Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX6335

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
04-09-2012
Zaaknummer
22-001774-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:BW0221, Meerdere afhandelingswijzen
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:1359, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

het hof heeft de verdachte ter zake van de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag op zijn ex-vriendin en ter zake van een negental andere feiten (waaronder meerdere geweldsdelicten) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achtien) jaren, met aftrek van voorarrest.

Wetsverwijzingen
Wet wapens en munitie 55
Wet wapens en munitie 26
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 302
Wetboek van Strafrecht 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001774-12

Parketnummers: 09-757648-11, 09-085046-10 en 09-655539-11

Datum uitspraak: 4 september 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 maart 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1975,

thans gedetineerd in PI Vught - Nieuw Vosseveld 2 LAA te Vught.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 21 augustus 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het bij parketnummer 09-757648-11 onder 6 ten laste gelegde, alsmede van het bij parketnummer 09-085046-10 ten laste gelegde vrijgesproken. Ter zake van het bij parketnummer

09-757648-11 onder 1 impliciet primair, 2, 3 tweede cumulatief/alternatief, 4, 5 en 7 subsidiair ten laste gelegde, alsmede ter zake van het bij parketnummer 09-655539-11 onder 1 en 2 ten laste gelegde is hij veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is er een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep, met de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is bij een drietal inleidende dagvaardingen - waarvan de feiten, nu de zaken in eerste aanleg zijn gevoegd, door het hof zijn doorgenummerd - na een wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 21 maart 2011 te 's-Gravenhage opzettelijk al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, met een revolver, althans een vuurwapen (op korte afstand) een of meer kogel(s) afgevuurd op/naar, althans in de richting van het hoofd, in ieder geval het lichaam, van die [slachtoffer 1], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en met 21 maart 2011 te 's-Gravenhage een wapen van categorie III, te weten een revolver (.32 Smith & Wesson), en/of munitie van categorie III, te weten 2 scherpe patronen (.32 Smith & Wesson), voorhanden heeft gehad.

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en met 20 maart 2011 te 's-Gravenhage en/of te Gouda, althans in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde heroïne en/of cocaine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

en/of

hij op of omstreeks 21 maart 2011 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 9,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of ongeveer 2,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

4.

hij op of omstreeks 21 januari 2011 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Sony/Ericsson, kleur zwart), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

5.

hij op of omstreeks 21 januari 2011 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer 1]), (met kracht) aan het (hoofd)haar heeft getrokken en/of (een pluk) haar uit het hoofd heeft getrokken, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

6.

hij op of omstreeks 21 januari 2011 te 's-Gravenhage wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning gelegen de [adres] en in gebruik bij [slachtoffer 1] en/of haar moeder, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte.

7.

hij op of omstreeks 24 april 2010 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een asbak op het hoofd heeft geslagen van die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 24 april 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer 2]), meermalen, althans eenmaal, met een asbak op het hoofd heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

8.

hij op of omstreeks 18 maart 2010 te Gouda met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (dames)fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

subsidiair

hij op of omstreeks 29 maart 2010 te Gouda, in elk geval in Nederland, een (dames)fiets heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die fiets wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

9.

hij op of omstreeks 26 februari 2011 te Gouda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 3], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de richting van zijn bovenlichaam heeft gestoken en/of gezwaaid (waarbij zijn jas is beschadigd), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

10.

hij op of omstreeks 26 februari 2011 te Gouda opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer 3]), meermalen, althans eenmaal, tegen het gezicht, althans het hoofd heeft gestompt en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Blijkens de akte rechtsmiddel heeft de officier van justitie op 28 maart 2012 tegen het vonnis in zijn geheel (alle onderscheiden parketnummers) hoger beroep ingesteld. Ter terechtzitting in hoger beroep van 21 augustus 2012 heeft de advocaat-generaal terstond na het voordragen van de zaak medegedeeld dat hoger beroep zich niet richt tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken van het onder 6 en 8 ten laste gelegde.

