Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX6373

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
06-09-2012
Zaaknummer
200.103.271-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewindvoering en schenking. Schenking wordt niet in het belang geacht van de betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 8 augustus 2012

Zaaknummer : 200.103.271/01

Rekestnummer rechtbank : 292320 BM VERZ 11-2063

[de bewindvoerder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de bewindvoerder,

advocaat mr. M.D. Witvliet te Dordrecht.

Als belanghebbende is aangemerkt:

1. [de rechthebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de rechthebbende;

2. [de broer van rechthebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de broer van rechthebbende,

3. [de stiefzoon van rechthebbende],

woonplaats onbekend,

de stiefzoon van rechthebbende.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De bewindvoerder is op 6 maart 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 6 januari 2012 van de kantonrechter in de rechtbank Dordrecht.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de bewindvoerder:

- op 20 maart 2012 een brief van diezelfde datum met bijlage.

Op 16 april 2012 is bij het hof een brief van de rechthebbende van 13 april 2012 ingekomen.

Op 20 april 2012 is bij het hof een brief van de broer van rechthebbende van 18 april 2012 ingekomen.

De zaak is op 13 juli 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de bewindvoerder, bijgestaan door haar advocaat, alsmede bijgestaan door haar echtgenoot.

De rechthebbende, de broer van rechthebbende en de stiefzoon van rechthebbende zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de bewindvoerder, strekkende tot het verkrijgen van toestemming om namens de rechthebbende aan haar en aan haar broer, zijnde de stiefzoon van rechthebbende, een bedrag van € 5.030,- te mogen schenken, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het verzoek tot het verkrijgen van toestemming om namens de rechthebbende een bedrag van € 5.030,- te mogen schenken aan de bewindvoerder en de stiefzoon van rechthebbende.

2. De bewindvoerder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, haar verzoek alsnog toe te wijzen, althans een schenking ten behoeve van haar en de stiefzoon van rechthebbende te mogen doen van een zodanig lager bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof vermeent te behoren.

3. De bewindvoerder kan zich niet verenigen met de beslissing van de kantonrechter en voert daartoe, kort weergegeven, het volgende aan. De bewindvoerder stelt dat zij en haar broer ingevolge de laatste wilsbeschikking en na het overlijden van de echtgenote van de rechthebbende de enige erfgenamen van de rechthebbende zijn. De bewindvoerder erkent dat er nimmer schenkingen van grote waarde door de rechthebbende en zijn echtgenote zijn gedaan nu er eerder geen beschikbaar vermogen was, maar ten bewijze van haar stelling dat er in het verleden wel degelijk sprake is geweest van een schenkingstraditie heeft de bewindvoerder twee lijsten in het geding gebracht waaruit blijkt welke goederen zij en haar broer in de loop der jaren van de rechthebbende en zijn echtgenote hebben ontvangen (productie 5 bij het beroepschrift). Door de verkoop van de woning heeft de rechthebbende volgens de bewindvoerder een omvangrijk vermogen gekregen en met een schenking van € 5.030,- aan haar en haar broer wordt de financiële positie van de rechthebbende niet in gevaar gebracht.

4. Uit de ingekomen correspondentie is gebleken dat de rechthebbende en de broer van rechthebbende zich kunnen verenigen met het verzoek van de bewindvoerder.

5. Het hof overweegt als volgt. Nog in het midden gelaten of er in het verleden sprake is geweest van een schenkingstraditie van de rechthebbende en wijlen zijn echtgenote, is het hof van oordeel dat het verzoek van de bewindvoerder dient te worden afgewezen. De bewindvoerder stelt dat zij en haar broer de enige erfgenamen van de rechthebbende zijn maar de bij het beroepschrift overgelegde laatste wilsbeschikking waarin zij als erfgenamen worden benoemd, betreft slechts een (niet ondertekende) concept-akte. Weliswaar is genoegzaam vast komen te staan dat de woning van de rechthebbende in 2011 is verkocht voor circa € 250.000,- , en dat er op 22 november 2011 € 250.000,- is bijgeschreven op Rabo internetsparen ten name van de rechthebbende, maar de bewindvoerder heeft niet inzichtelijk gemaakt wat het huidige vermogen van de rechthebbende is, of er eventueel nog andere vermogensbestanddelen van de rechthebbende zijn en wat de rechthebbende voor zijn dagelijkse uitgaven maandelijks aan inkomen nodig heeft. Bovendien is er geen aangifte Inkomstenbelasting van de rechthebbende overgelegd, waaruit de inkomenspositie blijkt of kan worden afgeleid. De stelling ter zitting van het hof, dat het vermogen van de rechthebbende sinds de verkoop van de woning ongewijzigd is gebleven, is niet met bewijsstukken gestaafd. Gezien het vorenstaande is het voor het hof niet mogelijk om te beoordelen of de beoogde schenking de financiële positie van de rechthebbende in het kader van zijn toekomstige verzorging wellicht in gevaar zal brengen met als gevolg dat het verzoek niet kan worden toegewezen.

6. Het vorenstaande brengt met zich dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Lückers en Mertens-de Jong, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 augustus 2012.