Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX6019

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
06-09-2012
Zaaknummer
200.099.002/01 + 200.099.003/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling na echtscheiding; kinderalimentatie; vergoeding voor uitsluitend gebruik echtelijke woning; partiële verdeling echtelijke woning en inboedel. Eisvermeerdering niet schriftelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 8 augustus 2012

Zaaknummers : 200.099.002/01 + 200.099.003/01

Rekestnrs. rechtbank : FA RK 10-9436 + FA RK 11-2937

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. H.J.R.M. Boersma te Wadenoijen, gemeente Tiel,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. P.B. van Eck-Molenaar te Gouda.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,

locatie Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 16 december 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 16 september 2011 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 30 januari 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 28 december 2011 een brief van 27 december 2011 met bijlagen;

- op 13 maart 2012 een brief van 12 maart 2012 met bijlagen;

- op 13 maart 2012 een brief van diezelfde datum;

van de zijde van de vrouw:

- op 9 maart 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 19 maart 2012 een brief van diezelfde datum met bijlage.

De hierna te noemen minderjarigen [X] en [Y] hebben schriftelijk hun mening ter zake de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding kenbaar gemaakt.

De zaak is op 23 maart 2012 mondeling behandeld. Ter zitting zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten.

Partijen hebben ter zitting desgevraagd te kennen gegeven zich tot een mediator te willen wenden en een traject in het kader van “mediation naast rechtspraak” te willen volgen om de onderlinge problemen op te lossen. Het hof heeft daarop de zaak pro forma aangehouden tot 30 juni 2012 in afwachting van het verloop van het mediationtraject met het verzoek aan partijen om tijdig voor de pro-formadatum het hof over het verloop van de mediation te informeren.

Van de zijde van de vrouw is bij het hof op 27 april 2012 een brief ingekomen waarin wordt medegedeeld dat de mediation niet is geslaagd. De vrouw verzoekt het hof een beslissing te nemen.

Van de zijde van de man is bij het hof op 29 juni 2012 een brief ingekomen waarin eveneens wordt vermeld dat de mediation niet heeft geleid tot overeenstemming. De man verzoekt het hof, indien het hof voldoende is ingelicht, een beschikking in hoger beroep af te geven.

Het hof heeft daarop de beschikking bepaald op heden.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald:

dat de minderjarige [Z] bij de man zal zijn:

- om de week van vrijdag uit school tot zondagavond, waarbij de man zorg draagt voor het halen en brengen van [Z];

- gedurende de helft van de schoolvakanties en de wettelijk erkende feestdagen, in onderling overleg tussen partijen te bepalen, waarbij de drie weken zomervakantie bij de man zullen worden opgesplitst in twee aaneengesloten weken en één afzonderlijke week;

deze regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de woning te [postcode] [woonplaats] aan de [adres], en het gebruik van de zaken, die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, mits deze woning op het ogenblik van die inschrijving door de vrouw wordt bewoond en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

dat de man, met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 206,- per maand per kind en in de plaats daarvan met ingang van het moment dat de man de echtelijke woning heeft overgenomen en weer kan bewonen gelet op het aan de vrouw toegekende uitsluitend gebruik - doch niet eerder dan met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand - met een bedrag van € 383,- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad.

De rechtbank heeft het meer of anders verzochte ten aanzien de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van de minderjarigen en de kinderalimentatie afgewezen en de beslissing ten aanzien van de verdeling aangehouden.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

De echtscheidingsbeschikking is op 14 februari 2012 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn:

- een regeling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag omvattende een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) met betrekking tot de minderjarige [Z], geboren op [in] 2000 te [woonplaats] (hierna: [Z]);

- de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: kinderalimentatie) [X], geboren [in] te [woonplaats] (hierna: [X]), [Y], geboren op [in] 1996 te [woonplaats] (hierna: [Y]) en [Z];

- de overname van de echtelijke woning door de man met de daaraan verbonden hypothecaire geldleningen;

- een vergoeding voor het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning.

2. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en in hoger beroep een herziene beschikking af te geven ten aanzien van de verblijfregeling van de minderjarige [Z] en de door hem te betalen kinderalimentatie met inachtneming van hetgeen in het beroepschrift is vermeld. Voorts verzoekt de man het hof een beschikking af te geven zoals onder 12, 14 en 15 van het beroepschrift is gesteld en verzocht.