Nu er nog geen begin is gemaakt met behandeling van de zaak ten gronde en, naar oordeel van het hof, geen enkel strafvorderlijk belang een onderzoek ten gronde vordert, brengt een redelijke wetstoepassing in dit geval met zich dat de officier van justitie niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde hoger beroep, voor zover gericht tegen het onder 6 en 8 ten laste gelegde.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde moord

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden veroordeeld voor de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde moord op

[slachtoffer 1]. Hij heeft daartoe in zijn op schrift gestelde requisitoir gewezen op de (doods)bedreigingen die de verdachte jegens het slachtoffer heeft geuit sinds het eindigen van hun relatie eind 2010. Ook blijkt uit camerabeelden van de flat van de verdachte dat hij op 14 en 15 maart 2011 planmatig gedrag heeft vertoond door oog te houden op de woning waar het slachtoffer verbleef. Verder is gebleken dat de verdachte in de ochtend van 21 maart 2011 het slachtoffer heeft staan opwachten, waarna hij met een revolver op haar is afgerend. Voor zover uit voornoemde omstandigheden niet zou volgen dat de verdachte reeds vóór 21 maart 2011 voornemens was om het slachtoffer van het leven te beroven, volgt de voorbedachte rade in ieder geval uit de omstandigheid dat de verdachte na het lossen van het eerste schot is weglopen en na circa zeven seconden is teruggelopen en nogmaals op het slachtoffer heeft geschoten teneinde haar te liquideren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte het slachtoffer heeft neergeschoten in een opwelling. Overigens volgt uit de door de advocaat-generaal aangevoerde feiten en omstandigheden, voor zover deze al voldoende concreet volgen uit het strafdossier, niet dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.

Feiten en omstandigheden

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter terechtzitting gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De verdachte en het slachtoffer hebben een geruime tijd een relatie gehad en het slachtoffer heeft deze in december 2010 verbroken. De verdachte zou haar hierna meermalen hebben bedreigd. In januari van 2011 heeft het slachtoffer aangifte gedaan tegen de verdachte van onder meer ontvoering en mishandeling. Het slachtoffer is, volgens familieleden en vrienden, sinds die tijd doodsbang voor de verdachte geweest.

Op 21 maart 2011 om 07:21:00 uur verlaat de verdachte zijn woning, een flat die is gelegen tegenover de flat waar het slachtoffer al enige tijd bij haar moeder woont. Omstreeks 07:38:00 uur verlaat het slachtoffer de woning van haar moeder om naar haar werk te gaan. Wanneer zij bij haar auto staat en wil instappen, komt de verdachte op haar aflopen. De verdachte spreekt het slachtoffer aan en zij raken in gesprek. Er ontstaat een woordenwisseling, waarbij de verdachte het slachtoffer probeert mee te trekken; er wordt geduwd en getrokken. Omstreeks 07:48:00 komt er bij de meldkamer van de politie Haaglanden een 112-melding binnen. Het gesprek is opgenomen en woord voor woord in een proces-verbaal weergegeven. De melder, een buurvrouw van de moeder van het slachtoffer, meldt dat het slachtoffer weer wordt ontvoerd door haar ex, dat de verdachte en het slachtoffer bij de auto van het slachtoffer staan en dat de verdachte het slachtoffer probeert mee te sleuren. Vervolgens zegt zij dat wordt gezien dat de verdachte het slachtoffer heeft doodgeschoten, dat hij tweemaal heeft geschoten. Het slachtoffer is later die dag ten gevolge van deze schoten komen te overlijden.

