Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX6649

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
06-09-2012
Zaaknummer
200.090.820.
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Afwikkeling echtscheiding.Voortzetting VOF. Vordering tot nakoming van gemaakte afspraken. Dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector civiel

Zaaknummer : 200.090.820

Zaak-rolnummer Rechtbank : 377644 / KG ZA 2011-379

arrest d.d. 31 juli 2012

inzake

de vrouw,

wonende te `s-Gravenhage,

appellante,

advocaat: mr. M.P.M. Fruytier te Amsterdam,

tegen

de man,

wonende te Spijkenisse,

geïntimeerde,

advocaat: mr. L.Ph.J. van Utenhove te ’s-Gravenhage.

1. Het verdere verloop van het geding

Het hof heeft op 20 maart 2012 arrest gewezen in het incident.

Op 20 juli 2012 is de zaak bepleit namens de vrouw door haar advocaat en namens de man door mr. drs. Van den Bosch te Rotterdam.

Partijen hebben hun procesdossier aan het hof overgelegd en arrest gevraagd.

2. De verdere beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Door de vrouw wordt gevorderd: het hof moge behage bij arrest, het vonnis waarvan beroep in conventie te vernietigen en het vonnis waarvan beroep in reconventie te bekrachtigen, en voor zover opnieuw rechtdoende, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. de man te veroordelen binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest te betalen een bedrag van € 19.200, - (zijnde de achterstallige betalingen over de periode van november 2010 tot 1 juni 2011), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van de respectievelijke vervaltermijnen, onder aftrek van de betalingen welke de man heeft verricht aan de ING bank tussen 1 november 2010 en 1 juni 2011 ter voldoening van de hypotheekverplichting aan deze bank ten behoeve van de woning [..] te `s-Gravenhage.

2. de man te veroordelen binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest aan de vrouw te betalen de verbeurde dwangsommen zoals bepaald bij vonnis van 2 maart 2010 van in totaal € 100.000,-;

3. te bepalen dat de in het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Rotterdam van 2 maart 2010 vastgestelde maximale hoogte van de dwangsom wordt verhoogd tot een bedrag van € 500.000,-;

4. de man te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest alle inkomsten van de [VOF A] over te maken op de aan partijen bekende VOF rekening bij de ABN AMRO zulks op straffe van een direct opeisbare boete van € 10.000,- voor iedere dag of voor ieder dagdeel dat de man niet aan deze veroordeling zal voldoen;

5. de man te veroordelen tot nakoming van hetgeen is vastgelegd in het proces-verbaal van de behandeling in kort geding op 18 augustus 2009, zaaknummer 2009341821 / KG ZA 09/882, meer in het bijzonder de bepaling die luidt (ARTIKEL 8). Partijen zullen ten laste van de VOF geen verplichtingen aangaan zonder dat de ene partij voorafgaand aan het aangaan van die verplichting aan de andere partij zijn of haar voorafgaande goedkeuring heeft gevraagd en verkregen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of dagdeel dat de man deze veroordeling niet nakomt;

6. de man te veroordelen in de kosten van het geding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, inclusief de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening van de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn van voldoening.

Grief 1 Vernietiging overweging

2. De vrouw stelt in grief 1 dat zij een belang heeft bij de vernietiging van de overwegingen 5.2.3. uit het vonnis. Immers deze overweging kan een eigen rol gaan spelen in de afwikkeling van de echtscheiding en met name in de wijze waarop er bezwaar zal moeten worden gemaakt tegen de aangifte 2007 dan wel tegen de door de fiscus op te leggen aanslag.

3. Door de man is tegen de grief gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Het hof overweegt als volgt. De onderhavige procedure is een appel van het vonnis van 8 juni 2011 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam. De vrouw geeft als haar belang aan dat de overweging van de voorzieningenrechter kan prejudiciëren op de beslissing van de bodemrechter. Naar het oordeel van het hof beslist de bodemrechter volstrekt zelfstandig zonder gebonden te zijn aan hetgeen de voorzieningenrechter heeft beslist dan wel overwogen. De beslissing van de voorzieningenrechter is slechts een voorlopige voorziening. De grief faalt.

Grief 2 Is de zelfde vordering ingesteld?

5. De vrouw verwijst in deze grief naar rechtsoverweging 5.3 van het vonnis van 8 juni 2011 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam.