3. De vrouw bestrijdt het beroep van de man en verzoekt het hof het verzoek van de man tot vernietiging van de bestreden beschikking af te wijzen en tevens het verzoek van de man om een beschikking af te geven zoals onder sub 12, 14 en 15 door de man is gesteld en verzocht eveneens af te wijzen, dan wel de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek. De vrouw verzoekt het hof de man te veroordelen in de kosten van deze beroepsprocedure bestaande uit griffiegelden en de kosten van de advocaat. Voor het geval het hof beslist de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de kinderalimentatie betreft, verzoekt de vrouw het hof de ingangsdatum van het gewijzigde bedrag te stellen op de datum van de beschikking van het hof, zodat er voor de vrouw geen terugbetalingsverplichting ontstaat.

Zorgregeling

4. De man kan zich niet vinden in de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling aangaande [Z]. Volgens de man is deze te beperkt. Hij wenst een zorgregeling waarin [Z] de ene week van donderdagmiddag tot maandagochtend en de andere week van woensdagmiddag tot vrijdagochtend bij hem is. De man stelt dat een dergelijke zorgregeling in het belang van [Z] is. Voorts wenst de man dat de minderjarigen gedurende de zomervakantie drie weken aaneengesloten bij hem verblijven.

5. De vrouw stelt dat de door de man verzochte zorgregeling niet in het belang van [Z] is. [Z] heeft een licht verstandelijke beperking en heeft veel behoefte aan ritme en regelmaat. Een zorgregeling dient dan ook op vaste dagen plaats te vinden en kan derhalve niet elke week verschillend zijn, aldus de vrouw.

6. Het hof stelt allereerst vast dat de zorgregeling met betrekking tot de minderjarigen [X] en [Y] niet (meer) in geschil is. De man is immers niet opgekomen tegen de beslissing van de rechtbank in eerste aanleg waarin het verzoek van de man tot vaststelling van een zorgregeling ten aanzien van [X] en [Y] wordt afgewezen. Thans is nog in geschil de zorgregeling met betrekking tot de minderjarige [Z].

7. Het hof verenigt zich, gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, met het oordeel van de rechtbank ter zake de zorgregeling en de gronden waarop dat berust. Het hof neemt die gronden over en maakt deze tot de zijne. Hetgeen de man daartoe in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Ook in hoger beroep is niet gebleken dat de door de man voorgestelde zorgregeling in het belang van [Z] is. Het hof overweegt nog ten overvloede dat de vrouw ter zitting heeft toegezegd, althans het hof heeft dit als een toezegging geïnterpreteerd, dat zij in het kader van de vakantieregeling, evenals de man, niet langer dan twee weken de minderjarige [Z] bij zich zal hebben.

Kinderalimentatie

Behoefte

8. De behoefte van de minderjarigen van in totaal € 1.460,- (€ 486,66 per kind) is niet in geschil.

Aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen

9. Het hof heeft, met inachtneming van de stukken en hetgeen partijen ter terechtzitting naar voren hebben gebracht, ter beantwoording van de vraag wie welk deel van de behoefte van de kinderen moet dragen, de draagkracht van de man en de vrouw met elkaar vergeleken.

Draagkracht man

Inkomen

10. Het hof gaat bij de berekening van de draagkracht van de man, evenals de rechtbank, uit van een inkomen uit arbeid van € 71.900,- per jaar en de bijtelling werkgeversbijdrage Zorgverzekeringswet van € 2.340,- per jaar. Daarnaast houdt het hof conform art 3:115 Wet IB slechts rekening met de helft van het eigenwoningforfait. Voorts houdt het hof rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

11. Niet in geschil is dat de vrouw in de in gemeenschappelijk eigendom van partijen zijnde echtelijke woning is blijven wonen en dat de man eind 2010 daaruit is vertrokken. Op grond van de scheidingsregeling blijft voor de (mede) eigenaar, in casu de man, die de woning heeft verlaten, de eigenwoningregeling nog gedurende twee jaar na het moment van vertrek uit de woning van toepassing op zijn aandeel in de woning. De man wordt gedurende twee jaar belast met het eigenwoningforfait voor zijn aandeel in de woning en mag de op zijn (aandeel in de) eigenwoningschuld betaalde rente als eigenwoningrente aftrekken. Gelet hierop is de door de man te betalen rente hypothecaire geldlening ingaande 1 januari 2013 niet langer meer aftrekbaar. Bovendien wordt de woning met ingang van die datum belast in box III. De helft van de volle waarde van de woning wordt daar als bezitting aangegeven en de op de woning betrekking hebbende hypothecaire geldlening als schuld afgetrokken.