De verdachte heeft verklaard dat hij die morgen zijn flat heeft verlaten en in zijn auto is gestapt om naar Gouda te gaan. Het was toeval dat hij het slachtoffer op dat ogenblik richting haar werk zag vertrekken. De verdachte wilde met het slachtoffer spreken over de man of mannen die zij tijdens zijn afwezigheid zou hebben meegenomen naar zijn woning en is toen op haar afgelopen. Het slachtoffer wilde echter geen antwoord geven op zijn vragen, waarop hij een revolver uit zijn binnenzak heeft gepakt en deze op haar heeft gericht om meer druk te zetten. "Anders schiet ik jou" heeft de verdachte volgens zijn eigen verklaring bij de politie tegen het slachtoffer gezegd en nadat deze zou hebben gezegd: "dan schiet je maar", heeft de verdachte haar neergeschoten. De verdachte heeft verklaard de revolver, die hij in de auto onder de bestuurdersstoel bewaarde, in de auto bij zich te hebben gestoken omdat hij in Gouda verdovende middelen ging verkopen.

Op camerabeelden van de hal en de omgeving van de flat van de verdachte is te zien dat hij op 14 maart 2011 om 07:22:08 zijn flat verlaat en tien minuten later terugkeert, waarbij hij meermalen achterom richting de [straat] kijkt. Voorts is te zien dat hij op 15 maart 2011 om 07:21:51 zijn flat verlaat en om 07:48:36 terugloopt naar de flat, terwijl hij ondertussen in de richting van de woning waar het slachtoffer verblijft kijkt. Aangekomen in de hal van zijn flat, blijft hij enkele seconden voor het raam bij de berghelling staan en kijkt hij wederom in de richting van genoemde woning.

De verdachte heeft hierover verklaard dat hij op die ochtenden of naar Gouda ging of iets uit zijn auto ging pakken.

Vooropgezet plan

Het hof stelt voorop dat van voorbedachte raad sprake is indien de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden over de betekenis en de gevolgen van het te nemen of genomen besluit en zich daarvan rekenschap te geven.

Het hof stelt vast dat tussen het verlaten van zijn flat en het aanspreken van het slachtoffer op 21 maart 2011 een tijdsspanne van zeventien minuten ligt. Hoewel dit tijdsverloop opmerkelijk is, kan daaruit, naar het oordeel van het hof, niet onomstotelijk volgen dat de verdachte het slachtoffer heeft staan opwachten met het vooropgezette plan haar van het leven te beroven. Immers, de mogelijkheid dat de verdachte daar stond te wachten met de bedoeling om het slachtoffer aan te spreken - wat in eerste instantie ook is gebeurd en met de strubbelingen daaromheen 10 minuten heeft geduurd - of haar (andermaal) te ontvoeren, is niet uit te sluiten. Eenzelfde oordeel geldt ter zake van de mogelijke voorverkenning door de verdachte op 14 en 15 maart 2011. Ook kan uit de gestelde woordelijke bedreigingen niet zonder meer worden opgemaakt dat de verdachte daadwerkelijk voornemens was het slachtoffer te doden. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat uit de gedragingen van de verdachte voorafgaand aan het schietincident, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, niet kan worden afgeleid dat de verdachte het vooropgezette voornemen had om het slachtoffer van het leven te beroven.

Voorbedachte raad ontstaan na het eerste schot

Voor zover de advocaat-generaal zich op het standpunt heeft gesteld dat de voorbedachte rade is af te leiden uit de omstandigheid dat tussen het eerste en het tweede moment waarop verdachte schoot een tijdspanne van 6,8 seconden heeft gezeten, in welke seconden de verdachte de tijd en gelegenheid heeft gehad zich te beraden over de betekenis en de gevolgen van zijn besluit, overweegt het hof als volgt.

Onder meer de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] hebben verklaard dat de verdachte nadat hij op het slachtoffer had geschoten, bij het slachtoffer is weggelopen en vervolgens na enkele seconden is teruggelopen en wederom op het slachtoffer heeft geschoten. Het openbaar ministerie stelt dat, op grond van de geluidsanalyse door het NFI van de 112-melding, tussen het moment van het eerste schot en het moment dat wederom werd geschoten een tijdsspanne van 6,8 seconden is verstreken.

Het hof overweegt dat de enkele vaststelling dat een verdachte tijd heeft gehad om zich te beraden op zijn te nemen of genomen besluit een belangrijke objectieve aanwijzing vormt dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. De omstandigheden dat de besluitvorming en uitvoering in een plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slecht sprake is van een korte tijdspanne tussen het besluit en uitvoering, of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat kunnen echter belangrijke contra-indicaties vormen.