6. In r.o. 5.3 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam overwogen: ” Het tweede en derde onderdeel van de vordering van [de vrouw] beoogt dat alleen zij de VOF en de Herbalife-activiteiten zal voortzetten. Bedoelde vordering wordt onderbouwd met de stellingen dat [de man] zeer veel schade heeft toegebracht aan de VOF en voorts handelingen verricht die het bestaan van het distributeurschap in gevaar brengen.”

7. De vrouw stelt in punt 199 van haar appeldagvaarding dat de man schade toebrengt aan de VOF door enerzijds niets te doen om het verval van de omzetten tegen te gaan en anderzijds er niets aan heeft gedaan om de verkoop van de producten te realiseren.

8. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken. De man heeft onder meer gesteld dat het verwijt dat de vrouw hem maakt dat hij de VOF niet goed leidt een in elke procedure terugkerend thema is.

9. Het hof overweegt als volgt. Gezien de toelichting op deze grief in samenhang bezien met het petitum is het hof de strekking van de grief niet duidelijk. Door de vrouw wordt in haar petitum niet gevorderd dat zij de ondernemingsactiviteiten in de voormalige VOF mag voortzetten. Uit de gewisselde stukken volgt dat de [VOF A] per 30 november 2009 is ontbonden. Voor een VOF moeten er tenminste twee vennoten zijn. Sinds 30 november 2009 zijn er met betrekking tot de [VOF A] geen twee vennoten meer. Van een voortzetting van de [VOF A] kan derhalve geen sprake meer zijn. Als de man na 30 november 2009 in het kader van de voortzetting van ondernemingsactiviteiten verplichtingen aangaat komen deze lasten in beginsel ten laste van zijn privé vermogen. Voorts volgt uit de gewisselde stukken dat de huwelijksgoederengemeenschap van partijen per 10 juni 2009 is ontbonden. Indien de man na 10 juni 2009 verplichtingen aangaat zijn die in beginsel niet meer verhaalbaar op de huwelijksgoederengemeenschap.

10. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw geen te respecteren belang bij haar grief.

Grief 3

11. Naar het oordeel van het hof heeft grief 3 geen zelfstandige betekenis. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen heeft de vrouw niet in appel gevorderd om de voormalige ondernemingsactiviteiten van de [VOF A] voort te zetten. Feitelijk zet de man al gedurende 4 jaar de ondernemingsactiviteiten voort. Gezien deze situatie is het hof van oordeel dat het aan de bodemrechter is om te oordelen wie van partijen in het kader van de verdeling de “ondernemingsactiviteiten” van de voormalige [VOF A] mag voortzetten.

Grief 4 Achterstallige alimentatie

12. Uit de toelichting op de grief in samenhang bezien met het petitum vordert de vrouw in kort geding betaling van een vordering.

13. Door de man wordt gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering.

14. Het hof overweegt als volgt. In kort geding kan een geldvordering worden ingesteld en de vordering kan in kort geding worden toegewezen indien de vordering op een eenvoudige wijze kan worden vastgesteld. Gezien het gemotiveerde verweer van de man kan het hof de mogelijke geldvordering van de vrouw niet op eenvoudige wijze vaststellen. Grief 4 treft geen doel.

Grief 5 Nakoming vonnis 2 maart 2010

15. Uit de toelichting op de grief volgt (zie punt 227) dat de man volgens de vrouw niet voldaan heeft aan de in het vonnis van 2 maart 2010 geformuleerde verplichtingen. De vrouw geeft in punt 227 een opsomming van de feiten waaraan de man niet heeft voldaan.

16. Door de man wordt in punt 55 gesteld dat hij wel heeft voldaan aan het vonnis van 2 maart 2010.

17. Het hof overweegt als volgt. Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat in het bestek van een kort geding procedure niet op een eenvoudige wijze kan worden vastgesteld of de man al dan niet zijn medewerking geeft aan de uitvoering van het vonnis van 2 maart 2010.

18. De wijze waarop de vrouw de onderhavige appel kort geding procedure wenst te voeren duidt meer op een bodemprocedure. Haar appeldagvaarding had een omvang van 62 pagina`s exclusief honderden pagina’s aan bijlagen. Voorts is er in de onderhavige procedure gepleit en voorafgaande aan het pleidooi zijn weer stukken in het geding gebracht.

