Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX5778

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
28-08-2012
Zaaknummer
200.107.083.01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:BX5163, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het ouderlijk gezag. Bekrachtiging bestreden beschikking. EVRM en IVRK.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 25 juli 2012

Zaaknummer : 200.107.083/01

Rekestnummers rechtbank : JE RK 11-2312 en JE RK 12-60

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. L.A. Middelkoop te Rotterdam,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [de grootouders],

beiden wonende te [woonplaats],

hierna ook gezamenlijk te noemen: de grootouders,

2. de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam te Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 16 mei 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 1 maart 2012 van de rechtbank Rotterdam.

De raad heeft op 22 juni 2012 een verweerschrift ingediend.

Jeugdzorg heeft op 25 juni 2012 een schriftelijke reactie ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 5 juni 2012 een brief van 4 juni 2012 met bijlage;

- op 7 juni 2012 een brief van diezelfde datum met bijlage.

De zaak is op 27 juni 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de heer [naam] namens de raad;

- de grootouders;

- de heer [naam] (gezinsvoogd) namens Jeugdzorg;

- mevrouw [naam], pleegzorgwerker.

De hierna te noemen minderjarige [naam] is in raadkamer gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij beschikking van 6 september 2011 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam zijn – uitvoerbaar bij voorraad – de ondertoezichtstelling en de duur van de machtiging tot plaatsing van de minderjarige [naam], geboren op [geboortedatum in] 1998 te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige), in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 10 maart 2012. De behandeling van de zaak is pro forma aangehouden, in afwachting van het bepalen van een zittingsdatum. Jeugdzorg is verzocht de resultaten van het onderzoek van de moeder en de visie van Jeugdzorg daarop alsmede een kort verslag omtrent het onderzoek van de raad met betrekking tot een eventuele verderstrekkende maatregel aan de kinderrechter te doen toekomen.

Bij de bestreden beschikking is de moeder ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarige en is Jeugdzorg benoemd tot voogdes over de minderjarige. De moeder is veroordeeld aan de voogdes rekening en verantwoording van het gevoerde bewind over het vermogen van de minderjarige te doen. De beschikking is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het verzoek van Jeugdzorg tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een voorziening voor pleegzorg is afgewezen, voor zover hierop niet eerder is beslist.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Vaststaat dat de minderjarige sinds 24 juli 2003 onder toezicht staat en sinds 20 september 2004 uit huis is geplaatst. De minderjarige verblijft bij de grootouders (moederszijde).

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag over de minderjarige.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek strekkende tot ontheffing van het ouderlijk gezag af te wijzen.

3. De raad bestrijdt het beroep.

Ontvankelijkheid

4. De moeder stelt zich primair op het standpunt dat het verzoek van de raad tot ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag over de minderjarige niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Zij voert daartoe het volgende aan. De raad heeft eerder eenzelfde verzoek ingediend, welk verzoek bij beschikking van 2 juni 2010 van het gerechtshof ’s-Gravenhage alsnog is afgewezen. Nu er thans sprake is van dezelfde feiten en omstandigheden en gezien het korte tijdsverloop sinds het hof zijn beschikking heeft gegeven, is het huidige verzoek van de raad in feite een verkapt appel. Indien en voor zover de raad zich niet kon verenigen met de beschikking van het hof had de raad in cassatie kunnen gaan, aldus de moeder. Voorts betwist de moeder dat haar advocaat ter zitting bij de rechtbank heeft aangevoerd dat er sprake zou zijn van gewijzigde omstandigheden.

5. De raad stelt door de rechtbank terecht te zijn ontvangen in zijn verzoek de moeder te ontheffen van het ouderlijk gezag over de minderjarige. De raad is ruim een jaar na de uitspraak van het hof met een nieuw onderzoek begonnen. Het raadsbesluit van 28 december 2011 is genomen op basis van de in dat raadsonderzoek verkregen actuele informatie en het verloop van de ondertoezichtstelling sinds september 2010. Van een verkapt appel kan dan ook niet worden gesproken, aldus de raad. Voorts kan volgens de raad reeds door tijdsverloop sprake zijn van gewijzigde omstandigheden.

6. Het hof overweegt als volgt. Noch daargelaten het feit dat het de raad te allen tijde vrij staat om onderzoek te doen naar een verderstrekkende maatregel en in dat kader een verzoek in te dienen bij de rechtbank, is naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak in ieder geval sprake van wijzigingen van omstandigheden die maken dat de raad kan worden ontvangen in zijn verzoek. Deze wijzigingen van omstandigheden zijn onder meer daarin gelegen dat de moeder sinds mei 2011 tegen het advies van haar behandelaar in geen medicatie meer slikt en de minderjarige inmiddels de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt.