Nu de verdachte kennelijk in een opwellende drift voor de eerste maal op het slachtoffer heeft geschoten en slecht sprake is van een zeer korte tijdsspanne - van mogelijk 6,8 seconden - tussen het eerste schot en het daaropvolgende schieten, is het hof van oordeel dat die enkele tijdsspanne onvoldoende is om te komen het oordeel dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde moord heeft begaan, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Vrijspraak van het onder 7 primair ten laste gelegde

De advocaat-generaal heeft - op gronden als vermeld in zijn op schrift gestelde requisitoir - betoogd dat de verdachte dient te worden veroordeeld voor een poging zware mishandeling van [slachtoffer 2]. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte, door meermalen met een metalen asbak op het hoofd van [slachtoffer 2] te slaan, de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 2] daar ernstig letsel aan zou overhouden.

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van de onder 7 primair ten laste gelegde poging zware mishandeling. Hij heeft daartoe aangevoerd dat geen zwaar lichamelijk letsel kan worden toegebracht met de asbak waarmee de verdachte [slachtoffer 2] op het hoofd heeft geslagen, te weten een roestvrijstalen asbak die om veiligheidsredenen verplicht in de horeca en in zorginstellingen wordt gebruikt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de stukken van het geding volgt dat de verdachte [slachtoffer 2] meermalen een harde klap op zijn hoofd heeft gegeven met een roestvrijstalen asbak. Het slachtoffer liep daarbij bloedende verwondingen aan de hoofdhuid op. Vorm en gewicht van de gebruikte asbak zijn voor het hof niet komen vast te staan, nu daarvan uit het dossier niet kan blijken. Naar oordeel van het hof kan dan ook niet worden bewezen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen, zodat de verdachte van het onder 7 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 2, 3 eerste en tweede cumulatief, 4, 5, 7 subsidiair, 9 en 10 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. impliciet subsidiair

hij op 21 maart 2011 te 's-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, meermalen met een revolver, op korte afstand kogels afgevuurd in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 1], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.

2.

hij op 21 maart 2011 te 's-Gravenhage een wapen van categorie III, te weten een revolver (.32 Smith & Wesson), en munitie van categorie III, te weten 2 scherpe patronen (.32 Smith & Wesson), voorhanden heeft gehad.

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en met 20 maart 2011 te Nederland, opzettelijk heeft verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

en

hij op 21 maart 2011 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 9,8 gram van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en ongeveer 2,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

4.

hij op 21 januari 2011 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen enig goed toebehorende aan [slachtoffer 1].

5.

hij op 21 januari 2011 te 's-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer 1] met kracht aan het hoofdhaar heeft getrokken en een pluk haar uit het hoofd heeft getrokken, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

7. subsidiair

hij op 24 april 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer 2], meermalen met een asbak op het hoofd heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

9.

hij op 26 februari 2011 te Gouda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 3], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met een puntig voorwerp, in de richting van zijn bovenlichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

10.

hij op 26 februari 2011 te Gouda opzettelijk [slachtoffer 3], meermalen tegen het gezicht heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde (doodslag)

De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat het niet zijn bedoeling is geweest om het slachtoffer om het leven te brengen. Voor zover de verdachte daarmee heeft bedoeld dat hij geen opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer, overweegt het hof als volgt.

De verdachte heeft op 16 juni 2011 tegenover de politie verklaard dat hij wist dat er scherpe patronen in de revolver zaten, dat hij de revolver ter hoogte van de ogen van het slachtoffer hield, dat de afstand tussen de revolver en het hoofd van het slachtoffer ongeveer een halve meter was en dat hij zijn vinger bij de trekker hield. Uit een schotrestenonderzoek van het NFI d.d. 8 juni 2011 is gebleken dat het slachtoffer op zeer korte afstand, te weten een schootafstand van tussen de 10 en 75 centimeter, is neergeschoten. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte, door een geladen revolver op korte afstand op het hoofd van het slachtoffer te richten en zijn vinger om de trekker te krommen, welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij bij het afgaan van die revolver zou komen te overlijden.

