtelijk toegeëigend, nu hij ervan uitging en ervan uit mocht gaan dat hij geld zou ontvangen uit de executieverkoop van zijn woning.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat het bestandsdeel 'anders dan door misdrijf' zo moet worden begrepen dat het niet een door de verdachte begaan misdrijf betreft. Ondanks dat de verdachte, zoals hierboven is overwogen, van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, valt naar oordeel van het hof op grond van het dossier en het ter terechtzitting verhandelde betrokkenheid van de verdachte bij het primair ten laste gelegde in enige vorm van medeplichtigheid - bijvoorbeeld door het aan derden ter beschikking stellen van zijn rekeningnummer - hoewel niet ten laste gelegd - bepaald niet uit te sluiten. Derhalve kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte het geldbedrag anders dan door eigen misdrijf heeft verkregen en dient hij ook te worden vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 14 september 2010 tot en met 16 september 2010, in Nederland van een geldbedrag (147.984,50 euro), de werkelijke aard, de herkomst en/of de vindplaats heeft verborgen en/of verhuld,terwijl hij wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig de door haar overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota - bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het meer subsidiair ten laste gelegde. Daartoe heeft zij aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat het op zijn bankrekening gestorte bedrag van € 147.984,50 van misdrijf afkomstig was.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Nadat, als reeds is overwogen, op 9 september 2010 het rekeningnummer van Green Light B.V. was veranderd in het rekeningnummer van de verdachte en diezelfde dag akkoord was gegeven tot het overmaken van een bedrag van

€ 147.984,50 op die bankrekening, is op 14 september 2010 te 18:02 uur door Eneco Services € 147.984,50 op de rekening van de verdachte gestort.

Vervolgens heeft de verdachte in de periode van 14 september 2010 tot en met 16 september 2010 ten bate en ten laste van zijn bankrekening de volgende handelingen verricht:

Op 14 september 2010:

- om 18:02 uur: Eneco Services stort € 147.984,50 op de rekening van verdachte;

- om 18:22 uur: verdachte neemt een bedrag van € 1.250,- op bij de ABN AMRO te 's-Gravenzande;

- om 18:31 uur: bij servicestation Argos in Monster wordt per pin een betaling verricht voor een bedrag van € 51,57;

- om 21:30 uur: in twee stortingen wordt een totaalbedrag van € 78.323,50 overgemaakt naar Noble Metal House in Duitsland onder vermelding van 'Bestellung A. Lit'.

Op 15 september 2010:

- om 00:35 uur: wordt een bedrag van € 1.250,- opgenomen bij de ABN AMRO te Amsterdam;

- om 09:09 uur: verdachte verhoogt de daglimiet van zijn rekening bij een filiaal van de Fortis Bank te Naaldwijk;

- om 09:35 uur wordt een bedrag van € 50.000,00 overgemaakt naar Noble Metal House in Duitsland onder vermelding van 'Bestellung A. Lit';

- om 10:22 uur, 10:23 uur, 10:24 uur en 10:25 uur: wordt viermaal een bedrag van € 2.000,- gepind bij de ABN AMRO te Amsterdam;

- om 10:27 uur wordt een bedrag van € 750,- gepind bij de ABN AMRO in Amsterdam;

- om 11:42 uur verdachte verhoogt de daglimiet van zijn rekening bij een filiaal van de Fortis Bank in Den Haag.

Op 16 september 2010:

- om 09:39 uur, 09:40 uur, 09:41 uur en 09:43 uur: wordt viermaal een bedrag van € 2.000,- gepind bij de ABN AMRO in Den Haag.

De verdachte heeft op 1 februari 2011 tegenover de politie verklaard dat hij een bedrag tussen de € 140.000 en € 150.000 op zijn bankrekening gestort kreeg en in de veronderstelling verkeerde dat het op zijn bankrekening gestorte bedrag afkomstig was uit de openbare verkoop van zijn woning door de hypotheek verstrekkende bank. Toen hij de volgende dag wilde gaan pinnen en zag dat er een groot bedrag was afgeboekt, dacht de verdachte dat de bank in eerste instantie een fout had gemaakt bij het overmaken het geldbedrag. De verdachte dacht recht te hebben op het op zijn bankrekening resterende en door de verdachte opgenomen bedrag.

Naar het oordeel van het hof is de verklaring van de verdachte voor de aanwezigheid van een bedrag van € 147.984,50 op zijn bankrekening onaannemelijk. De woning van de verdachte is weliswaar op 14 september 2010 om 14:00 uur op een openbare veiling voor een bedrag van € 152.000 geveild, maar de verdachte mocht en kon redelijkerwijs niet verwachten dat de verkoopsom op zijn rekening zou worden gestort. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat bij de executieverkoop van een woning de verkoopsom wordt gestort bij de notaris.

