Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX6735

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
22-001539-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd, inzake het ten laste gelegde namelijk, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-001539-11

Parketnummer: 10-642098-09

Datum uitspraak: 1 augustus 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 7 maart 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1955,

[adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 18 juli 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 250,-, subsidiair 5 dagen vervangende hechtenis.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 4 oktober 2008 te Rotterdam [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is de verdachte opzettelijk dreigend (met gebalde vuist) in de richting van die [benadeelde partij] gelopen en/of die [benadeelde partij] tot op zeer korte afstand genaderd (waardoor hij, verdachte borst aan borst met die [benadeelde partij] kwam te staan) en/of tegen die [benadeelde partij] aanduwde en/of heeft hij, verdachte, (daarbij) deze [benadeelde partij] dreigend de woorden toegevoegd:

-"Ik zet op jouw hoofd een prijs, want jij haalt brood uit mijn mond", en/of

-"Ik weet jou wel te vinden en ik zet een prijs op jouw hoofd", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van de verdachte heeft - kort en zakelijk weergegeven - betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging behoort te worden verklaard nu ter zake van onderhavig feitencomplex reeds door de bestuursrechter een sanctie is opgelegd aan de verdachte. Op grond van het ne bis in idem-beginsel, dan wel het una via-beginsel, had de officier van justitie niet tot strafvervolging mogen over gaan.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt hiertoe het volgende.

Het hof stelt op grond van de zich in het dossier bevindende stukken vast dat, naar aanleiding van het feit zoals onder 1 ten laste gelegd, de standwerkervergunning van de verdachte op grond van artikel 12 van de Marktverordening Rotterdam 2008 jo de bepaling VIII van de Beleidsregel sanctiebeleid warenmarkten Rotterdam 2007 was geschorst voor de duur van zes maanden. De duur van deze schorsing is bij uitspraak van de bestuursrechter in de rechtbank Rotterdam van 20 januari 2010 beperkt tot drie maanden. De uitspraak van de bestuursrechter is onherroepelijk.

In artikel 14, zevende lid, van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) is het zogenoemde ne bis in idem-beginsel neergelegd. Nederland heeft ten aanzien van deze bepaling expliciet het voorbehoud gemaakt dat deze bepaling geldt voor zover deze niet verderstrekkend is dan de bescherming die artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht biedt. De werking van laatstgenoemde bepaling is beperkt tot het geval van een eerdere strafrechtelijke vervolging. De omstandigheid dat er al een civielrechtelijke, tuchtrechtelijke of administratiefrechtelijke beslissing is geweest, vormt dan ook geen beletsel voor het Openbaar Ministerie om eveneens strafrechtelijk te vervolgen.

Er bestaat naar Nederlands recht geen algemeen beginsel dat in de weg staat aan een strafrechtelijke vervolging ten aanzien van een bepaald feit, indien op dat feit door de overheid reeds is gereageerd op een wijze die (ook) punitieve elementen kent. Wel is er een wettelijke beperking ter zake van de bestuurlijke boete en de strafrechtelijke vervolging, zoals neergelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) respectievelijk het Wetboek van strafvordering. Hiermee is het zogenoemde una via-beginsel tot uitdrukking gebracht, hetgeen inhoudt dat het niet mogelijk is om voor eenzelfde feit zowel een bestuurlijke boete op te leggen als een strafvervolging in te stellen.

Nu van een eerdere strafrechtelijke vervolging noch van een bestuurlijke boete ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit sprake is, is het hof van oordeel dat geen beletsel heeft bestaan voor het instellen van strafvervolging. Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 4 oktober 2008 te Rotterdam

[benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is de verdachte opzettelijk dreigend in de richting van die [benadeelde partij] gelopen en die [benadeelde partij] tot op zeer korte afstand genaderd (waardoor hij, verdachte borst aan borst met die [benadeelde partij] kwam te staan) en/of tegen die [benadeelde partij] aanduwde en heeft hij, verdachte, (daarbij) deze [benadeelde partij] dreigend de woorden toegevoegd:

-"Ik zet op jouw hoofd een prijs, want jij haalt brood uit mijn mond", en/of

-"Ik weet jou wel te vinden en ik zet een prijs op jouw hoofd", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 250,-, subsidiair 5 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.

Strafmotivering

Op grond van de feiten en omstandigheden waarvan is gebleken uit de zich in het dossier bevindende stukken en hetgeen ter terechtzitting is verhandeld, neemt het hof in aanmerking dat hetgeen op 4 oktober 2008 is voorgevallen tussen de verdachte en aangever [benadeelde partij], voor de verdachte ook buiten het strafproces ingrijpende gevolgen heeft gehad. Gelet op de bestuursrechtelijke sanctie die aan de verdachte met betrekking tot zijn beroepsuitoefening is opgelegd en de financiële gevolgen die hij hierdoor heeft ondervonden, zal het hof aan de verdachte geen straf of maatregel opleggen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit arrest is gewezen door mr. D. Jalink,

mr. R.C. Langeler en mr. A.M.P. Gaakeer, in bijzijn van de griffier mr. F.L.C. Schoolderman.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 augustus 2012.