Voor zover de verdachte heeft willen betogen dat hij welbewust heeft geschoten maar het slachtoffer niet heeft willen raken, is het hof van oordeel dat de verdachte, door een geladen revolver op korte afstand op het hoofd van het slachtoffer te richten en te schieten, welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij het slachtoffer dodelijk zou treffen.

Nadere bewijsoverweging ter zake van het onder 3 eerste cumulatief ten laste gelegde (drugshandel)

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 eerste cumulatief ten laste gelegde. De verklaring van uitsluitend de verdachte, inhoudende dat hij weleens harddrugs aan vrienden afgeeft tegen betaling van de inkoopprijs, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof gaat op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 21 maart 2011 zijn bij de aanhouding van de verdachte aangetroffen: twee boterhamzakjes met daarin een brokje heroïne met een gewicht van 2,7 gram en 13 gebruikersbolletjes heroïne met een totaal gewicht van 2,7 gram, een gripzakje met daarin brokjes heroïne met een gewicht van 4,4 gram en een boterhamzakje met daarin brokjes cocaïne met een gewicht van 2,7 gram. Bij een doorzoeking van de woning van de verdachte op 21 maart 2011 zijn in de woonkamer op de salontafel twee weegschalen aangetroffen. Blijkens het proces-verbaal van aangifte d.d. 26 februari 2011 heeft [slachtoffer 3] verklaard dat verdachte een bekende dealer is en dealt in heroïne, cocaïne en speed.

De verdachte heeft 23 maart 2011 tegenover de politie verklaard dat hij weleens balletjes verkoopt en hosselt. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij af en toe tegen inkoopprijs harddrugs aan vrienden verstrekte. Nu onder de verdachte meer dan een gebruikershoeveelheid heroïne en cocaïne in beslag is genomen en naast zijn eigen verklaringen voor de bewezenverklaring in voldoende mate steun kan worden gevonden in de andere bewijsmiddelen, kan naar oordeel van het hof wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder eerste cumulatief ten laste gelegde zoals hiervoor weergegeven. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

Nadere bewijsoverweging ter zake van het onder 9 ten laste gelegde (poging tot zware mishandeling)

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 9 ten laste gelegde, nu niet kan worden bewezen dat de verdachte een steekwapen bij zich had of met een steekwapen een stekende beweging richting [slachtoffer 3] heeft gemaakt. Daartoe heeft hij aangevoerd dat bezoekers bij binnenkomst van het casino werd gefouilleerd en dat het onwaarschijnlijk is dat verdachte nadien alsnog een steekwapen bij zich droeg. Daarnaast is het niet zeker of de persoon die op de foto met een puntig voorwerp te zien is wel de verdachte betreft. Tenslotte heeft de raadsman aangevoerd dat de jas van [slachtoffer 3] waarin steekgaten zijn geconstateerd eerst twee dagen na het incident in beslag is genomen.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe als volgt.

[slachtoffer 3] heeft blijkens het proces-verbaal van aangifte d.d. 26 februari 2011 verklaard dat de verdachte hem op zijn schouder tikte en hem vrijwel direct daarop met zijn vuist een klap op zijn hoofd gaf. [slachtoffer 3] heeft hierop de verdachte vastgepakt, waarna zij samen op de grond zijn gevallen. De verdachte bleef agressief en probeerde [slachtoffer 3] wederom te slaan. [slachtoffer 3] heeft de verdachte toen meermalen geslagen. Nadat [slachtoffer 3] en de verdachte zijn opgestaan, zag aangever dat de verdachte uit zijn rechter achterzak een mes pakte, althans hij zag een lemmet van 15 a 20 centimeter lengte in de hand van verdachte, en daarmee op hem afkwam en tweemaal met een soort zwaaibeweging op hem instak. [slachtoffer 3] voelde dat hij geraakt werd aan de linkerzijde van zijn lichaam ter hoogte van zijn oksel. Uit het proces-verbaal van aangifte volgt dat een verbalisant tijdens de aangifte constateert dat aan de linkerzijde van de jas van [slachtoffer 3] een snede zit, waarop de jas in beslag is genomen.