Daarnaast was het in casu zeer onwaarschijnlijk dat de verdachte aanspraak kon maken op een overwaarde, nu uit de bij het proces-verbaal van bevindingen van 4 oktober 2010, nr. PL1581 2010192429-9, gevoegde bijzondere veilingvoorwaarden volgt dat naast de hypotheekhouder nog vier andere schuldeisers (conservatoir) beslag hadden gelegd op de woning van de verdachte.

Nu de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van een geldbedrag van

€ 147.984,50 op zijn bankrekening, moet de verdachte hebben geweten dat het geldbedrag ten onrechte op zijn rekening was gestort. Deze wetenschap, in onderlinge samenhang bezien met de in het dossier aanwezige aanwijzingen van een vorm van betrokkenheid van de verdachte, doordat hij in ieder geval op de hoogte moet zijn geweest van de (primair ten laste gelegde) oplichting, die zich zeer kort tevoren had voltrokken, maakt dat de verdachte moet hebben geweten dat het op zijn rekening gestorte geldbedrag van misdrijf afkomstig was. Het verweer van de raadsvrouw wordt mitsdien verworpen.

Voor zover de raadsvrouw ter zake van het meer subsidiair ten laste gelegde heeft willen betogen dat derden - skimmers - wellicht misbruik hebben gemaakt van de bankgegevens van de verdachte en dat het derhalve niet de verdachte is geweest die geld heeft overgeboekt naar onder andere Noble House, overweegt het hof als volgt.

Uit de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat de verdachte, nadat vanuit de bank een rekeningnummer was gemanipuleerd en het bedrag van € 147.984,50 op zijn rekening was gestort, zelf diverse handelingen ten aanzien van zijn bankrekening heeft verricht. Het is een feit van algemene bekendheid dat skimmers veelal snel en anoniem een geldbedrag van andermans rekening plegen te halen en dat niet doen door middel van het overmaken van bedragen naar bankrekeningen van derden, die immers zelf het geld van die rekening zouden kunnen halen om het vervolgens buiten bereik van de skimmers te brengen. Nu het dossier ook overigens geen enkele concrete aanwijzing bevat voor de betrokkenheid van skimmers, acht het hof het onaannemelijk dat zij in casu een rol hebben gespeeld.

Het hof verwerpt het verweer.

Voorwaardelijk getuigenverzoek

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte - overeenkomstig de door haar overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota - verzocht om, indien het hof de verklaring van de verdachte dat hij geld uit de verkoop van zijn woning op zijn rekening mocht verwachten ongeloofwaardig dan wel onaannemelijk zou achten, [getuige] (medewerker bij de Rabobank) en de toenmalige notaris van de verdachte als getuigen te doen horen.

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.

Het hof acht het horen van [getuige] en de toenmalig notaris van de verdachte, in het licht van hetgeen de raadsvrouw ter onderbouwing van dat verzoek naar voren heeft gebracht, niet noodzakelijk. Derhalve wordt het getuigenverzoek van de raadsvrouw afgewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:

witwassen

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen door een aanzienlijk geldbedrag, waarvan hij wist dat het van misdrijf afkomstig was, binnen korte tijd gedeeltelijk cash op te nemen en voor het overige over te maken naar Duitsland. Dit vormt een onaanvaardbare bedreiging voor de legale economie en voor de integriteit van het financiële en economische verkeer.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 juli 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het begaan van alleen (twee) overtredingen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding AgroPower B.V.

In het onderhavige strafproces heeft AgroPower B.V. zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 147.984,50.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag. Voorts is aan de orde de door de benadeelde partij gevorderde gemaakte kosten aan rechtsbijstand, tot een bedrag van € 8.218,26.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het meer subsidiair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Naar oordeel van het hof levert de behandeling van de door de benadeelde partij gevorderde kosten voor rechtsbijstand een onevenredige belasting van het strafgeding op. Derhalve zal het hof een kostenveroordeling voor de door de benadeelde partij gevorderde kosten aan rechtsbijstand achterwege laten.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer AgroPower B.V.

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 147.984,50 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer AgroPower B.V.

Beslag

Ter zake van de op de aangehechte beslaglijst in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende worden gelast, aangezien thans niet duidelijk wie als rechthebbende van dit voorwerp kan worden aangemerkt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het meer subsidiair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

6 (zes) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 3 staven goud (elk 500 gram).

Vordering van de benadeelde partij AgroPower B.V.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij AgroPower B.V. terzake van het meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 147.984,50 (honderdzevenenveertigduizend negenhonderdvierentachtig euro en vijftig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd AgroPower B.V., een bedrag te betalen van € 147.984,50 (honderdzevenenveertigduizend negenhonderdvierentachtig euro en vijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. A.J.M. Kaptein,

mr. M.J.J. van den Honert en mr. J.H. Wesselink, in bijzijn van de griffier mr. N.N.D. Bos.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 augustus 2012.