Inhoudelijke beoordeling

7. De moeder kan zich niet verenigen met de beslissing van de rechtbank om haar te ontheffen van het ouderlijk gezag over de minderjarige. Zij stelt geen reële kans te hebben gehad toe te werken naar een situatie waarin zij de verzorging en opvoeding van de minderjarige weer op zich kan nemen. Volgens haar is het niet uit te sluiten dat zij daar in de toekomst weer toe in staat is. De moeder bestrijdt de in het verleden bij haar gestelde diagnose schizofrenie en heeft terzake een op 23 februari 2012 verzonden faxbericht van een onderzoekend psychiater van het [naam] (second opinion) overgelegd. Naar de mening van de moeder moet, alvorens tot de maatregel ontheffing van het ouderlijk gezag kan worden overgegaan, eerst een deugdelijk deskundigenonderzoek worden verricht. De moeder heeft daartoe helaas niet de financiële mogelijkheden. In het licht bezien van artikel 8 EVRM en artikel 22 IVRK (het hof leest: artikel 20 IVRK) heeft zij recht op de minst bezwarende wijze van inperking van haar ouderschapsrechten, te weten een verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing in plaats van een ontheffing. De moeder betwist dat de jaarlijkse beoordeling van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onrust bij de minderjarige teweegbrengt. Immers, over de verdere duur van deze maatregelen (alsmede over de geplande mondelinge behandelingen) wordt nimmer met de minderjarige gesproken.

8. De raad stelt zich op het standpunt dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist zoals deze heeft gedaan. De raad is – in tegenstelling tot de moeder – van mening dat binnen de ondertoezichtstelling voldoende is gedaan om toe te werken naar een situatie waarin de moeder weer zelf de verzorging en opvoeding van de minderjarige op zich kan nemen. Ondanks de initiatieven tot het bewerkstelligen van bezoekcontacten tussen de moeder en de minderjarige is er onvoldoende contactgroei ontstaan. Aan het uiteindelijke doel van een ondertoezichtstelling, thuisplaatsing, wordt niet meer gewerkt. De moeder is volgens de raad ongeschikt en onmachtig om haar rol van opvoeder en verzorger te vervullen. Zij toont – door al vóór het aanvragen van een second opinion (die overigens onvoldoende duidelijkheid heeft geboden) te stoppen met de voorgeschreven medicatie – onvoldoende probleembesef. De raad acht het in het belang van de minderjarige dat hij stabiliteit en continuïteit ervaart in zijn huidige pleeggezin. Een ontheffing van het ouderlijk gezag draagt daaraan bij. Ter zitting is namens de raad benadrukt dat het belang van de minderjarige in de onderhavige zaak voorop staat en zwaarder dient te wegen dan het belang van de moeder.

9. Uit de schriftelijke reactie van Jeugdzorg komt naar voren dat er vanaf 2005 niet meer wordt gewerkt aan het uiteindelijke doel van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, te weten een thuisplaatsing van de minderjarige bij de moeder. Herhaalde pogingen om het contact tussen de moeder en de minderjarige te verbeteren zijn niet gelukt; de moeder komt niet tot groei in het contact met de minderjarige. Op Jeugdzorg komt de moeder over als een zeer angstige, deerniswekkende, kwetsbare, achterdochtige en verwarde vrouw die onder de huidige situatie zeer lijdt. Zij slaagt er niet in om haar gefragmenteerde wereld te ordenen. De moeder wordt overspoeld door herinneringen aan de kleinste details. Zij mist de minderjarige en wordt gekweld door de alles overheersende angst hem te zullen verliezen aan andere opvoeders. De moeder blijft haar gedachten en angsten dwangmatig herhalen en is daarin alleen op grove wijze soms kortstondig te stoppen. Ondanks het lijden is er geen sprake van ziekte-inzicht bij de moeder. Zij legt de problemen buiten zichzelf. Jeugdzorg heeft besloten de bezoekregeling te beperken tot eenmaal per maand (begeleid). Het feit dat de moeder de wens blijft koesteren op den duur weer zelf voor de minderjarige te gaan zorgen, brengt veel onrust bij de minderjarige teweeg. Voor een zitting is hij gespannen, laat hij aanhankelijk gedrag zien en kampt hij met lichamelijke klachten. Jeugdzorg acht het voor de ontwikkeling van de minderjarige van groot belang dat hem duidelijkheid wordt geboden over zijn toekomstige verblijfplaats, te weten die bij de grootouders. Ter zitting heeft de gezinsvoogd laten weten zich ernstige zorgen te maken over de moeder; het is duidelijk merkbaar aan haar gedrag dat zij thans geen medicatie meer slikt.

10. De grootouders hebben ter zitting – kort samengevat – te kennen gegeven dat zij hopen dat er voor de minderjarige thans rust komt in de situatie.