De aangifte wordt ondersteund door de in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 maart 2011 beschreven camerabeelden van het casino en de daarbij gevoegde foto's van die camerabeelden. Blijkens dit proces-verbaal van bevindingen is op de camerabeelden te zien dat de verdachte, nadat hij is opgestaan, met zijn rechterhand naar zijn achterzak gaat en daarna tweemaal een voorwaartse beweging maakt richting de arm van [slachtoffer 3]. In zijn rechterhand had de verdachte een op een lemmet gelijkend voorwerp vast.

Gelet op het vorenstaande gaat het hof ervan uit dat de verdachte tot tweemaal toe met een zodanig puntig voorwerp een stekende beweging heeft gemaakt in de richting van het bovenlichaam van [slachtoffer 3] dat daardoor een snede is kunnen ontstaan in de leren jas van [slachtoffer 3]. Het hof gaat ervan uit dat indien [slachtoffer 3] die jas niet zou hebben aangehad - een gelukkige omstandigheid die niet aan de verdachte valt toe te schrijven - de verdachte [slachtoffer 3] ernstig zou hebben kunnen verwonden. Door aldus te handelen heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer 3] zodanig zou verwonden dat zwaar lichamelijk letsel het gevolg zou zijn. Derhalve acht het hof het onder 9 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

het onder 3 eerste en tweede cumulatief bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod,

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

het onder 5, 7 subsidiair en 10 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

het onder 9 bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van het feit en de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde verklaard dat hij heeft gehandeld uit psychische overmacht.

Het hof stelt voorop dat een beroep op psychische overmacht in de zin van artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht slechts kan slagen wanneer sprake is van een van buiten komende drang of dwang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Nu de verdachte noch zijn raadsman nader heeft aangeduid of onderbouwd waarin de van buiten komende drang of dwang heeft bestaan, en het hof ook overigens niet van een dergelijke drang of dwang is gebleken, moet het beroep op psychische overmacht worden verworpen.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Het bewezen verklaarde is dus strafbaar, terwijl ook de verdachte strafbaar is.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair, 2, 3 eerste cumulatief/alternatief, 4, 5, 7 primair, 9 en 10 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Het hof heeft voorts nog het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op 21 maart 2011 zijn toen 37-jarige ex-vriendin [slachtoffer 1] van het leven beroofd. Hij heeft, toen het slachtoffer volgens hem geen antwoord wilde geven op zijn vragen en toen bleek dat zij niet met hem mee wilde gaan, een geladen revolver uit zijn binnenzak gehaald en op het slachtoffer gericht.

Kort daarop heeft hij haar meermalen in het hoofd geschoten ten gevolge waarvan het slachtoffer later die dag is komen te overlijden.

Door aldus te handelen heeft de verdachte het slachtoffer het meest fundamentele recht, te weten het recht op leven, ontnomen. Daarnaast is aan de nabestaanden een verschrikkelijk en onherstelbaar leed aangedaan. De ouders hebben hun kind verloren; de moeder haar enige kind. Ook in de kring van familie, vrienden en collega's laat de dood van het slachtoffer een grote leegte achter. Daarnaast brengen feiten als de onderhavige gevoelens van onrust en angst in de samenleving teweeg. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij het slachtoffer 's morgens, op de openbare weg, terwijl buurtbewoners - al dan niet met hun kinderen - op weg gingen naar school dan wel werk, op brute wijze om het leven heeft gebracht, praktisch onder de woning van haar moeder alwaar zij reeds geruime tijd verbleef. Het gebeurde heeft ook de getuigen en omwonenden diep geschokt en daarmee de rechtsorde.