12. Het hof zal geen rekening houden met de situatie dat de woning in het kader van de verdeling (eventueel) zal worden toegescheiden aan de man, nu in het geheel niet vaststaat dat de man daadwerkelijk de woning zal kunnen overnemen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de vrouw ter zitting nog heeft gesteld dat de woning verkocht moet worden.

Lasten

13. Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de man rekening houden met de volgende, niet meer in geschil zijnde, maandelijkse lasten: hypotheekrente van € 928,-, forfait overige eigenaarslasten van € 95,-, nominale premie basisverzekering Zorgverzekeringswet € 99,-, premie aanvullende ziektekostenverzekering van € 41,- en een verplicht eigen risico van € 14,-. Voorts houdt het hof rekening met een huur van € 1.000,- per maand en een premie levensverzekering van € 321,- per maand. Daarnaast gaat het hof uit van een bijstandsnorm voor een alleenstaande.

14. Voor wat betreft de door de man opgevoerde werkelijke verwervingskosten staat naar het oordeel van het hof vast dat het gebruik van een auto voor het woon/werkverkeer voor de man noodzakelijk is. Daarnaast is het in het belang van de minderjarige [Z] en in het belang van de man dat de man [Z] op bepaalde dagen naar school in [woonplaats] kan brengen en haar daar kan ophalen. Het hof is echter van oordeel dat de man niet, dan wel onvoldoende, heeft gesteld waarom de werkelijke verwervingskosten op een hoger bedrag dienen te worden vastgesteld dan waarmee de rechtbank rekening heeft gehouden. Het hof zal dan ook, evenals de rechtbank, rekening houden met de werkelijke verwervingskosten van € 125,- per maand.

15. Het hof houdt, evenals de rechtbank, geen rekening met de door de man overige zelf betaalde, niet vergoede ziektekosten. Deze - ook niet door de ziektekostenverzekeraar vergoede - kosten dienen niet te prevaleren boven de alimentatieverplichting van de man jegens de minderjarigen. Het hof heeft er - evenals de rechtbank - begrip voor dat de man hulp zoekt voor zijn geestelijk welzijn, maar in het kader van een prioriteitenstelling moet toch voorrang worden gegeven aan de betaling van kinderalimentatie.

16. Het hof is van oordeel dat de rechtbank voor wat betreft de verblijfskosten in het kader van de zorgregeling terecht en op goede gronden rekening heeft gehouden met een forfaitair bedrag van € 5,- per dag. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. Hetgeen door de man in hoger beroep is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Ook in hoger beroep is niet gebleken dat met andere, hogere, kosten rekening moet worden gehouden. Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de overige door de man te maken reiskosten, zoals in het kader van de sportbeoefening van de minderjarigen, niet zodanig bijzonder zijn dat daarmee rekening dient te worden gehouden.

17. Het hof heeft met inachtneming van het vorenstaande de draagkracht van de man berekend. Hieruit volgt dat de man voor de periode 14 februari 2012 tot en met 31 december 2012 een beschikbare draagkracht heeft van € 262,- per maand en voor de periode ingaande 1 januari 2013 een beschikbare draagkracht van € 20,- per maand.

Draagkracht vrouw

Inkomen

18. Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de vrouw, evenals de rechtbank, uitgaan van een inkomen van € 23.407,- bruto per jaar en de bijtelling werkgeversbijdrage Zorgverzekeringswet van € 1.542,- per jaar. Het hof is van oordeel dat de vrouw genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt niet in staat te zijn binnen afzienbare tijd haar huidige werkweek van 18 uur uit te breiden naar 24 uur per week, zoals de man stelt. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de vrouw voor het grootste gedeelte de zorg voor [Z] heeft. Daarnaast houdt het hof rekening met de arbeidskorting en de algemene heffingskorting. Ingaande 1 juli 2012 houdt het hof eveneens rekening met de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de alleenstaande ouderkorting, nu de vrouw ter zitting heeft vermeld met ingang van die datum in aanmerking daarvoor te komen. Het hof acht het niet redelijk om uit te gaan van een inkomen uit vermogen dat de vrouw eventueel zou kunnen gaan genieten, nu niet zeker is wat de hoogte van een eventuele overwaarde op de woning zal zijn dan wel met ingang van wanneer die overwaarde beschikbaar zal zijn. Tot slot houdt het hof conform artikel 3.115 Wet Inkomstenbelasting rekening met de helft van het eigenwoningforfait.