11. De pleegzorgwerker heeft ter zitting laten weten dat de minderjarige veel last heeft van spanningen op het moment dat er weer een zitting is bij de rechter. De schoolprestaties van de minderjarige lijden onder de huidige situatie.

12. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen worden ontheven, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet. Krachtens artikel 1:268, eerste lid, BW kan een ontheffing niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet. Ingevolge het tweede lid, aanhef en sub a van dat wetsartikel, voor zover thans van belang, leidt deze regel uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan één jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel – door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de dreiging in artikel 1:254, eerste lid, BW af te wenden.

13. Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat aan alle wettelijke vereisten voor een ontheffing van het ouderlijk gezag over de minderjarige is voldaan en overweegt daartoe als volgt. Uit de overgelegde stukken komt naar voren dat de moeder niet kan bieden wat de minderjarige behoeft, te weten een consequente, sensitieve en pedagogisch verantwoorde leefomgeving. De moeder beschikt – zo blijkt uit het raadsrapport van 28 december 2011 – niet over de geschiktheid en vaardigheden om aan de opvoedingsvraag van de minderjarige te voldoen. Haar persoonlijke problematiek belemmert haar in het benodigde inzicht en de pedagogische vaardigheden die aanwezig moeten zijn om zorg te kunnen dragen voor de opvoeding en verzorging van de minderjarige en een gunstige invloed te kunnen uitoefenen op zijn ontwikkeling. In mei 2011 is de moeder - tegen het advies van haar behandelaar in - gestopt met het slikken van haar medicatie; zij staat sindsdien niet langer achter de diagnose schizofrenie. Volgens de raad toont zij hiermee onvoldoende probleembesef en lijkt zij onvoldoende in te zien hoe haar eigen handelen van invloed is op een evenwichtige groei van de minderjarige. Terugplaatsing bij de moeder behoort al geruime tijd niet meer tot het perspectief van de minderjarige. Het beeld van de moeder zoals dat uit de overgelegde stukken naar voren komt, wordt bevestigd door de indruk die het hof van de moeder tijdens de zitting in hoger beroep heeft gekregen. Voldoende is komen vast te staan dat er bij de moeder sprake is van zodanige persoonlijke problematiek – al dan niet in de vorm van schizofrenie – dat zij niet in staat is te voldoen aan de (specifieke) opvoedings- en ontwikkelingsbehoeften van de minderjarige. In dit verband wijst het hof er nog op dat de door de moeder overgelegde - ongesuperviseerde en klaarblijkelijk om die reden niet-ondertekende - verklaring van de aan het [naam] verbonden psychiater(s) (in opleiding) de afwezigheid van een dergelijke geestesstoornis in het geheel niet lijkt te onderbouwen. Integendeel, gelet op hetgeen onder de kopjes ‘Classificatie volgens DSM-IV’ en ‘Beleid/advies’ staat vermeld is veeleer aannemelijk dat als gevolg van het nog niet gesuperviseerd zijn van die verklaring een omissie/typefout onder het kopje ‘Diagnose’ nog niet is hersteld. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de moeder ongeschikt, althans onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige te vervullen. Deze ongeschiktheid en onmacht zijn niet van tijdelijke aard. Het belang van de minderjarige verzet zich niet tegen een ontheffing.

14. Het hof neemt voorts in aanmerking dat de minderjarige gedurende lange tijd onder toezicht is gesteld en uit huis is geplaatst. Gebleken is dat de grootouders de minderjarige een veilige en stabiele opvoedsituatie bieden en dat de minderjarige zich bij hen op positieve wijze ontwikkelt. Het hof acht het in het belang van de minderjarige dat duidelijk voor hem wordt dat hij verder zal opgroeien bij de grootouders. Deze duidelijkheid is er nu onvoldoende, omdat de moeder wil dat de minderjarige op termijn weer bij haar komt wonen en dit – zo blijkt onder andere uit het raadsrapport – tijdens de bezoeken ook naar de minderjarige toe uit. Onder de gegeven omstandigheden acht het hof de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onvoldoende om de ernstige bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige af te wenden.

15. Het hof gaat aan het betoog van de moeder met betrekking tot artikel 8 EVRM en artikel 20 IVRK voorbij en overweegt daarbij het volgende. De inbreuk die de ontheffing maakt op het familie- en gezinsleven van de moeder wordt gerechtvaardigd door de bescherming van de belangen van de minderjarige. Nu alternatieve en lichtere maatregelen niet toereikend zijn, geldt naar het oordeel van het hof bovendien dat de maatregel van ontheffing niet zwaarder is dan de omstandigheden rechtvaardigen.

16. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Kempen, De Haan-Boerdijk en Willems,bijgestaan door mr. Dooting als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juli 2012.