Voorts heeft de verdachte een vuurwapen met daarbij voor dat vuurwapen geschikte munitie op de openbare weg voorhanden gehad, welk wapen hij uiteindelijk ook heeft gebruikt. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens brengt gevoelens van onveiligheid en voor de samenleving onaanvaardbare consequenties met zich mee. Helaas onderstreept ook de onderhavige zaak de noodzaak daartegen krachtig op te treden.

Daarnaast heeft de verdachte zich, enkele maanden voor het schietincident, schuldig gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer 1] door met kracht aan haar hoofdhaar te trekken, nadat het slachtoffer had geweigerd om met hem mee te gaan naar het politiebureau. Vervolgens heeft hij haar SIM-kaart gestolen door deze uit haar telefoon te verwijderen en bij zich te houden. Hij heeft daarmee inbreuk gemaakt op de lichamelijke en persoonlijke integriteit van het slachtoffer.

Verder heeft de verdachte [slachtoffer 3] mishandeld door hem meermalen in zijn gezicht te slaan en gepoogd hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een puntig voorwerp stekende bewegingen te maken in de richting van zijn bovenlichaam. Ook heeft de verdachte tijdens zijn verblijf bij Parnassia een medepatiënt [slachtoffer 2] mishandeld door hem met kracht met een asbak op het hoofd te slaan. Door aldus te handelen heeft hij inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van de slachtoffers.

Tenslotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het vervoeren, verstrekken en aanwezig hebben van hoeveelheden heroïne en cocaïne. Door de verspreiding van harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd en wordt het plegen van vermogensdelicten onder gebruikers bevorderd, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen. Dit veroorzaakt veel schade en onrust in de samenleving.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 augustus 2012, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van geweldsdelicten, naast de geweldsdelicten die het hof thans bewezen heeft verklaard.

Voorts heeft het hof acht geslagen op een rapportage van het Pieter Baan Centrum d.d. 6 maart 2012, opgesteld door M.G. van der Meer, GZ-psycholoog in opleiding, J.B. Seinen, klinisch psycholoog, en J.P.F. Koning, psychiater. Uit deze rapportage volgt dat de verdachte zijn medewerking aan het gedragskundig onderzoek heeft geweigerd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte hierover verklaard dat hij een onderzoek naar zijn persoon niet nodig acht. In de rapportage staat vermeld dat op basis van het reeds eerder bij de verdachte afgenomen, eveneens zeer beperkte, milieuonderzoek kan worden geconcludeerd dat er bij de verdachte meer dan tien jaar sprake is van een uitgebreide verslavingsproblematiek, van een antisociaal gedragspatroon en sinds vier jaren van achterdocht. Daarnaast kan vastgesteld noch uitgesloten worden dat de verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Verder is vermeld dat de verdachte gedurende zijn verblijf van zeven weken in het Pieter Baan Centrum snel verzeild raakt in conflicten, impulsief agressief reageert, zich niet bekommert om de veiligheid van anderen, geen empathie toont, incidenten externaliseert en bagatelliseert en sprake is van achterdocht. Dit zou kunnen duiden op een persoonlijkheidsproblematiek.

Uit de rapportage volgt eveneens dat de verdachte tijdens zijn verblijf bij het Pieter Baan Centrum vanaf de vierde week op de separatieafdeling heeft verbleven. Over zijn detentie voorafgaand aan zijn verblijf bij het Pieter Baan Centrum staat vermeld dat de verdachte meermalen betrokken is geweest bij (agressieve) incidenten met medegedetineerden en dat hij meermalen in een afzonderingscel is geplaatst.

Gelet op de justitiële documentatie van de verdachte, de bewezen verklaarde feiten alsmede op het agressieve gedrag van de verdachte gedurende zijn detentie en verblijf bij het Pieter Baan Centrum, welke kunnen duiden op een persoonlijkheidsproblematiek, evenals op de afhankelijkheid van de verdachte aan verslavende middelen, acht het hof het recidiverisico zeer aanzienlijk.