Lasten

19. Het hof houdt bij de berekening van de draagkracht van de vrouw rekening met de volgende maandelijkse lasten: premie basisverzekering Zorgverzekeringswet van € 128,- en een verplicht eigen risico van € 14,-. Het hof houdt geen rekening met de door de vrouw opgevoerde huurlasten van € 700,- per maand, nu de vrouw nog steeds woonachtig is in de echtelijke woning waarvoor zij geen kosten maakt. Daarnaast gaat het hof uit van een bijstandsnorm voor een alleenstaande. Het hof zal de in de bijstandsnorm verweven wooncomponent niet meenemen, nu de vrouw geen woonlasten heeft.

20. Het hof heeft met inachtneming van het vorenstaande de draagkracht van de vrouw berekend. Hieruit volgt dat de vrouw voor de periode 14 februari 2012 tot 1 juli 2012 een beschikbare draagkracht heeft van € 269,- per maand en voor de periode ingaande 1 juli 2012 een beschikbare draagkracht van € 485,- per maand.

21. Nu de gezamenlijke draagkracht van de ouders lager is dan de totale behoefte van de minderjarigen, zal het hof de bijdrage van de man, de onderhoudsplichtige, beperken tot diens draagkracht. Het hof zal derhalve de door de man te betalen kinderalimentatie als volgt bepalen:

- voor de periode 14 februari 2012 tot en met 31 december 2012 op € 269,- per maand, oftewel € 90,- per kind per maand;

- voor de periode ingaande 1 januari 2013 op € 20,- per maand, oftewel € 7,- per kind per maand.

Vergoeding uitsluitend gebruik echtelijke woning

22. De man stelt recht en belang te hebben aan toekenning van een vergoeding aan hem voor het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning door de vrouw met ingang van 1 december 2010 tot het moment dat de vrouw de echtelijke woning feitelijk zal hebben ontruimd.

23. De vrouw betoogt dat een vergoedingsplicht in strijd is met het bepaalde van artikel 1:81 BW. Voorts is de huwelijksgoederengemeenschap nog niet ontbonden en is de verdeling daarvan nog niet vastgesteld zodat uit dien hoofde evenmin een rechtsgrond bestaat voor een vergoedingsrecht. Het verzoek van de man dient dan ook te worden afgewezen.

24. Het hof acht het niet redelijk om de man een gebruiksvergoeding toe te kennen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de vrouw met de drie kinderen van partijen in de woning woonachtig is. Het verzoek van de man daartoe zal dan ook worden afgewezen. Bovendien zou de draagkracht van de man zijn toegenomen indien hem een gebruiksvergoeding zou zijn toegekend.

Partiële verdeling: echtelijke woning en inboedel

25. Ter zitting is door de man kenbaar gemaakt dat hij om een partiële verdeling verzoekt en dat deze betrekking heeft op de woning en de inboedel.

26. Het hof overweegt aangaande de ontvankelijkheid als volgt. De bestreden beschikking is, voor zover de rechtbank in het dictum de echtscheiding tussen partijen uitsprak, de alimentatie en de zorgregeling bepaalde en het voortgezet gebruik van de echtelijke woning toekende, een eindbeschikking. In zijn daartegen ingestelde beroep kan de man ook de verdeling van de huwelijksgemeenschap betrekken, ook al was de beschikking van de rechtbank in zoverre nog slechts een tussenbeschikking. De man is dan ook ontvankelijk in zijn appel ter zake van de verdeling.

27. Het hof overweegt voorts dat een partiële verdeling door de rechter echter alleen mogelijk is als de deelgenoten daarmee instemmen. De vrouw heeft ter zitting kenbaar gemaakt dat zij wenst dat de woning verkocht wordt. Daarmee verzet zij zich, naar het oordeel van het hof, tegen een partiële verdeling als door de man verzocht. Het hof zal het verzoek van de man daartoe dan ook afwijzen. Wat de verzochte gedeeltelijke verdeling van de inboedelgoederen betreft, moet dit verzoek alleen al worden afgewezen omdat de man deze vermeerdering van eis niet op schrift heeft gesteld.

28. Het hof ziet geen reden, zoals door de vrouw is verzocht, om de man te veroordelen in de proceskosten en zal het verzoek derhalve afwijzen.

29. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen voor de periode 14 februari 2012 tot en met 31 december 2012 op € 270,- per maand en voor de periode ingaande 1 januari 2013 op € 20,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stollenwerck, Labohm en Van Veen, bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 augustus 2012.