19. De vrouw heeft geen verklaring in het geding gebracht van Lankester RA dat de man niet de benodigde informatie verstrekt met betrekking tot de voormalige [VOF A].

20. De man heeft in zijn memorie van antwoord aangegeven welke gegevens hij aan de deskundige Lankester RA heeft verstrekt.

21. Uit een brief van mr. L.Stam van 15 juni 2012 gericht aan de rechtbank Rotterdam volgt dat de man een bedrag heeft gestort, naar het hof begrijpt een storting ten behoeve van de deskundige. Voorts is in de brief vermeld:” Van de deskundige heeft de man begrepen dat hij nog niet is aangevangen met zijn onderzoek omdat de rechtbank hem nog niet officieel heeft medegedeeld dat hij zijn werkzaamheden kan aanvangen.” Uit deze brief blijkt dat de man wel zijn medewerking verleent aan het onderzoek van de deskundige.

22. Het hof is derhalve van oordeel dat de man geen dwangsommen heeft verbeurd aangezien niet vastgesteld kan worden dat de man niet meewerkt aan de uitvoering van afspraken die partijen over en weer hebben gemaakt. Het hof geeft partijen in overweging dat ze er verstandig aan doen om op een constructieve wijze met elkaar te overleggen en te zoeken naar een voor beide partijen aanvaardbare oplossing. De onderhavige procedures leiden tot een aanzienlijk kapitaalverlies voor partijen.

Grief 6 Verhoging dwangsom

23. In de toelichting op haar grief geeft de vrouw aan dat zij het niet eens is met de beslissing van de voorzieningenrechter om de dwangsommen niet te verhogen.

23. De man heeft hier tegen verweer gevoerd.

24. Het hof overweegt als volgt. De hoogte van de dwangsom wordt bepaald door de feitenrechter. De feitenrechter heeft daarbij een grote mate van vrijheid om de hoogte vast te stellen. Het hof ziet in het onderhavige geval geen enkele relevante grond om de dwangsom te verhogen.

Grief 7 Inkomsten [VOF A]

25. Het hof leest deze grief in samenhang met punt 4 van haar petitum. De vrouw wenst dat de inkomsten van de [VOF A] worden gestort op een door de heer Lankester RA aan te wijze rekening.

26. De man heeft in punt 77 gesteld dat met de deskundige Lankester RA is afgesproken dat de Royalty - en bonusinkomsten van Herbalife de komende tijd tot nadere order rechtstreeks op de derdenrekening van Boringa & Lankester worden gestort. De man heeft in punt 79 gesteld dat storten op de bankrekening van de [VOF A] geen zin heeft. Het interveniëren in het zakelijke betalingsverkeer was ook een van de redenen om de VOF op te zeggen.

27. Het hof overweegt als volgt. Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen is de [VOF A] ontbonden. Gezien dit feit kan de [VOF A] geen inkomsten generen. De grief treft geen doel.

Proceskosten

28. De vrouw is het er niet mee eens dat zij in de proceskosten is veroordeeld.

29. De man is van mening dat de vrouw terecht is veroordeeld in de proceskosten.

30. Het hof overweegt als volgt. De hoofdregel is dat in beginsel de proceskosten tussen ex- echtgenoten worden gecompenseerd in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt. Er kunnen echter bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan de rechter van de hoofdregel kan afwijken. Het hof is van oordeel dat de voorzieningenrechter op goede gronden de vrouw in de kosten van de procedure heeft veroordeeld. Het hof maakt die gronden tot de zijne.

31. Het hof is van oordeel dat het onderhavige appel nodeloos is geweest. Een kortgeding procedure is geen bodemprocedure. De geschillen die de vrouw aan de orde heeft gesteld dienen beoordeeld te worden door de bodemrechter. Het hof is derhalve van oordeel dat de vrouw ook in de kosten van het appel moet worden veroordeeld.

Bekrachtiging

32. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen dient het vonnis van 8 juni 2011 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen te worden bekrachtigd.

3. Beslissing

Het Hof.

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 8 juni 2011 tussen de partijen gewezen;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

veroordeelt de vrouw in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de man tot deze uitspraak begroot op € 3331:

- € 649 vastrecht

- € 2682 salaris advocaat

Dit arrest is gewezen door mrs. Labohm, Lückers, van der Burght en uitsproken ter openbare terechtzitting van 31 juli 2012 in aanwezigheid van de griffier.