De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep, gevraagd naar de oorzaak van de geweldsexplosie waarbij de verdachte [slachtoffer 1] heeft doodgeschoten, niets anders naar voren gebracht dan dat dit voor hem een 'zwart gat' is. Dit is naar oordeel van het hof volstrekt onvoldoende om enig noodzakelijk zicht te krijgen op de persoon van de verdachte.

Doordat de verdachte op geen enkele wijze zijn medewerking heeft willen verlenen aan een diepgaand onderzoek naar zijn persoon, zijn psychisch functioneren en wat hem tot zijn daden, en met name tot de gewelddadige dood van het slachtoffer [slachtoffer 1], heeft gebracht terwijl er aanwijzingen zijn voor mogelijk (ernstige) persoonlijkheidsproblematiek bij de verdachte, is het hof van oordeel dat de verdachte een bedreiging voor de (veiligheid in) de samenleving kan zijn. In dat licht is naar oordeel van het hof, ter zake van de bewezen verklaarde doodslag, de wettelijk toegestane maximumstraf van vijftien jaren passend en geboden. Voor de overige bewezen verklaarde feiten legt het hof, rekening houdend met aspecten van generale en speciale preventie, een straf op van totaal drie jaren, waarmee het in artikel 57 van het Wetboek van strafvordering bepaalde maximum niet wordt overschreden.

Het hof is derhalve - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 jaren een passende en geboden reactie vormt.

Vordering van de benadeelde partij [nabestaande]

In het onderhavige strafproces heeft [nabestaande], moeder van het slachtoffer [slachtoffer 1], zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 9.601,-.

In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot een bedrag van € 9.601,- (€ 5.451,- voor materiële schade en

€ 4.150,- voor immateriële schade).

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de materiële schade, te weten een bedrag van

€ 5.451,-, met oplegging van de schadevergoedings-maatregel en tot niet-ontvankelijkverklaring voor het overige deel van de vordering.

De vordering van de benadeelde partij is niet door of namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 5.451,- materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Voor een vergoeding van de immateriële schade aan nabestaanden biedt de wet in beginsel geen ruimte. Dit is alleen anders indien kan worden vastgesteld dat sprake is van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een algemeen erkend en vastgesteld ziektebeeld. Daarvoor ziet het hof voorshands geen aanknopingspunten. Dit brengt met zich dat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in het strafgeding. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de immateriële geleden schade. Deze kan in zoverre uitsluitend bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[nabestaande]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 5.451,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [nabestaande].

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 9 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 635,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De vordering van de benadeelde partij is door of namens de verdachte betwist.

Naar oordeel van het hof is de gestelde schade niet voldoende onderbouwd. Zo ontbreekt enige aanwijzing van aanschafwaarde en tijdstip, alsmede ouderdom van de beschadigde jas. De behandeling van de vordering van de benadeelde partij ter zake van het onder 8 bewezen verklaarde levert daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten zijn gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster]

In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 8 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 148,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Nu het hof de officier van justitie niet-ontvankelijk heeft verklaard in het ingestelde hoger beroep ter zake van het onder 8 ten laste gelegde, is de vordering van de benadeelde partij thans niet aan het oordeel van het hof onderworpen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 36f, 45, 57, 287, 300, 302 en 310 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 6 en 8 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en 7 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 2, 3 eerste en tweede cumulatief, 4, 5, en 7 subsidiair, 9 en 10 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 impliciet subsidiair, 2, 3 eerste en tweede cumulatief, 4, 5, en 7 subsidiair, 9 en 10 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [nabestaande]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaande] terzake van het onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.451,00 (vijfduizend vierhonderdeenenvijftig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [nabestaande], een bedrag te betalen van € 5.451,00 (vijfduizend vierhonderdeenenvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 62 (tweeënzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Verklaart de benadeelde partij, [slachtoffer 3], in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten, mr. M.J.J. van den Honert en mr. J.W. Wabeke, in bijzijn van de griffier

mr. N.N.D. Bos.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 4 september 2012.